Leerdoelen:
Leerdoel 1: Wat is het uitgangspunt van de sociologie van Durkheim? Hoe draagt het bij aan onze sociologische
verbeelding?
Leerdoel 2: Werk Durkheims theoretische concepten uit en leg relaties tussen de concepten. Concepten: sociaal
feit; division of labor; mechanische en organische solidariteit; collectief bewustzijn; (sociale) pathologie;
anomie.
Leerdoel 3: Hoe kan Durkheims werk toegepast worden op bijv. deviantie/delinquentie? Wat levert ons dat op?
Boek 1: Sociological Theory, hoofdstuk 3
Leerdoel 1: Wat is het uitgangspunt van de sociologie van Durkheim? Hoe draagt het bij aan onze sociologische
verbeelding?
Twee thema’s:
Sociaal boven het individu.
De maatschappij kan wetenschappelijk bestudeerd worden.
De maatschappij bestaat uit sociale feiten, welke verder gaan dan ons denken en welke bestudeerd
moeten worden door observatie en metingen.
Leerdoel 2: Werk Durkheims theoretische concepten uit en leg relaties tussen de concepten. Concepten: sociaal
feit; division of labor; mechanische en organische solidariteit; collectief bewustzijn; (sociale) pathologie;
anomie.
Twee soorten onderliggende sociale feiten:
Integratie: de sterkte van de band dat we hebben met de samenleving.
Regulatie: het niveau van externe beperking op mensen.
Soorten niet-materiële sociale feiten:
Moraliteit: principes die ons gedrag beheersen. Twee aspecten:
Moraliteit kan empirisch onderzocht worden, is extern aan het individu, is van dwingende invloed
op het individu en wordt uitgelegd door andere sociale feiten.
De onderzoeken van Durkheim waren ontstaan door zijn zorg over de morele gezondheid van de
moderne maatschappij.
Collectief bewustzijn: de algemene structuur van gedeelde afspraken, normen en geloven.
Collectieve representaties: collectieve concepten en sociale krachten. Zijn niet individueel omdat ze
voortkomen uit interacties.
Vier dimensies:
1. Volume:
Mechanische solidariteit: de hele maatschappij.
Organische solidariteit: bepaalde groepen.
2. Intensiteit:
Mechanische solidariteit: hoog.
Organische solidariteit: laag.
3. Stijfheid:
Mechanische solidariteit: hoog.
Organische solidariteit: laag.
4. Tevredenheid:
Mechanische solidariteit: religieus.
Organische solidariteit: moreel individualisme.
Sociale stromingen: sociale feiten die zich niet in de standaard vorm vertonen. Zijn niet individueel,
omdat ze voortkomen uit interacties. Betekenissen die gedeeld worden door leden van een
collectiviteit.
Division of labor: is ontstaan doordat in de moderne maatschappij mensen allemaal verschillende banen
hebben, wat niet bijdraagt aan het collectieve. Dit zorgde voor een transitie van mechanische naar
organische solidariteit.