Verschil bewegen en sporten
Bewegen = recreatief (om fit te blijven).
Sporten = een wedstrijd vorm, heeft regels. Er is ook een jury en een
scheidsrechter aanwezig.
Onderzoek naar sport: (neem je iets mee als sport of bewegen?)
1. Onderzoek
2. Beleid
3. Sociologie
Sport Definitie:
Volgens het boek
Sport is een vaardigheidsspel gericht op het bereiken van een bepaald
doel, waarbij fysieke kwaliteiten van mensen worden getest in een
wedstrijdvorm en waarbij gespeeld wordt volgens regels, binnen
institutionele kaders.
Volgens internet
Sport is een reeks van in principe toetsbare of vergelijkbare activiteiten
waarin het bereiken van een doel ter wille van de activiteit zelf een
belangrijke plaats inneemt, en waarvan elke activiteit, met enige
regelmaat en veelal in een specifieke organisatorische verband, door 1
of meerdere personen wordt verricht, op een wijze die gerelateerd is aan
voorschriften en gebruiken die in internationaal verband ten behoeve
aan wedstrijden in deze activiteit zijn opgesteld.
Sport kan op twee manieren gedefinieerd worden: essentialistisch
en instrumenteel.
Essentialistisch hier wordt vooral gezocht naar het wezen (de essentie)
van sport. Sport wordt hier gezien als een eigen wereld, met eigen
kenmerken, die onafhankelijk functioneren van de sociale en culturele
verbanden waarin sport zich beweegt. Instrumenteel sport is een middel
om andere, buiten de sport gelegen doelen te realiseren.
Bij sport kunnen we twee soorten motieven onderscheiden:
intrinsieke en extrinsieke motieven.
Intrinsieke motieven: zijn motieven die verband houden met de sport
zelf. Je hebt een motief om te sporten dat verbonden is met het interne
doel van de sport.
Extrinsieke motieven: je hebt twee soorten, individueel (schoonheid,
gezondheid, welzijn, sociale contacten, status, geld) en sociaal
(gezondheid, pedagogisch, socialisatie, integratie, politiek, economisch).
,Doel of middel:
Sport als doel: de sport zelf, beter worden en winnen.
Sport als middel: Om mensen bij elkaar te brengen en mensen te
vermaken. (Maatschappelijk en Sociaal onderdeel).
Sportfamilie van tamboer en steenbergen
- Non physical games: -> zoals schaken
- Physical games: -> (fysiek)
refereed sport -> scheidsrechter (hockey)
judged sports -> een jury (turnen)
hybride sports -> zowel een jury als scheidsrechter (schansspringen)
- Physical activities: -> wandelen in de natuur.
Ethiek in de sport
- ethiek gaat over goed en kwaad in het menselijk handelen. (waarden en
normen)
Beginselethiek =
- regels naleven en eerlijk spelen, ongeacht de uitkomst.
voorbeeld: een scheidsrechter fluit altijd volgens de regels
kern: fair play staat voorop, ‘regels zijn regels’. -> dus waarden en normen
respecteren tijdens bijvoorbeeld een wedstrijd
Gevolgenethiek =
- het morele oordeel hangt af van de gevolgen (meer voordeel, minder
nadeel)
voorbeeld: een speler neemt bewust een kleine overtreding (tactisch
foutje) om een veel groter nadeel (goal) te voorkomen.
kern: het doel kan middelen rechtvaardigen.
Deugdenethiek =
- het gaat om de houding en het karakter van de sporter. Sport hoort een
oefening te zijn in moed, Discipline, eerlijkheid en respect.
voorbeeld: een sporter kiest er bewust voor niet vals te spelen, omdat
hij/zij een “goed sportmens” wil zijn.
kern: het ontwikkelen van goede sportieve eigenschappen is belangrijker
dan winnen of regels alleen volgen.
In sport:
•Beginselethiek = Regels volgen.
•Gevolgenethiek = Resultaat telt.
•Deugdenethiek = Goede sporter zijn.
1
, Sportsociologie =
- Je moet de sport zien als de lens waardoor je naar de samenleving kijkt.
- Het inzetten en gebruiken van sport om het gedrag van mensen te
beïnvloeden.
- Het samenleven van mensen en socialiseren daarvan.
Sportsociologie voor de sportkundige =
- Voor een Sportkundige is het zinvol om te weten wat er binnen de maatschappij
speelt met name op het gebied van sport en bewegen en het sociale
welbevinden van de mens. Dit is van belang zodat de Sportkundige kan inspelen
op vraag en aanbod, door sport- en beweegprogramma’s te ontwikkelen en uit te
voeren waarbij sport als middel wordt ingezet. Bovendien is het van belang dat
een Sportkundige kan meepraten binnen actuele gebeurtenissen in zijn/haar
vakgebied.
Verklaringen voor de populariteit van sporten:
1. De invloed van klimaat en landschap.
- Bv bergbeklimmen en skieën is vooral populair in landen waar ook
bergen zijn.
2. Sportvoorkeur en lichaamsbouw.
- Sommige sporten (bv voetbal) zijn meer geschikt voor alle lichaamstypen
dan andere sporten.
3. Verschillen in het voorzieningsniveau.
- Het gaat hierbij om de aan- of afwezigheid van accommodaties.
4. Ongelijke kosten.
- Financiële overwegingen om een sport wel of niet te beoefenen.
5. Algemeen menselijke voorkeuren voor intrinsieke kenmerken.
- Is de ene sport niet gewoon leuker om te beoefenen dan de andere sport
bv omdat het makkelijker aan te leren is?
6. Sportvoorkeur en volkskarakter.
- Bv handbal is een typisch Duitse sport omdat het veel discipline vergt en
weinig individualistisch is.
7. Sportvoorkeur en individualisering.
- Door de individualisering zouden sporten in teamverband minder
populair zijn geworden.
8. Ard en Keessie effect.
- Doen er meer mensen aan sport als topsporters succes boeken? Zie ook
het recente artikel over het zogenoemde Trickle-Down-effect. Uit
onderzoek kan dit effect slecht onderbouwd worden, hoewel we soms wel
het gevoel hebben dat dit effect er is.
9. De lokroep van het grote geld.
Met voetbal kun je veel verdienen als je topvoetballer bent.
10. De invloed van de televisie.
- ’Zien is doen’
2