Samenvatting ontwikkelingspsychologie
Leeftijdsgroepen
- prenatale periode: conceptie tot geboorte
- babytijd: 0 tot 1 jaar
- peutertijd: 1 tot 3 jaar
- kleutertijd: 3 tot 6 jaar
- basisschooltijd: 6 tot 12 jaar
- adolescentie: 12 tot 20 jaar
- volwassenheid: 20 tot 60 jaar
- oudere volwassenheid: 60+ jaar
Normatieve ontwikkeling: algemene veranderingen en gedragsreorganisatie die iedereen doormaakt bij het ouder worden
Individuele ontwikkeling: individuele variatie rond het normatieve verloop van de ontwikkeling (variatie wordt groter
naarmate het kind ouder wordt: als individu zelf keuzes maken)
Cohort: een groep mensen die rond dezelfde tijd en plaats geboren is (milieu/generatie)
- generatie X: verloren generatie (1950-1970): veel werkloosheid
- generatie Y: computers/digitalisering/communicatief
- generatie Z: 1990: groot geworden met digitale toestellen/online/initiatief/thuis werken
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op dezelfde manier
voltrekken (historisch bepaald: atoombom, rampen, …; leeftijdsgebonden: overgang lagere school, menopauze, …;
sociaal-cultureel: subcultuur)
Niet-normatieve gebeurtenissen: Atypische gebeurtenissen op tijdstip dat dit meeste anderen uit die groep niet overkomt
(ziekte, overleiden kind, studeren met lage SES)
1.2 Kinderen: verleden, heden en toekomst
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau voortvloeien uit die van vorige
niveaus (geleidelijke, kwantitatieve verbetering)
Discontinue verandering: ontwikkeling in aparte stappen of stadia, waarbij elk stadium gedrag oplevert dat kwalitatief
anders is dan gedrag in eerdere stadia (kwalitatieve verandering)
En-en: sommige ontwikkeling meer continu, andere meer discontinu
Kritieke periode: specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste gevolgen heeft
(onomkeerbare consequenties door omgevingsfactoren)
Plasticiteit: mate waarin een ontwikkeld gedrag of fysieke structuur kan worden gewijzigd
Gevoelige periode: periode waarin organisme extra gevoelig is voor omgevingsinvloeden (hoeft niet onomkeerbaar te zijn)
Nature: genetisch bepaalde eigenschappen, vermogen en capaciteiten (Endogeen: milieu bepaald niet WAT er ontwikkeld
maar DAT er ontwikkeling plaatsvindt)
Maturatie: geleidelijke ontvouwing van voorbestemde genetische informatie
Nurture: sociale omgeving waarin men opgroeit, die ons gedrag bepaald (Exogeen: erfelijkheid bepaald niet WAT er
ontwikkelt maar DAT er ontwikkeling plaatsvindt)
1
, Interactionisme: genen en omgeving spelen een rol bij het tot stand komen van eigenschappen en mogelijkheden
2. Theoretische perspectieven en onderzoek
Psychodynamisch perspectief: gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten waarvan
een persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle heeft
Psychoanalytische theorie van Freud
Gedrag: gemotiveerd door (onbewuste) innerlijke krachten, herinneringen en conflicten
Onbewuste: afgestoten infantiele wensen, verlangens en behoeften van verstorende aard
Es (id): genotsprincipe: zo veel mogelijk lust (honger, seks, agressie) en zo min mogelijk spanning + primitieve
aangeboren deel van persoonlijkheid
Ich (ego): realiteitsprincipe: compromis tussen Es en realiteit; instinctieve energie in toom houden + rationele en redelijke
deel van persoonlijkheid
Uberich (superego): geweten: onderscheid tussen goed en kwaad
Eros: seksualiteit: levensdrift en geslachtsdrift
Thanatos: agressie: doodsdrift
Fasen in psychoseksuele ontwikkeling
- Orale fase: 0 tot 1;6 jaar
- Anaal-sadistische fase: 1;6 tot 3 jaar
- Fallische fase: 3 tot 6 jaar
- Latentiefase: 6 tot 11 jaar
- Genitale fase: 11 tot … jaar
Orale fase: (Es (id): geen geweten) mondzone staat centraal: zuigen aan moederborst, vingers en objecten (levensdrift:
zuigen en drstructiedrift: bijten)
Anaal-sadistische fase: (Ich ontwikkeld: geeft aan wat het wel/niet wil) lustbeleving via anus (proper worden, op potje
gaan) en volgzaamheid (loslaten) + protest (ophouden)
Fallische fase: (ontdekken verschil tussen seksen) lustbeleving via geslachtsorgaan (hebben of niet van fallus) + jongens
castratieangst en meisjes penisnijd
Oedipusconflict: jongens willen moeder bezitten en identificeren met vader (rivaal + bewonderen): leren wetten en
normen aanvaarden en meisjes zijn verliefd op hun vader en identificeren met moeder (rivaal + model)
Latentiefase: innerlijke verwerking van de seksuele beleving en ontwikkeling van tederheid + nieuwsgierigheid (wat mag
wel wat niet)
Genitale fase: heropleving van libido en aandacht voor alle seksuele lichaamsdelen
Psychosociale theorie van Erikson
Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in de manier waarop we aankijken tegen interacties, gedrag van anderen en
onszelf als leden van de maatschappij (ego-psychologie)
2
Leeftijdsgroepen
- prenatale periode: conceptie tot geboorte
- babytijd: 0 tot 1 jaar
- peutertijd: 1 tot 3 jaar
- kleutertijd: 3 tot 6 jaar
- basisschooltijd: 6 tot 12 jaar
- adolescentie: 12 tot 20 jaar
- volwassenheid: 20 tot 60 jaar
- oudere volwassenheid: 60+ jaar
Normatieve ontwikkeling: algemene veranderingen en gedragsreorganisatie die iedereen doormaakt bij het ouder worden
Individuele ontwikkeling: individuele variatie rond het normatieve verloop van de ontwikkeling (variatie wordt groter
naarmate het kind ouder wordt: als individu zelf keuzes maken)
Cohort: een groep mensen die rond dezelfde tijd en plaats geboren is (milieu/generatie)
- generatie X: verloren generatie (1950-1970): veel werkloosheid
- generatie Y: computers/digitalisering/communicatief
- generatie Z: 1990: groot geworden met digitale toestellen/online/initiatief/thuis werken
Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op dezelfde manier
voltrekken (historisch bepaald: atoombom, rampen, …; leeftijdsgebonden: overgang lagere school, menopauze, …;
sociaal-cultureel: subcultuur)
Niet-normatieve gebeurtenissen: Atypische gebeurtenissen op tijdstip dat dit meeste anderen uit die groep niet overkomt
(ziekte, overleiden kind, studeren met lage SES)
1.2 Kinderen: verleden, heden en toekomst
Continue verandering: geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau voortvloeien uit die van vorige
niveaus (geleidelijke, kwantitatieve verbetering)
Discontinue verandering: ontwikkeling in aparte stappen of stadia, waarbij elk stadium gedrag oplevert dat kwalitatief
anders is dan gedrag in eerdere stadia (kwalitatieve verandering)
En-en: sommige ontwikkeling meer continu, andere meer discontinu
Kritieke periode: specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste gevolgen heeft
(onomkeerbare consequenties door omgevingsfactoren)
Plasticiteit: mate waarin een ontwikkeld gedrag of fysieke structuur kan worden gewijzigd
Gevoelige periode: periode waarin organisme extra gevoelig is voor omgevingsinvloeden (hoeft niet onomkeerbaar te zijn)
Nature: genetisch bepaalde eigenschappen, vermogen en capaciteiten (Endogeen: milieu bepaald niet WAT er ontwikkeld
maar DAT er ontwikkeling plaatsvindt)
Maturatie: geleidelijke ontvouwing van voorbestemde genetische informatie
Nurture: sociale omgeving waarin men opgroeit, die ons gedrag bepaald (Exogeen: erfelijkheid bepaald niet WAT er
ontwikkelt maar DAT er ontwikkeling plaatsvindt)
1
, Interactionisme: genen en omgeving spelen een rol bij het tot stand komen van eigenschappen en mogelijkheden
2. Theoretische perspectieven en onderzoek
Psychodynamisch perspectief: gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten, herinneringen en conflicten waarvan
een persoon zich nauwelijks bewust is en waarover hij weinig controle heeft
Psychoanalytische theorie van Freud
Gedrag: gemotiveerd door (onbewuste) innerlijke krachten, herinneringen en conflicten
Onbewuste: afgestoten infantiele wensen, verlangens en behoeften van verstorende aard
Es (id): genotsprincipe: zo veel mogelijk lust (honger, seks, agressie) en zo min mogelijk spanning + primitieve
aangeboren deel van persoonlijkheid
Ich (ego): realiteitsprincipe: compromis tussen Es en realiteit; instinctieve energie in toom houden + rationele en redelijke
deel van persoonlijkheid
Uberich (superego): geweten: onderscheid tussen goed en kwaad
Eros: seksualiteit: levensdrift en geslachtsdrift
Thanatos: agressie: doodsdrift
Fasen in psychoseksuele ontwikkeling
- Orale fase: 0 tot 1;6 jaar
- Anaal-sadistische fase: 1;6 tot 3 jaar
- Fallische fase: 3 tot 6 jaar
- Latentiefase: 6 tot 11 jaar
- Genitale fase: 11 tot … jaar
Orale fase: (Es (id): geen geweten) mondzone staat centraal: zuigen aan moederborst, vingers en objecten (levensdrift:
zuigen en drstructiedrift: bijten)
Anaal-sadistische fase: (Ich ontwikkeld: geeft aan wat het wel/niet wil) lustbeleving via anus (proper worden, op potje
gaan) en volgzaamheid (loslaten) + protest (ophouden)
Fallische fase: (ontdekken verschil tussen seksen) lustbeleving via geslachtsorgaan (hebben of niet van fallus) + jongens
castratieangst en meisjes penisnijd
Oedipusconflict: jongens willen moeder bezitten en identificeren met vader (rivaal + bewonderen): leren wetten en
normen aanvaarden en meisjes zijn verliefd op hun vader en identificeren met moeder (rivaal + model)
Latentiefase: innerlijke verwerking van de seksuele beleving en ontwikkeling van tederheid + nieuwsgierigheid (wat mag
wel wat niet)
Genitale fase: heropleving van libido en aandacht voor alle seksuele lichaamsdelen
Psychosociale theorie van Erikson
Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in de manier waarop we aankijken tegen interacties, gedrag van anderen en
onszelf als leden van de maatschappij (ego-psychologie)
2