Sociaal-emotionele ontwikkeling in opvang en onderwijs
Samenvatting van de literatuur per college
College 1: The Child at School chapter 1. An introduction to the child at school.
Zoals de titel van het hoofdstuk al doet vermoeden, gaat het hier om een introductie van
het boek. De schrijvers vertellen waar ze de nadruk op leggen, namelijk de sociale
interacties die het kind gedurende de dag doormaakt. Dit wordt vanuit een psychologische
context onderzocht.
Om het onderzoek af te bakenen, wordt het begrip ontwikkeling / development
besproken. De schrijvers onderscheiden hier twee belangrijk opvattingen over:
1. Ontwikkeling als een continu proces, waarbij de ‘uitkomst’ volwassenheid is
Deze opvatting komt onder andere in het werk van Vygotsky en Piaget naar voren.
Mensen die het eens zijn met deze opvatting, zien de kindertijd als een ‘training’
die het kind moet voorbereiden op de volwassenheid. Hierbij moeten bepaalde
stappen doorlopen worden, waarbij volwassenen kunnen helpen door op de juiste
tijd de juiste materialen of prikkels aan te bieden. Men gaat dus uit van kritische
periodes in de ontwikkeling en gelooft dat als er niet aan de behoeften van het kind
voldaan wordt, er soms onherstelbare schade optreedt. Belangrijk: men bekijkt hier
het kind vanuit het perspectief van de volwassene en ziet hun interacties als de
onvolwassen versie van ons eigen gedrag.
2. Ontwikkeling met betrekking tot de kindertijd
De tweede opvatting ziet het gedrag van kinderen als reactie op de dingen die
kinderen nodig hebben in hun kindertijd. Dat betekent dat niet ieder kind tegelijk
dezelfde ontwikkeling doormaakt en dat er niet een vaste manier is waarop
kinderen zich ‘horen’ te ontwikkelen. Ook wordt het gedrag niet gezien als ‘onaf’
volwassen gedrag, wat een belangrijk verschil is met de theorie hierboven.
Beide theorieën hebben hun implicaties voor hoe men naar de kritische perioden in de
ontwikkeling van het kind kijkt. Hier wordt later in het boek op in gegaan.
De vijf belangrijkste concepten van ontwikkeling in de kindertijd:
1. Kritische periodes
Deze periodes zijn van groot belang voor de ontwikkeling van het kind. Als de
periode niet doorgemaakt wordt, zal het bijbehorende gedrag waarschijnlijk niet
meer ontwikkelen. Maar: men spreekt ook wel van sensitieve periodes. Hier gaat
men ervan uit dat sommige momenten meer optimaal zijn dan anderen om bepaald
gedrag aan te leren. Het idee dat een kind bepaalde dingen nooit meer zal kunnen
ontwikkelen wordt hier verworpen.
2. Individuele verschillen
Kinderen kunnen op allerlei gebieden van elkaar verschillen. Meestal zijn deze
verschillen terug te leiden naar biologische componenten zoals het aanmaken
van bepaalde hormonen (door bijv. roken tijdens de zwangerschap). Kenmerkend is
dat de verschillen levenslang blijven.
3. Regulariteit
De stages van ontwikkeling vinden altijd binnen een vaste volgorde plaats. Het
moment waarop een kind iets leert kan verschillen, maar de vaste volgorde zal
blijven.
4. Het gebruik van specifiek gedrag
Kinderen vertonen bepaald gedrag omdat het positieve gevolgen voor ze heeft.
Lachen naar de ouder kan er voor een baby voor zorgen dat deze tegen hem praat,
Pagina 1 van 25
, het trainen van de grove motoriek zorgt ervoor dat het kind sterkere spieren krijgt
en dat het skelet juist ontwikkelt.
5. Continuïteit en discontinuïteit
In hoeverre zijn bedreigingen of positieve invloeden op de ontwikkeling blijvend?
Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of iets als intelligentie blijvend is of niet. We
onderscheiden twee vormen van continuïteit:
1. homotypische continuïteit
Als de reactie ergens op vrijwel hetzelfde blijft naarmate de tijd verstrijkt. Dit
kan voorkomen wanneer je bepaalde vaardigheden die je eerder verworven
hebt opnieuw nodig hebt.
2. heterotypische continuïteit
Hier gaat het om het ontdekken van relaties tussen zaken die op het eerste
gezicht niet met elkaar verbonden lijken te zijn. > Moeilijk, net een soort
puzzel die je op moet lossen. De verbanden liggen niet voor de hand.
College 2: Van IJzendoorn (2004). Leidt kinderopvang tot agressie? Artikel 1/2
In het Amerikaanse NICHD-onderzoek volgt men kinderen van de geboorte tot de
adolescentie. In eerste instantie begon het naar een onderzoek naar de kwaliteit van de
Amerikaanse kinderopvang, maar nu worden bredere en grotere metingen samengesteld
waarbij men onderzoekt hoe verschillende vormen van opvoeding thuis, op
kinderdagverblijven en op school van invloed zijn om de sociale-, emotionele-, cognitieve-,
taalontwikkeling en de gezondheid.
Bij het onderzoek maakt men gebruik van de ecologische benadering zoals we die van
Bronfenbrenner kennen. Bij de ecologische benadering denkt men dat bufferfactoren
negatieve invloeden kunnen remmen. In het NICHD-onderzoek ziet het model er als volgt
uit:
Demografische & gezinsfactoren
Thuis Uitkomsten:
sociaal
cognitief
gezondheid
Kinderopvang
School
Aan de hand van dit model zie je dat er sprake kan zijn van moderatie en mediatie van
bepaalde factoren, want de pijlen gaan twee kanten op. Vb. wanneer het kind op een
slechte kinderopvang zit, zal dit meer negatieve effecten hebben als de opvoeding thuis
ook te wensen overlaat. Het is dus op grond van dit model zaak om te zoeken naar
interacties tussen de verschillende opvoedingscontexten.
Stelling: kinderopvang is slecht voor de gehechtheid van kinderen.
Gepareerd door de auteur, want uit zijn onderzoek bleek dat dit alleen gold voor kinderen
waarbij de opvoeding thuis duidelijk onder de maat was. Hoe minder sensitief de ouders
Pagina 2 van 25
, van een kind zijn, hoe groter de kans op een onveilige gehechtheid en hoe groter de kans
op negatieve effecten door slechte kinderopvang is.
Stelling 2: kinderen die in de eerste levensjaren een kinderopvang bezoeken, vertonen
meer agressie in de kleuterperiode.
Deze stelling is deels waar, maar het gaat niet om een heel duidelijk effect. De mate van
agressiviteit en gedragsproblemen neemt toe wanneer kinderen meer uren op de opvang
doorbrengen. Hier is dus kwantiteit, en niet kwaliteit de bepalende factor.
Kritiek op de NICHD-studie:
- De allerlaagste milieus van de samenleving zijn niet bereikt en daarom niet in het
onderzoek meegenomen. Hierdoor is de steekproef niet volledig representatief geweest.
- Er is niet hard genoeg gewerkt aan het beperken van de uitval van respondenten.
- Men spreekt alleen over non-maternal care, wat in zou houden dat zorg van de vader
afwijkt van zorg van de moeder. Onder deze vorm van verzorging valt bijvoorbeeld ook
de leidster van een kinderdagverblijf, dus het is niet eerlijk om dat op gelijke voet met de
vaders te trekken.
Moeilijkheden qua generaliseerbaarheid NICHD-studie naar andere landen:
- Landen kunnen andere vormen (en kwaliteit) van kinderopvang hebben
- De kwantitatieve benutting van de opvang verschilt per land vanwege het wel/niet
werken van moeders
College 2: Vandell (2004). Early childcare: the known and the unknown. Artikel 2/2
Zowel de proceskwaliteit (ervaringen die kinderen hebben met verzorgers,
medeleerlingen en materialen) als de structurele kwaliteit zijn goede voorspellers van de
cognitieve-, sociale- en taalontwikkeling van kinderen. Hierbij geven vooral de
risicofactoren een duidelijke voorspeller aan. Voorbeelden van risicofactoren zijn
depressiviteit bij de ouder(s), slechte opvoeding thuis en armoede.
Het is gebleken dat kinderopvang van hoge kwaliteit kinderen die in een risicogroep vallen
zowel op de korte als op de lange termijn kan versterken. Ook hierbij gaat het met name
om de sociale ontwikkeling, academische (=cognitieve?) ontwikkeling en taalvaardigheid.
College 3: The Child at School chapter 8. Interactions in the classroom: teacher-pupil
interactions. Hoofdstuk 1/3
Volgens Arends hebben docenten drie belangrijke functies, ongeacht waar ze lesgeven:
1. Executieve functie - leiderschap uit handen geven aan de leerlingen
2. Interactieve functie - face-to-face interactie met de student
3. Organisatorische functie - samenwerken met collega’s, ouders en andere personen
Het tweede punt uit dit lijstje, de interactie, schijnt in ons onderwijs maar weinig naar voren
te komen. Kinderen werken tegenwoordig al op vroege leeftijd veel individueel in plaats
van dat ze samenwerken.
Rosenshine en Stevens hebben een aantal fundamentele functies van instructie
vastgelegd:
1. Review - het werk van de vorige dag bekijken en indien nodig opnieuw uitleggen
2. Nieuwe vaardigheden of stof aanbieden
3. Studenten begeleiden tijdens het oefenen (en kijken of ze het snappen)
Pagina 3 van 25
Samenvatting van de literatuur per college
College 1: The Child at School chapter 1. An introduction to the child at school.
Zoals de titel van het hoofdstuk al doet vermoeden, gaat het hier om een introductie van
het boek. De schrijvers vertellen waar ze de nadruk op leggen, namelijk de sociale
interacties die het kind gedurende de dag doormaakt. Dit wordt vanuit een psychologische
context onderzocht.
Om het onderzoek af te bakenen, wordt het begrip ontwikkeling / development
besproken. De schrijvers onderscheiden hier twee belangrijk opvattingen over:
1. Ontwikkeling als een continu proces, waarbij de ‘uitkomst’ volwassenheid is
Deze opvatting komt onder andere in het werk van Vygotsky en Piaget naar voren.
Mensen die het eens zijn met deze opvatting, zien de kindertijd als een ‘training’
die het kind moet voorbereiden op de volwassenheid. Hierbij moeten bepaalde
stappen doorlopen worden, waarbij volwassenen kunnen helpen door op de juiste
tijd de juiste materialen of prikkels aan te bieden. Men gaat dus uit van kritische
periodes in de ontwikkeling en gelooft dat als er niet aan de behoeften van het kind
voldaan wordt, er soms onherstelbare schade optreedt. Belangrijk: men bekijkt hier
het kind vanuit het perspectief van de volwassene en ziet hun interacties als de
onvolwassen versie van ons eigen gedrag.
2. Ontwikkeling met betrekking tot de kindertijd
De tweede opvatting ziet het gedrag van kinderen als reactie op de dingen die
kinderen nodig hebben in hun kindertijd. Dat betekent dat niet ieder kind tegelijk
dezelfde ontwikkeling doormaakt en dat er niet een vaste manier is waarop
kinderen zich ‘horen’ te ontwikkelen. Ook wordt het gedrag niet gezien als ‘onaf’
volwassen gedrag, wat een belangrijk verschil is met de theorie hierboven.
Beide theorieën hebben hun implicaties voor hoe men naar de kritische perioden in de
ontwikkeling van het kind kijkt. Hier wordt later in het boek op in gegaan.
De vijf belangrijkste concepten van ontwikkeling in de kindertijd:
1. Kritische periodes
Deze periodes zijn van groot belang voor de ontwikkeling van het kind. Als de
periode niet doorgemaakt wordt, zal het bijbehorende gedrag waarschijnlijk niet
meer ontwikkelen. Maar: men spreekt ook wel van sensitieve periodes. Hier gaat
men ervan uit dat sommige momenten meer optimaal zijn dan anderen om bepaald
gedrag aan te leren. Het idee dat een kind bepaalde dingen nooit meer zal kunnen
ontwikkelen wordt hier verworpen.
2. Individuele verschillen
Kinderen kunnen op allerlei gebieden van elkaar verschillen. Meestal zijn deze
verschillen terug te leiden naar biologische componenten zoals het aanmaken
van bepaalde hormonen (door bijv. roken tijdens de zwangerschap). Kenmerkend is
dat de verschillen levenslang blijven.
3. Regulariteit
De stages van ontwikkeling vinden altijd binnen een vaste volgorde plaats. Het
moment waarop een kind iets leert kan verschillen, maar de vaste volgorde zal
blijven.
4. Het gebruik van specifiek gedrag
Kinderen vertonen bepaald gedrag omdat het positieve gevolgen voor ze heeft.
Lachen naar de ouder kan er voor een baby voor zorgen dat deze tegen hem praat,
Pagina 1 van 25
, het trainen van de grove motoriek zorgt ervoor dat het kind sterkere spieren krijgt
en dat het skelet juist ontwikkelt.
5. Continuïteit en discontinuïteit
In hoeverre zijn bedreigingen of positieve invloeden op de ontwikkeling blijvend?
Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of iets als intelligentie blijvend is of niet. We
onderscheiden twee vormen van continuïteit:
1. homotypische continuïteit
Als de reactie ergens op vrijwel hetzelfde blijft naarmate de tijd verstrijkt. Dit
kan voorkomen wanneer je bepaalde vaardigheden die je eerder verworven
hebt opnieuw nodig hebt.
2. heterotypische continuïteit
Hier gaat het om het ontdekken van relaties tussen zaken die op het eerste
gezicht niet met elkaar verbonden lijken te zijn. > Moeilijk, net een soort
puzzel die je op moet lossen. De verbanden liggen niet voor de hand.
College 2: Van IJzendoorn (2004). Leidt kinderopvang tot agressie? Artikel 1/2
In het Amerikaanse NICHD-onderzoek volgt men kinderen van de geboorte tot de
adolescentie. In eerste instantie begon het naar een onderzoek naar de kwaliteit van de
Amerikaanse kinderopvang, maar nu worden bredere en grotere metingen samengesteld
waarbij men onderzoekt hoe verschillende vormen van opvoeding thuis, op
kinderdagverblijven en op school van invloed zijn om de sociale-, emotionele-, cognitieve-,
taalontwikkeling en de gezondheid.
Bij het onderzoek maakt men gebruik van de ecologische benadering zoals we die van
Bronfenbrenner kennen. Bij de ecologische benadering denkt men dat bufferfactoren
negatieve invloeden kunnen remmen. In het NICHD-onderzoek ziet het model er als volgt
uit:
Demografische & gezinsfactoren
Thuis Uitkomsten:
sociaal
cognitief
gezondheid
Kinderopvang
School
Aan de hand van dit model zie je dat er sprake kan zijn van moderatie en mediatie van
bepaalde factoren, want de pijlen gaan twee kanten op. Vb. wanneer het kind op een
slechte kinderopvang zit, zal dit meer negatieve effecten hebben als de opvoeding thuis
ook te wensen overlaat. Het is dus op grond van dit model zaak om te zoeken naar
interacties tussen de verschillende opvoedingscontexten.
Stelling: kinderopvang is slecht voor de gehechtheid van kinderen.
Gepareerd door de auteur, want uit zijn onderzoek bleek dat dit alleen gold voor kinderen
waarbij de opvoeding thuis duidelijk onder de maat was. Hoe minder sensitief de ouders
Pagina 2 van 25
, van een kind zijn, hoe groter de kans op een onveilige gehechtheid en hoe groter de kans
op negatieve effecten door slechte kinderopvang is.
Stelling 2: kinderen die in de eerste levensjaren een kinderopvang bezoeken, vertonen
meer agressie in de kleuterperiode.
Deze stelling is deels waar, maar het gaat niet om een heel duidelijk effect. De mate van
agressiviteit en gedragsproblemen neemt toe wanneer kinderen meer uren op de opvang
doorbrengen. Hier is dus kwantiteit, en niet kwaliteit de bepalende factor.
Kritiek op de NICHD-studie:
- De allerlaagste milieus van de samenleving zijn niet bereikt en daarom niet in het
onderzoek meegenomen. Hierdoor is de steekproef niet volledig representatief geweest.
- Er is niet hard genoeg gewerkt aan het beperken van de uitval van respondenten.
- Men spreekt alleen over non-maternal care, wat in zou houden dat zorg van de vader
afwijkt van zorg van de moeder. Onder deze vorm van verzorging valt bijvoorbeeld ook
de leidster van een kinderdagverblijf, dus het is niet eerlijk om dat op gelijke voet met de
vaders te trekken.
Moeilijkheden qua generaliseerbaarheid NICHD-studie naar andere landen:
- Landen kunnen andere vormen (en kwaliteit) van kinderopvang hebben
- De kwantitatieve benutting van de opvang verschilt per land vanwege het wel/niet
werken van moeders
College 2: Vandell (2004). Early childcare: the known and the unknown. Artikel 2/2
Zowel de proceskwaliteit (ervaringen die kinderen hebben met verzorgers,
medeleerlingen en materialen) als de structurele kwaliteit zijn goede voorspellers van de
cognitieve-, sociale- en taalontwikkeling van kinderen. Hierbij geven vooral de
risicofactoren een duidelijke voorspeller aan. Voorbeelden van risicofactoren zijn
depressiviteit bij de ouder(s), slechte opvoeding thuis en armoede.
Het is gebleken dat kinderopvang van hoge kwaliteit kinderen die in een risicogroep vallen
zowel op de korte als op de lange termijn kan versterken. Ook hierbij gaat het met name
om de sociale ontwikkeling, academische (=cognitieve?) ontwikkeling en taalvaardigheid.
College 3: The Child at School chapter 8. Interactions in the classroom: teacher-pupil
interactions. Hoofdstuk 1/3
Volgens Arends hebben docenten drie belangrijke functies, ongeacht waar ze lesgeven:
1. Executieve functie - leiderschap uit handen geven aan de leerlingen
2. Interactieve functie - face-to-face interactie met de student
3. Organisatorische functie - samenwerken met collega’s, ouders en andere personen
Het tweede punt uit dit lijstje, de interactie, schijnt in ons onderwijs maar weinig naar voren
te komen. Kinderen werken tegenwoordig al op vroege leeftijd veel individueel in plaats
van dat ze samenwerken.
Rosenshine en Stevens hebben een aantal fundamentele functies van instructie
vastgelegd:
1. Review - het werk van de vorige dag bekijken en indien nodig opnieuw uitleggen
2. Nieuwe vaardigheden of stof aanbieden
3. Studenten begeleiden tijdens het oefenen (en kijken of ze het snappen)
Pagina 3 van 25