Hoofdstuk 1: Grondprincipes van de staatsorde
1. Rechtsstaat
ovh is er om belangen/vrijheid van zijn burger te verdedigen
er zijn een aantal fundamentele rechten die worden toegekend aan burgers die
onaantastbaar zijn, de ovh moet ons die garanderen
beschermen tegen:
→ andere burgers
→ overheid
→ buitenlandse overheden
WOII: Duitsland rechtsstaat→ dictatuur
na WOII: EVRM = Europees verdrag voor de rechten vd mens
fundamentele rechten en vrijheden vastgelegd → kunnen ook afgedwongen worden
2. De Wetstaat
wetgeving uitvaardigen: meer gelijkheid creëren + zwakkere partijen te beschermen
bv. consument <-> Zalando, huurder <-> verhuurder
→ meer regels van dwingend recht
3. 3 staatsmachten
- wetgevende, maakt regels → uitgeoefend door het verkozen parlement
- uitvoerende, voert uit, dagelijkse bestuur vd staat → uitgeoefend door regering en
Koning
- rechterlijke, past toe → uitgeoefend door diverse rechtscolleges
scheiding der machten = onafhankelijk van elkaar → zo is de macht niet geconcentreerd
te veel macht → dictatuur en corruptie
houden elkaar in balans, controle + onderlinge samenwerking => relativering
bv. uitvoerende macht benoemt rechterlijke macht (zie cursus p. 20)
4. democratisch beginsel
wetgevende macht: ligt bij de gekozenen van het volk
degene die de wetgeving maken vertegenwoordigen ons
democratisch deficit (gebrek) = de besluitvorming in de Europese Unie (EU) heeft niet genoeg
democratische controle en invloed van burgers.
bv. De Europese Commissie (het “dagelijks bestuur” van de EU) wordt niet rechtstreeks
gekozen door burgers.
Hoofdstuk 2: de supranationale rechtsorde
2.1 Van EEG naar Europese Unie:
Europese unie
historisch: 1952 → EGKS (Europese gemeenschap kolen en stalen): 1e samenwerking
Fransen hoopten de Duitsers te controleren
politieke samenwerking
“spill-over effect”: door econ. te gaan samenwerken → automatische politieke
samenwerking
1957 EEG (europese econ. gemeenschap) + Euratom (samenwerking op gebied van atoomenergie)
, EEG samenwerking op econ. vlak maar: begon steeds meer zich te begeven op andere
domeinen → Verdrag van Maastricht:
EEG → EG (Europese gemeenschap) => EU
2.2 De politieke instellingen van de EU
rechtsorden: hoe de organisaties gestructureerd zijn
EU: de organen
1. Europees Parlement
- rechtstreeks verkiezen (om de 5j)
- adviserend orgaan → beslissingen id vorm van resoluties (= norm, niet-
bindend)
- Waar?
→officieel in Straatsburg, 1x per maand hier zetelen
→Brussel: plenaire vergaderingen (vergaderingen van alle
parlementsleden) + commissievergaderingen
- beperkte bevoegdheden:
democratisch beginsel (gekozen door volk maken wetgeving)
mede-wetgever
goedkeuring van begroting
2. Raad vd EU / raad v ministers vd EU
- in Brussel
- ministers: 27 lidstaten
samenstelling raad → afh van materie
probleem: men erkent gemeenschappen en gewesten niet → afspraken
- ministers vertegenwoordigen hun nationale belangen
- functie: mede-wetgever
- gekwalificeerde meerderheid: aantal lidstaten die akkoord moeten zijn met beslissing
- voorzitter → rotatiesysteem: om 6 maanden ander land voorzitter
bepaalt agenda / werkzaamheden EU
3. Europese Raad
- staats- en regeringsleiders vd 27 lidstaten
+ voorzitter Europese commissie
+ voorzitter Europese raad
- permanente voorzitter: termijn 2,5 jaar ( of verlengd met mandaat van 5j)
- bepaalt het beleid van de EU in grote lijnen
- Brussel
4. Europese commissie
- mandaat van 5j
- 27 commissarissen (iedere lidstaat)
- Europese belangen (commissaris komt los van eigen land)
- Brussel
- functie: nemen van initiatieven tot wetgeving
5. Hoge vertegenwoordiger (functie)
- commissaris die zich bezighoudt met buitenlandse betrekkingen
- vertegenwoordigt EU naar het buiten toe
6. Europese normen:
Europees recht