VOORBEELDVRAGEN
GEBOUWEN, TECHNIEKEN EN VEILIGHEID
1. Wat is een zoönose? Geef een voorbeeld.
Zoönosen zijn ziekten die voorkomen bij dieren en ook besmettelijk zijn voor de mens. Een
besmetting verloopt via contact met de huid, kleine wondjes of slijmvliezen, langs de
ademhalingswegen door de inademing van stof of langs de verteringswegen door de
consumptie van besmet voedsel of water. Voorbeelden van zoönosen zijn listeriose en
salmonella.
2. Waarom is het omgaan met dieren soms zeer gevaarlijk? Hoe geven bepaalde dieren aan dat
ze uw aanwezigheid niet appreciëren en dat je beter weggaat?
Dieren blijven instinctmatig, waardoor een ongeluk snel gebeurt is. De dieren waar men het
meeste vertrouwen in heeft vormen soms nog het grootste gevaar, daar men minder gaat
opletten. Dieren die men niet vertrouwt gaat men dan weer voorzichtiger benaderen,
waardoor de kans op ongelukken kleiner is.
Ook de periode is een belangrijke indicatie voor ongevallen. Dieren zijn in de avond vaak
onrustiger en stieren in de paarperiode zijn bijvoorbeeld agressiever, omdat ze u zien als
‘concurrentie’. Ook koeien die net gekalfd hebben kunnen agressiever reageren, door de
bescherming van hun kalfjes.
Verder moet er ook rekening gehouden worden met de ontwikkeling van de zintuigen van de
dieren. Dieren voelen stress en angst bijvoorbeeld heel goed aan. Runderen hebben een groter
gezichtsveld, maar zien van ver zeer wazig. Hun geur is verder zeer goed ontwikkeld. Men zal
zich dus moeten aanpassen aan het dier, zodat het dier zo rustig mogelijk blijft.
De dieren laten vaak weten dat ze zich bedreigd voelen, paarden gaan bijvoorbeeld hun oren
plat leggen.
3. Hoe komt het dan een slijpschijf kan vastslaan? Geef een duidelijke tekening.
Wanneer de elementen naar binnen vallen, als men aan het slijpen is, geraakt de slijpschijf
geklemd. Daarom is het belangrijk dat de twee gescheiden elementen naar buiten kunnen
plooien, in plaats van naar binnen.
GEBOUWEN, TECHNIEKEN EN VEILIGHEID
1. Wat is een zoönose? Geef een voorbeeld.
Zoönosen zijn ziekten die voorkomen bij dieren en ook besmettelijk zijn voor de mens. Een
besmetting verloopt via contact met de huid, kleine wondjes of slijmvliezen, langs de
ademhalingswegen door de inademing van stof of langs de verteringswegen door de
consumptie van besmet voedsel of water. Voorbeelden van zoönosen zijn listeriose en
salmonella.
2. Waarom is het omgaan met dieren soms zeer gevaarlijk? Hoe geven bepaalde dieren aan dat
ze uw aanwezigheid niet appreciëren en dat je beter weggaat?
Dieren blijven instinctmatig, waardoor een ongeluk snel gebeurt is. De dieren waar men het
meeste vertrouwen in heeft vormen soms nog het grootste gevaar, daar men minder gaat
opletten. Dieren die men niet vertrouwt gaat men dan weer voorzichtiger benaderen,
waardoor de kans op ongelukken kleiner is.
Ook de periode is een belangrijke indicatie voor ongevallen. Dieren zijn in de avond vaak
onrustiger en stieren in de paarperiode zijn bijvoorbeeld agressiever, omdat ze u zien als
‘concurrentie’. Ook koeien die net gekalfd hebben kunnen agressiever reageren, door de
bescherming van hun kalfjes.
Verder moet er ook rekening gehouden worden met de ontwikkeling van de zintuigen van de
dieren. Dieren voelen stress en angst bijvoorbeeld heel goed aan. Runderen hebben een groter
gezichtsveld, maar zien van ver zeer wazig. Hun geur is verder zeer goed ontwikkeld. Men zal
zich dus moeten aanpassen aan het dier, zodat het dier zo rustig mogelijk blijft.
De dieren laten vaak weten dat ze zich bedreigd voelen, paarden gaan bijvoorbeeld hun oren
plat leggen.
3. Hoe komt het dan een slijpschijf kan vastslaan? Geef een duidelijke tekening.
Wanneer de elementen naar binnen vallen, als men aan het slijpen is, geraakt de slijpschijf
geklemd. Daarom is het belangrijk dat de twee gescheiden elementen naar buiten kunnen
plooien, in plaats van naar binnen.