• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 7 out of 128 pages
Summary

Samenvatting Internationaal recht I (VUB )

Document preview thumbnail
Preview 7 out of 128 pages

Letterlijk in één avond bestudeerd en 14/20 behaald! Volledige dekking van de leerstof: van de oorsprong van het internationaal recht tot moderne uitdagingen zoals mensenrechten, vrede en veiligheid, aansprakelijkheid en internationale organisaties. Heldere structuur: elk hoofdstuk is logisch opgebouwd met subthema’s, definities, voorbeelden en rechtspraak. Academische diepgang: verwijzingen naar belangrijke verdragen (Westfalen, Montevideo, VN-Handvest), jurisprudentie (Lotus case, North Sea Continental Shelf, Furundzija, Asylum-case), en kernbegrippen zoals ius cogens, opinio iuris, en persistent objector. Praktische relevantie: koppeling tussen theorie en actuele casussen (Joegoslavië, Eritrea, Gaza, Internationaal Strafhof). Examengericht: ideaal als samenvatting én naslagwerk voor studenten die zich grondig willen voorbereiden.

Content preview

INHOUDSTAFEL
HOOFDSTUK I: BEGRIP EN AARD VAN HET INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT
1. Wat is internationaal recht?
2. Internationaal privaatrecht vs. internationaal publiekrecht
3. Ontstaan en evolutie
3.1. Eurocentrische oorsprongstheorie
3.2. Verdragen van Westfalen (1648)
3.3. Beperkte gemeenschap van soevereine staten (1601–1899)
3.4. Eerste breuken in het Europees monopolie (1900–1945)
3.5. Dekolonisering na WOII (1945–2000)
3.6. De Koude Oorlog als ijkpunt (1950–1980)
3.7. Na de Koude Oorlog: nieuwe conflicten en nieuwe staten
4. Evolutie van het internationaal recht: van co-existentie naar coöperatie
4.1. Recht van co-existentie
4.2. Recht van coöperatie
5. Individuele verantwoordelijkheid en nieuwe uitdagingen
6. Internationale organisaties
6.1. Technische organisaties
6.2. Organisaties met ruime bevoegdheden
7. Soevereiniteit en bevoegdheden
8. Continuïteit: soevereiniteit en consensualisme
9. Basiskenmerken van het internationaal recht
9.1. Algemene kenmerken
9.2. Gedecentraliseerd en horizontaal karakter
9.3. Geen centrale wetgever en consensualisme
9.4. Afwezigheid van centrale rechter en verplichte rechtsmacht
9.5. Afwezigheid van een centraal gezag voor rechtshandhaving
9.6. Wisselwerking tussen nationaal en internationaal recht

HOOFDSTUK II: RECHTSBRONNEN
1. Algemeen kader
2. Bronnen in artikel 38 van het Statuut van het IGH
3. Bronnen buiten artikel 38
4. Gewoonterecht
4.1. Definitie
4.2. Ontstaan
4.3. Jurisprudentie
4.4. Vaststelling van gewoonterecht
4.5. Typen gewoonterecht
4.6. Persistent objector
4.7. Evolutie van gewoonterecht
4.8. Relatie gewoonterecht en verdragen
5. Verdragen
5.1. Definitie
5.2. Soorten verdragen
5.3. Inhoud en vorm
5.4. Totstandkoming
5.5. Ondertekening
5.6. Ratificatie en inwerkingtreding
5.7. Bevoegdheden in België
5.8. Pacta sunt servanda
6. Algemene rechtsbeginselen
6.1. Beginselen inherent aan het concept recht

1

, 6.2. Beginselen van rechtvaardigheid en menselijkheid
6.3. Beginselen ontleend aan nationaal recht
6.4. Eigen beginselen van internationaal recht
7. Rechtspraak en rechtsleer
8. Billijkheid
9. Hiërarchie van normen
10. Ius cogens en verplichtingen erga omnes

HOOFDSTUK III: RECHTSSUBJECTEN
1. Subjecten van internationaal recht
2. Soorten subjecten
2.1. Staten
2.2. Internationale organisaties
2.3. Individuen
2.4. Niet-statelijke entiteiten
3. Internationale gemeenschap
4. Rechtspersoonlijkheid
5. Reparation for Injuries case (IGH, 1948)
6. Criteria van rechtssubjectiviteit

HOOFDSTUK IV: STATEN
1. Staten als rechtspersonen
2. Elementen van een staat
3. Montevideo-verdrag (1933)
4. Badinter-commissie en Joegoslavië
5. Territorium
5.1. Definitie en omvang
5.2. Stabiliteit van grenzen
5.3. Grensgeschillen en rechtspraak
6. Bepaling van grenzen volgens internationaal recht

HOOFDSTUK V: AFBAKENING VAN STAATSGEZAG
1. Inleiding en bronnen
2. Functie internationaal publiekrecht
3. Bronnen
3.1. VN-Handvest
3.2. Declaration on Friendly Relations (1970)
3.3. Montevideo-verdrag (1933)
3.4. Constitutive Act of the African Union
3.5. International Law Commission
4. Algemene beginselen
4.1. Soevereiniteit en gezag
5. Concrete beginselen
5.1. Non-interventie in interne aangelegenheden
5.2. Verbod schade toe te brengen aan andere staten
5.3. Rechtsmacht (jurisdictie)
6. Beginsel van non-interventie
6.1. Algemeen
6.2. Voorbeelden
6.3. Twee aspecten
7. Relatie Staat – Internationale Organisatie
7.1. Bevoegdheden van internationale organisaties en de VN
7.1.1. Specialiteitsbeginsel

2

, 7.1.2. Implied powers theory
7.1.3. Reserved domain
7.2. Uitzondering: Veiligheidsraad
8. Relatie Staat – Staat
8.1. Historische evolutie

HOOFDSTUK VI: VERDRAGENRECHT
1. Overzicht
2. Bronnen
2.1. Nationaal recht
2.2. Internationaal gewoonterecht

HOOFDSTUK VII: VERDRAGENRECHT – WERKING EN TOEPASSING
1. Toepassing van verdragen
2. Extraterritoriale toepassing van verdragen
2.1. Jurisdictiecriterium
2.2. EVRM-jurisprudentie
3. Jurisdictie ≠ territorium
4. Toepassing van verdragen in multilaterale context

HOOFDSTUK VIII: MENSENRECHTEN
1. Historische ontwikkeling
1.1. Mensenrechten als interne aangelegenheid
1.2. Eerste internationale precedenten
1.3. Na WOII: internationale bescherming
2. Kenmerken van mensenrechten
2.1. Universeel
2.2. Onvervreemdbaar
2.3. Ondeelbaar
2.4. Interdependent
3. Individuen als subjecten van internationaal recht
4. Verticale verhouding: overheid – individu
4.1. Respecteren
4.2. Beschermen
4.3. Verwezenlijken
5. Horizontale werking van mensenrechten
6. Evolutief karakter van mensenrechten
7. Nieuwe domeinen van mensenrechten
8. Toezichtsorganen




3

,HOOFDSTUK IX: VREDE EN VEILIGHEID
1. Inleiding
2. Het verbod op het gebruik van geweld
2.1. De drie elementen van art. 2 lid 4
2.2. Reikwijdte van art. 2 lid 4
2.3. Wat valt niet onder art. 2 lid 4
3. Uitzondering: collectieve veiligheid
3.1. Hoofdstuk VI VN-Handvest
3.2. Hoofdstuk VII VN-Handvest
3.3. Dwangmaatregelen
4. Zelfverdediging
5. Vreedzame geschillenbeslechting
6. Ius ad bellum en ius in bello

HOOFDSTUK X: AANSPRAKELIJKHEID
1. Overzicht van aansprakelijkheid in het internationaal recht
2. Aansprakelijkheid van staten
2.1. Draft Articles on State Responsibility
3. Voorwaarden voor staatsaansprakelijkheid
3.1. Schending van een internationale verplichting
3.2. Toerekenbaarheid
4. Toerekening
4.1. Handelingen van staatsorganen
4.2. Ultra vires-handelingen
5. Gevolgen van aansprakelijkheid
6. Aansprakelijkheid van internationale organisaties
7. Aansprakelijkheid van individuen

HOOFDSTUK XI: INTERNATIONAAL TOEZICHT OP MENSENRECHTEN
1. Algemeen
2. VN-verdragssystemen
2.1. Mensenrechtencomité (ICCPR)
2.2. Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR)
2.3. Comité tegen Foltering (CAT)
2.4. Comité voor de Rechten van het Kind (CRC)
2.5. Comité voor de Eliminatie van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW)
2.6. Comité voor de Eliminatie van Rassendiscriminatie (CERD)
3. Taken van de VN-comités
3.1. Statenrapportage
3.2. General Comments
3.3. Individuele klachten
3.4. Interstatelijke klachten
4. Regionale toezichtorganen
4.1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens
4.1.1. Kenmerken
4.1.2. Bevoegdheden
4.2. Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens
4.3. Afrikaans Hof en Afrikaanse Commissie
5. Vergelijking tussen toezichtsniveaus
6. Waarom toezicht essentieel is

HOOFDSTUK XII: INTERNATIONALE ORGANISATIES
1. Definitie en kenmerken
4

,2. Oprichting en rechtspersoonlijkheid
3. Bevoegdheden van internationale organisaties
3.1. Specialiteitsbeginsel
3.2. Implied powers
4. Besluitvorming
4.1. Bindende en niet-bindende besluiten
4.2. Stemprocedures
5. Gebondenheid aan internationaal recht
6. Checks and balances


HOOFDSTUK I: BEGRIP EN AARD VAN HET
INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT
WAT IS INTERNATIONAAL RECHT?
 Internationaal recht is het recht dat de verhoudingen tussen staten en andere subjecten van
het internationaal recht regelt. Het beschermt de publieke belangen zoals veiligheid en
welzijn.
 Er is een overkoepelende rechtsorde die deze bevoegdheden toekent aan bepaalde actoren in
het internationaal rechtsgebeuren en bepaalt ook het juridisch kader waarbinnen deze
bevoegdheden moeten worden uitgeoefend. Vroeger gebruikte men de term ‘Volkenrecht’
(16e-17e eeuw).
 Het gaat over interstatelijk recht (relaties tussen staten) en niet intra statelijk recht.
 Het internationaal is een breed rechtsdomein waarin verschillende actoren betrokken zijn:
Internationaal milieurecht. Vb. Bedreigde diersoorten
 Internationale bescherming van de rechten van de mens en humanitair recht.
o LET OP hum-recht is eigenlijk het oorlogsrecht niet mensenrechten
o Maar het ius ad bellum en ius in bello


INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT VS. INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT
 Internationaal privaatrecht is nationaal privaatrecht met een grensoverschrijdend karakter
o Bv: huwelijkstelsel van twee personen met verschillende nationaliteit.
 Internationaal publiekrecht: we hebben te maken met andere soorten actoren en andere soorten
bronnen.
o Het verbiedt zaken te doen of actoren moeten zich onderwerpen aan bepaalde regels:
 Al deze regels vinden we terug in de bronnen van het IR
 Deze vinden we terug in art. 38 van het statuut van het IGH (deze tekst is
verouderd).
 Er zijn nog bijkomende bronnen die niet vermeld worden in art. 38
 Er is een horizontaal rechtssysteem, want de staat is slechts gebonden door de staat
zelf.
▫ Ze leggen zichzelf het recht op.




 Het gaat hier over internationaal
publiekrecht: het betreft niet de geschillen tussen individuen onderling. Het gaat hier om de
publieke entiteiten.
 Oorspronkelijk waren er enkel staten subjecten van het internationaal recht: Het was pas veel later
dat er ook
5

, o andere subjecten van het internationaal recht ontstonden, maar deze blijven ondergeschikt
aan de staat. Er is een zekere hiërarchie tussen de subjecten van het internationaal recht.
o Vb. Internationale organisaties, steden, Rode kruis, de Rooms-katholieke kerk, …
 Staten zijn de oorspronkelijke subjecten, zij hebben de volledige internationale
rechtspersoonlijkheid: Andere subjecten hebben afgeleide rechtspersoonlijkheid. Zij hebben maar
rechtspersoonlijkheid in de mate dat staten het gewild hebben.
o Als individuen rechtspersoonlijkheid hebben in het internationaal recht, is het omdat staten
het zo gewild hebben.
o Als internationale organisaties rechtspersoonlijkheid hebben, is het omdat staten deze
organisaties gecreëerd hebben met rechtspersoonlijkheid. (neem wel hier mee de theory of
implied powers zie verder (Reparation for Injuries advisory opinion 1949))
o Alles hangt af van de staat: de staat heeft de volle rechtspersoonlijkheid en beslist zelf om
aan andere subjecten een stukje rechtspersoonlijkheid toe te kennen, maar die niet volledig
is omdat staten beschouwd worden als de enige, oorspronkelijke, traditionele subjecten van
het internationaal recht.

ONTSTAAN EN EVOLUTIE
 Eurocentrische oorsprongstheorie

o Startpunt: men kiest bewust voor een eurocentrische invalshoek en niet voor Afrikaanse of
Aziatische oorsprongen. Dit verklaart waarom het verhaal begint in Europa en niet elders.
 Ontstaan van staten als actoren van het internationaal publiekrecht
o Het internationaal publiekrecht kan pas bestaan als er staten zijn.
o Dus: eerst moet het concept “staat” voldoende geconsolideerd zijn.

VERDRAGEN VAN WESTFALEN (1648) (= MUNSTER EN OSNABRÜCK)
 Voordien ontbrak een overkoepelende rechtsorde, er waren geen soevereine staten. De staten
hadden zelf niet het hoogste gezag, ze waren onderworpen aan de heerschappij van de Paus.
 Historisch kantelpunt: einde van religieuze en burgeroorlogen in Europa.
 Na de verdragen van Westfalen ontstonden de eerste soevereine staten

o Doordat ze soeverein zijn, zijn ze juridisch gelijk en onafhankelijk van elk ander gezag.
o Er stond geen gezag meer boven zoals de paus, ze worden staten in de moderne zin van het
woord.
o Dit is een lopend proces dat natuurlijk stap per stap gebeurt.
 Zonder deze verdragen geen basis voor internationaal recht.

1601-1899: BEPERKTE GEMEENSCHAP VAN SOEVEREINE STATEN (EUROPA) (=CONCERT OF
NATION)
 Het internationaal recht blijft een exclusief Europees project.

 Andere beschavingen (Azteken, Mali, India… zijn geëvolueerde staten maar) worden niet erkend als
staten, want zij hadden geen beschavingen volgens de toenmalige staten.
 Kolonisatie volgt: Terra Nullius legitimeert Europese expansie (Dark Heart).
 Het IPR wordt instrumenteel gebruikt om kolonisatie te rechtvaardigen (behoort aan niemand toe,
dus zelf toe-eigenen).
 Sommige gekoloniseerde gebieden worden snel onafhankelijk omdat de nieuwe inwoners uit Europa
de band verbreken met het moederland (bv. USA ) en dus niet de originele bewoners die de macht
grepen.
 Het recht in deze gekoloniseerde gebieden was eurocentrisch: de kolonies werden onderworpen aan
de Europese tradities door de settlers.




6

, 1900-1945: EERSTE BREUKEN IN EUROPEES MONOPOLIE OFTEWEL
GECENTRALISEERD INTERNATIONAAL RECHT
 Russische Revolutie introduceert een nieuwe, marxistische benadering.

 Het internationaal recht wordt minder uitsluitend Europees georiënteerd.

1945-2000: DEKOLONISERING NA WOII
 Meer en meer staten streven naar onafhankelijkheid naar aanleiding van bv. de onafhankelijkheid
van Zuid-Amerika of van de onderdrukking van volkeren in WOII ➔ Massale onafhankelijkheid van
kolonies (1950–1960) (=dekolonisatie).

 Aantal staten stijgt van ±30 naar ±200, vooral niet-westerse staten.
 De gedekoloniseerde gebieden worden onafhankelijk op basis van het beginsel van zelfbeschikking
(1950-1960).
 Deze nieuwe staten proberen het internationaal publiekrecht te hervormen (nu dat ze een
meerderheid vormen), zodat het minder een instrument van westerse belangen is. Zij willen weg
van de ondergeschikte positie waarin ze zich bevinden. Ze doen dit op basis van algemeen
aanvaarde democratische principes.
 Hun invloed blijft beperkt, omdat de fundamenten van het internationaal publiekrecht sterk
verankerd zijn in westerse tradities.

DE KOUDE OORLOG ALS IJKPUNT (1950–1980)
 Belang van de Koude Oorlog in het Internationaal Publiekrecht (IPR)
o De Koude Oorlog vormt een cruciale periode in de ontwikkeling van het internationaal
publiekrecht.
o Oost-Westconfrontatie
 Spanningen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie leiden tot een
immobilisme van het internationaal recht.
 Door blokkadepolitiek en wederzijdse tegenstellingen kan het IPR nauwelijks
vooruitgang boeken.
o Climax en einde van de USSR (1989)
 Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie markeert de climax van de Koude Oorlog.
o Gevolgen voor het internationaal recht na 1989
 Het internationaal recht functioneert opnieuw beter.
 De VN-Veiligheidsraad werkt veel effectiever.
 Er is opnieuw meer toepassing van de regels van het IPR.

NA DE KOUDE OORLOG: NIEUWE CONFLICTEN EN NIEUWE STATEN
 Gewapende conflicten in Europa
o Het einde van de Koude Oorlog leidt tot veel gewapende conflicten in Europa.
o Deze conflicten brengen het ontstaan van nieuwe staten met zich mee, die vervolgens lid
worden van de VN.
o Voorbeelden: Joegoslavië, Eritrea, Zuid-Soedan.
 Toename van interne gewapende conflicten
o Naast internationale conflicten ontstaan er ook vele interne gewapende conflicten.
o Verschuiving van actoren
 Focus verschuift van conflicten tussen staten naar conflicten binnen staten die
imploderen.
 Voorbeelden: conflicten tussen rebellen en staatslegers.
 Meer aandacht voor niet-statelijke actoren.
 Nieuwe vragen rijzen, zoals: zijn terroristen onderworpen aan internationaal recht?




7

Table of contents

  1. 01 HOOFDSTUK I: BEGRIP EN AARD VAN HET INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT 1
  2. 02 HOOFDSTUK II: RECHTSBRONNEN 1
  3. 03 HOOFDSTUK III: RECHTSSUBJECTEN 2
  4. 04 HOOFDSTUK IV: STATEN 2
  5. 05 HOOFDSTUK V: AFBAKENING VAN STAATSGEZAG 2
  6. 06 HOOFDSTUK VI: VERDRAGENRECHT 3
  7. 07 HOOFDSTUK VII: VERDRAGENRECHT – WERKING EN TOEPASSING 3
  8. 08 HOOFDSTUK VIII: MENSENRECHTEN 3
  9. 09 HOOFDSTUK IX: VREDE EN VEILIGHEID 4
  10. 10 HOOFDSTUK X: AANSPRAKELIJKHEID 4
  11. 11 HOOFDSTUK XI: INTERNATIONAAL TOEZICHT OP MENSENRECHTEN 4
  12. 12 HOOFDSTUK XII: INTERNATIONALE ORGANISATIES 4
  13. 13 WAT IS INTERNATIONAAL RECHT? 5
  14. 14 INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT VS. INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT 5
  15. 15 ONTSTAAN EN EVOLUTIE 6
    1. Verdragen van Westfalen (1648) (= Munster en Osnabrück) 6
    2. 1601-1899: beperkte gemeenschap van soevereine staten (Europa) (=concert of nation) 6
    3. 1900-1945: eerste breuken in Europees monopolie oftewel gecentraliseerd internationaal recht 7
    4. 1945-2000: dekolonisering na WOII 7
    5. DE KOUDE OORLOG ALS IJKPUNT (1950–1980) 7
    6. na de Koude Oorlog: Nieuwe conflicten en nieuwe staten 7
    7. EVOLUTIE VAN HET INTERNATIONAAL RECHT: VAN CO-EXISTENTIE NAAR COÖPERATIE 8
    8. INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID EN NIEUWE UITDAGINGEN 8
    9. INTERNATIONALE ORGANISATIES 8
    10. SOEVEREINITEIT EN BEVOEGDHEDEN 9
    11. CONTINUÏTEIT: SOEVEREINITEIT EN CONSENSUALISME 9
  16. 16 BASISKENMERKEN VAN HET INTERNATIONAAL RECHT 9
    1. Algemene kenmerken 9
    2. Gedecentraliseerd en horizontaal karakter 9
    3. GEEN CENTRALE WETGEVER EN CONSENSUALISME 9
    4. Uitzondering op consensualisme: Ius Cogens 10
    5. Afwezigheid van centrale rechter en verplichte rechtsmacht 10
    6. Afwezigheid van een centraal gezag voor rechtshandhaving (gedecentraliseerd) 12
    7. Noodzakelijke wisselwerking tussen nationaal en internationaal recht 12
  17. 17 Algemeen kader 13
  18. 18 Bronnen in art. 38 IGH 13
  19. 19 Bronnen buiten art. 38 13
  20. 20 Gewoonterecht (primaire bron) 13
    1. Definitie 13
    2. Ontstaan 13
    3. Jurisprudentie 13
    4. Voorbeelden van gebruik zonder gewoonterecht 14
  21. 21 Vaststelling van gewoonterecht 14
    1. Voorwaarden 14
    2. Duur van praktijk 14
    3. Typen gewoonterecht 14
  22. 22 Binding en persistent objector 14
  23. 23 Evolutie van gewoonterecht 14
  24. 24 Gewoonterecht en verdragen 14
    1. Interactie gewoonterecht ↔ verdragen 15
  25. 25 Verdragen 15
    1. Definitie 15
    2. Verdragsrechtelijke definitie (art. 2 WVV 1969) 15
    3. Gewoonterechtelijke definitie 15
  26. 26 Soorten verdragen 15
  27. 27 Inhoud van verdragen 15
  28. 28 Voordelen verdragen t.o.v. gewoonterecht 15
  29. 29 Relatie verdragen ↔ gewoonterecht 16
  30. 30 Vorm en onderverdeling verdragen 16
  31. 31 Totstandkoming, inwerkingtreding en voorbehouden (en stappen) 16
    1. CONSENSUALISME 16
    2. Bilateraal 17
  32. 32 Verdragen met internationale organisaties als partijen 18
    1. Organisaties partij 18
    2. 1986-verdrag: 18
    3. Gelijke inhoud 18
    4. Pacta sunt servanda 19
  33. 33 Algemene rechtsbeginselen 19
    1. Beginselen inherent aan het concept recht 19
    2. Beginselen ontleed aan rechtvaardigheid en menselijkheid 19
    3. Beginselen ontleend aan nationaal recht (rechtsvergelijkend) 20
    4. General principles of international law (eigen aan IR) 20
  34. 34 Rechtspraak en rechtsleer 20
    1. Rechtspraak 20
    2. Billijkheid 20
    3. Rechtsleer (doctrine) 20
  35. 35 Bronnen buiten art. 38 (uitgebreid) 21
    1. Besluiten van internationale en regionale organisaties 21
    2. Hiërarchie (algemeen) 22
  36. 36 Ius cogens en verplichtingen erga omnes 22
    1. Ius cogens 22
    2. Hiërarchie in de praktijk 22
    3. Erga omnes 23
  37. 37 Subjecten van internationaal recht 24
  38. 38 Soorten subjecten 24
    1. Staten 24
    2. Internationale organisaties (intergouvernementeel, recht van coöperatie) 24
    3. Individuen 24
    4. Niet-statelijke collectieve entiteiten 24
    5. Internationale gemeenschap 25
  39. 39 Belang van rechtspersoonlijkheid (rechtssubjectiviteit) 25
  40. 40 Reparation for Injuries case (IGH, 1948) 25
    1. Context 25
    2. Vraagstelling 25
    3. Analyse 26
    4. Advies IGH 26
    5. Effect van RP 26
    6. Conclusie case 26
  41. 41 Criteria van rechtssubjectiviteit 26
  42. 42 Staten als rechtspersonen 27
    1. Case: Deutsche Continental Gas Gesellschaft (1929) 27
    2. Elementen van een staat (volgens Badinter-commissie, opinie nr. 1) 27
  43. 43 Wat is een staat? (historische evolutie van de term) 27
    1. Montevideo-verdrag (1933) 27
    2. Case Joegoslavië en de Badinter-commissie 28
    3. Conclusie kenmerken staat 28
  44. 44 Territorium (grondgebied) 29
    1. Definitie en omvang 29
    2. grootte en Stabiliteit van grenzen 29
  45. 45 Grensproblemen 30
  46. 46 Bepaling van grenzen volgens internationaal recht: methoden 30
    1. Overeenkomsten (verdragen) of afspraken tussen staten 30
  47. 47 Uti possidetis-beginsel (regionaal gewoonterecht) 31
    1. Ontstaan in Latijns-Amerika 31
    2. Definitie en toepassing in afrika 31
    3. Buiten koloniale context 33
    4. Status internationaal gewoonterecht 33
  48. 48 territoriale overdracht 33
  49. 49 natuurlijke processen 34
  50. 50 Quid natuurlijke grenzen 34
    1. Gebruik van natuurlijke grenzen 34
    2. Voorbeelden van natuurlijke grenzen 34
    3. Praktische toepassing: grondgebied 34
  51. 51 territorium hoeft niet aansluitend te zijn 35
  52. 52 Condominium – Gedeelde territoriale bevoegdheden 35
  53. 53 Territorium met zee – Zeerecht 35
    1. Binnenwateren 35
    2. Territoriale zee 35
    3. Archipelstaten 35
    4. Aansluitende zone 35
    5. Creeping Jurisdiction 36
    6. Volle zee 36
  54. 54 Luchtruim 36
  55. 55 Bevolking 36
    1. Begrip 36
    2. Staatsburgers vs. Vreemdelingen 37
  56. 56 Toekenning nationaliteit 37
  57. 57 staatsgezag 37
    1. Effectief en daadwerkelijk gezag uitoefenen 37
    2. Western Sahara Case (1975) 37
    3. Mensenrechten en staatsgezag 37
  58. 58 Niet‑constitutionele machtsovername 37
  59. 59 Democratisch zijn 37
  60. 60 Statenopvolging – afspraken van de oude staat bij ontstaan nieuwe staat 38
    1. Inleiding 38
    2. Kernvraag 38
    3. Pogingen tot verdragsrechtelijke regeling 38
    4. Statenpraktijk belangrijker dan verdragen 38
    5. Verdragen bij statenopvolging 38
    6. Grensverdragen 38
    7. Geen territoriale uitbreiding 39
    8. Mensenrechtenverdragen 39
    9. Intuitu personae-verdragen 39
    10. Niet-controversiële vs. controversiële verdragen 39
    11. Nationaliteit bij statenopvolging 40
  61. 61 Statenopvolging – Bezittingen, Schulden, Lidmaatschap en Aansprakelijkheid 40
    1. Bezittingen en schulden – algemene regel 40
    2. Belangrijkste regel 40
    3. Goederen en eigendommen 40
    4. Schulden 41
    5. Lidmaatschap internationale organisaties 41
    6. Aansprakelijkheid 42
  62. 62 Inleiding en bronnen 43
    1. Functie internationaal publiekrecht 43
    2. Bronnen 43
  63. 63 Algemene beginselen 43
    1. Soevereiniteit en gezag 43
    2. Concrete beginselen 43
  64. 64 Beginsel van non-interventie 43
    1. Algemeen 43
    2. Voorbeelden 43
    3. Twee aspecten 43
  65. 65 Relatie Staat – Internationale Organisatie 44
    1. Bevoegdheden van internationale organisaties en de VN 44
  66. 66 Relatie Staat – Staat 44
    1. Historische evolutie 44
    2. Monroe Doctrine (1820) 44
    3. Basisbeginselen VN-Handvest 44
    4. Resolutie 2625 (1970) 44
  67. 67 Verbod schade toe te brengen aan andere staten 44
    1. Inhoud van het beginsel 44
    2. Toepassingsgebieden 44
  68. 68 Rechtsmacht (jurisdictie) 45
    1. begrip 45
    2. Vormen 45
    3. Draagwijdte bepaald door internationaal recht. 45
    4. Lotus Case (PHIJ) 45
    5. Grondslagen 45
  69. 69 Conflicterende rechtsmachtsclaims / extraterritoriale rechtsmacht 47
  70. 70 Staatsimmuniteit (grotendeels gecodificeerd in VN-Verdrag 2004) 47
    1. Begrip en grondslag 47
    2. Basisregel 47
    3. Afstand van immuniteit (waiver of immunity) 47
    4. Uitzondering: private hoedanigheid 48
  71. 71 Immuniteit van individuele gezagsdragers 48
    1. Functionele immuniteit 48
    2. Persoonlijke immuniteit 48
  72. 72 Case: IGH Arrest Warrant (Herodia Case, 2002) 48
    1. Feiten 48
    2. Uitspraak IGH 48
  73. 73 Spanningsveld IGH vs. Internationaal Strafhof (ISH) 49
    1. Internationaal strafhof 49
    2. Afrikaanse unie 49
    3. Veiligheidsraad 49
    4. drie manieren om zaak aanhangig te maken bij ISH 49
  74. 74 Diplomatieke en consulaire betrekkingen 49
    1. algemeen 49
    2. Diplomatieke betrekkingen 49
    3. Consulaire betrekkingen 50
  75. 75 Speciale missies 50
  76. 76 Werknemers van internationale organisaties 50
  77. 77 Inleiding 51
  78. 78 Verschillen met staten 51
  79. 79 Belangrijkste IO: Verenigde Naties 51
    1. Doelstellingen 51
    2. Organisatiestructuur 51
  80. 80 Algemene Vergadering 51
  81. 81 Veiligheidsraad 52
  82. 82 Trustschapsraad 52
  83. 83 Economische en Sociale Raad (ECOSOC) 52
  84. 84 Internationaal Gerechtshof (IGH) 52
  85. 85 Secretariaat 53
  86. 86 Extra cases 53
  87. 87 Gespecialiseerde IO’s binnen VN 53
  88. 88 Andere IO buiten VN 53
  89. 89 Europese Unie en algemene regels rond IO’s 53
    1. Europese Unie 53
    2. Totstandkoming IO’s 53
    3. Rechtspersoonlijkheid (RP) van IO 54
    4. Bevoegdheden van IO 54
    5. Besluitvorming 55
    6. Gebondenheid aan internationaal recht 55
    7. Checks and balances 55
  90. 90 OVERZICHT & BRONNEN VAN HET VERDRAGENRECHT 55
    1. Overzicht 55
    2. Bronnen 56
    3. Belangrijke basisprincipes van het verdragenrecht 57
    4. Extra uitgebreide context 58
  91. 91 BELGISCH RECHT & PROCEDURE 58
    1. Bevoegdheden in België 58
    2. Onderhandelingen 58
    3. Consent to be bound (art. 167 GW) 59
    4. De Koning sluit het verdrag 59
    5. Monisme in België 59
    6. Ratificatie en bekendmaking 60
    7. Extra uitgebreide context 60
  92. 92 VOORBEHOUDEN (RESERVES) 61
    1. Begrip en doel van voorbehouden 61
    2. Waarom voorbehouden niet bestaan bij bilaterale verdragen 61
    3. Toelaatbaarheid van voorbehouden 62
    4. Praktische werkwijze bij voorbehouden 62
    5. Interpretatieve verklaringen 63
    6. Extra uitgebreide context 63
  93. 93 TOEPASSING VAN VERDRAGEN 64
    1. Basisregel: Pacta sunt servanda (art. 26 WVV) 64
    2. Territoriale gelding van verdragen (art. 29 WVV) 64
    3. Extraterritoriale toepassing van verdragen 64
    4. Toepassing van verdragen in multilaterale context 65
    5. Gabcikovo–Nagymaros (IGH, 1997) en toepassing van het WVV 65
    6. Extra uitgebreide context 66
  94. 94 TOEPASSING IN DE TIJD & CONFLICTEN TUSSEN VERDRAGEN 66
    1. Toepassing van verdragen in de tijd (art. 28 WVV) 66
    2. Conflicten tussen verdragen 67
    3. Geen hiërarchie tussen verdragen (algemene regel) 67
    4. Uitzondering: Art. 103 VN-Handvest 67
    5. Parallelle rechtsverhoudingen 68
    6. Poging tot verzoening van verdragen 68
    7. Extra uitgebreide context 68
  95. 95 DERDE STATEN & INTERPRETATIE VAN VERDRAGEN 69
    1. Derde staten bij verdragen (art. 34–35 WVV) 69
    2. Interpretatie van verdragen (art. 31–32 WVV) 69
    3. Art. 31 WVV — Algemene regel van interpretatie 70
    4. Art. 32 WVV — Aanvullende middelen van interpretatie 70
    5. Verschil tussen internationale en nationale interpretatie 71
    6. Toepassing buiten verdragen 71
    7. Extra uitgebreide context 71
  96. 96 AMENDEMENTEN, WIJZIGINGEN, BEËINDIGING & OPSCHORTING 72
    1. Amendementen en wijzigingen van verdragen 72
    2. Opschorting van verdragen 73
    3. Beëindiging en opzegging van verdragen 73
    4. Gronden voor beëindiging of opschorting 74
    5. De zaak Gabcikovo–Nagymaros (IGH, 1997) 75
    6. Extra uitgebreide context (toegevoegd) 75
  97. 97 PLAATS VAN INDIVIDUEN IN HET INTERNATIONAAL RECHT 77
    1. algemeen 77
    2. Academische verdieping (toegevoegd, zonder jouw tekst te wijzigen) 77
  98. 98 HISTORISCHE ONTWIKKELING 79
    1. Algemeen 79
    2. Fase 1 — Voor de 18e eeuw: mensenrechten als interne aangelegenheid 79
    3. Fase 2 — 19e eeuw tot WOI: eerste internationale precedenten 79
    4. Fase 3 — Na WOI: institutionalisering van mensenrechten 80
    5. Fase 4 — Na WOII: geboorte van het moderne mensenrechtensysteem 80
    6. Fase 5 — Hedendaagse evoluties 81
  99. 99 DEFINITIE EN KARAKTER VAN MENSENRECHTEN 81
    1. Waarom bestaat er geen algemene definitie van “mensenrechten”? 81
    2. Kenmerken van mensenrechten (academisch erkend) 81
    3. Verticale relatie: overheid ↔ individu – DRIE soorten verplichtingen 82
    4. Horizontale werking van mensenrechten (academische uitbreiding) 82
    5. Evolutief karakter van mensenrechten 83
    6. De rol van toezichtsorganen in de uitbreiding van mensenrechten 83
    7. Mensenrechten als beperking op staatsmacht 83
  100. 100 VERSCHILLENDE VISIES OP MENSENRECHTEN 84
    1. Universalistische visie 84
    2. Cultuurrelativistische visie 84
    3. Voorbeeld: collectieve rechten en plichten 85
    4. Het “Asian Values”-debat 85
    5. Islamitische mensenrechtenbenaderingen 85
    6. Afrikaanse benadering: plichten en gemeenschap 85
    7. Inter-Amerikaanse benadering: sterke bescherming van individuen 86
    8. Synthese: hoe gaat het internationaal recht om met deze visies? 86
  101. 101 BIJZONDERE KENMERKEN VAN MENSENRECHTENVERDRAGEN 86
    1. Voorbehouden bij mensenrechtenverdragen 86
    2. Opzegging van mensenrechtenverdragen 87
    3. Statenopvolging en mensenrechten 87
    4. Lidmaatschap van internationale organisaties 88
    5. Reactie van andere staten op schendingen 88
    6. Waarom mensenrechtenverdragen “objectieve regimes” zijn 88
  102. 102 EVOLUTIE VAN MENSENRECHTEN VÓÓR WOI 88
    1. Internationale minimumstandaard voor vreemdelingen 89
    2. Humanitaire interventies in de 19e eeuw 89
    3. Verbod op slavernij 90
    4. Bescherming van religieuze minderheden 90
    5. Diplomatieke bescherming als voorloper van mensenrechten 90
    6. Internationale arbitrage en individuen 90
    7. Conclusie: vóór WOI bestond er geen mensenrechtensysteem, maar wel bouwstenen 91
  103. 103 SOORTEN MENSENRECHTEN & GENERATIES 91
    1. Soorten mensenrechten 91
    2. Generaties mensenrechten 91
    3. Drie soorten mensenrechten: individueel, groepsgebonden en collectief 91
    4. De drie generaties mensenrechten 92
    5. Eerste generatie: burgerlijke en politieke rechten 92
    6. Tweede generatie: economische, sociale en culturele rechten 93
    7. Derde generatie: solidariteitsrechten 94
    8. Kritiek op de generatietheorie 94
    9. Interdependentie van mensenrechten 94
  104. 104 TOEZICHT OP MENSENRECHTEN 94
    1. Internationale systemen 94
    2. Verdragssystemen 95
    3. Regionale toezichtorganen 95
    4. Internationale systemen (VN-Handvestorganen) 95
    5. Verdragssystemen (Treaty Bodies) 96
    6. Regionale toezichtorganen 97
  105. 105 Vergelijking tussen de drie niveaus van toezicht 98
    1. Waarom toezicht essentieel is 98
  106. 106 INLEIDING 99
    1. De verschuiving van soevereiniteit naar collectieve veiligheid 99
    2. De rol van individuen 99
    3. De spanning tussen soevereiniteit en bescherming 99
  107. 107 ONTWIKKELING EN ORGANISATIE VAN HET SYSTEEM 99
    1. Het klassieke ius ad bellum 99
    2. De eerste beperkingen 100
    3. De echte ommekeer: 1928 en 1945 100
  108. 108 HET KELLOGG-BRIAND PACT (1928) 100
    1. Waarom was het pact revolutionair? 100
    2. De doorwerking in Neurenberg 100
    3. e doorwerking in het VN-Handvest 100
    4. De doorwerking in gewoonterecht 100
  109. 109 HET MODERNE SYSTEEM VAN COLLECTIEVE VEILIGHEID 101
    1. De Veiligheidsraad als “wereldregering” voor geweld 101
    2. Regionale organisaties 101
  110. 110 HET VERBOD OP HET GEBRUIK VAN GEWELD (ART. 2 LID 4) 101
    1. De drie elementen van art. 2(4) 101
    2. De “andere handelwijze”-clausule 101
    3. algemeen 101
    4. Reikwijdte van art. 2 lid 4 102
    5. Wat valt niet onder art. 2 lid 4? 102
    6. Waarom geen verbod op intern geweld? 102
  111. 111 UITZONDERING 1: COLLECTIEVE VEILIGHEID (VEILIGHEIDSRAAD) 102
    1. Vreedzame geschillenbeslechting (niet bindend) 102
    2. Art. 39: drempel voor optreden/bindende maatregelen 103
    3. De verhouding tussen Veiligheidsraad en Algemene Vergadering 103
    4. Art. 41: sancties/dwangmaatregelen 103
    5. Art. 42: militair optreden/dwangmaatregelen met geweld 104
  112. 112 UITZONDERING 2: ZELFVERDEDIGING (ART. 51) 105
    1. Gewapende aanval: drempelvereiste 105
    2. Noodzaak en proportionaliteit 105
    3. Procedurele verplichting 105
    4. Anticipatory, pre‑emptive en preventive self‑defense 105
    5. Collectieve zelfverdediging 106
  113. 113 HUMANITAIRE INTERVENTIE & RESPONSIBILITY TO PROTECT (R2P) 106
  114. 114 IUS AD BELLUM VS. IUS IN BELLO 106
  115. 115 Overzicht van aansprakelijkheid in het internationaal recht 107
  116. 116 Aansprakelijkheid van staten 107
    1. Inleiding 107
    2. Voorwaarden voor staatsaansprakelijkheid 108
    3. Toerekening 108
    4. Privé handelingen 108
    5. Uitzonderingen 108
    6. Due diligence‑verplichting 110
    7. Deelneming (medeplichtigheid) 110
    8. Verdedigingsgronden (art. 20–26 ILC) 110
    9. Rechtsherstel 111
  117. 117 Diplomatieke bescherming 112
    1. Basis 112
    2. Voorwaarden 113
  118. 118 Aansprakelijkheid van internationale organisaties 113
    1. Basis 113
    2. Voorwaarden 113
    3. Rechtspersoonlijkheid 115
    4. Verhouding met aansprakelijkheid van staten 115
    5. Bronnen 115
  119. 119 Aansprakelijkheid van individuen in internationaal recht 116
    1. Klassiek systeem 116
    2. Ontwikkeling na WOII 116
    3. Reden voor individuele aansprakelijkheid 116
  120. 120 Inleiding 117
  121. 121 Rechtskader in het VN-Handvest 117
    1. Het tweeluik in het VN-Handvest 117
    2. Afwezigheid van centrale handhaving 118
  122. 122 Eenzijdige maatregelen 118
  123. 123 Retorsies (toegelaten reactie) 118
    1. Definitie 118
    2. Kenmerken 118
    3. Voorbeelden 119
    4. Casus België – Iran 119
  124. 124 Represailles (zelf geoorloofde schending doen) 119
    1. Definitie en doel 119
    2. Voorbeeld (internationaal handelsrecht) 119
    3. Voorwaarden voor represailles 119
    4. IGH-rechtspraak 119
  125. 125 Diplomatieke geschillenbeslechting 120
    1. Kenmerken 120
    2. Diplomatieke methoden (art. 33 VN-Handvest) 120
  126. 126 Onderhandelingen (meest gebruikte methode) 120
    1. Voorbeeld: Tehran Hostages Case 120
    2. Kenmerken van onderhandelingen 121
    3. Goede trouw 121
  127. 127 Goede diensten 121
  128. 128 Bemiddeling 121
  129. 129 Feitenonderzoek (enquiry) 121
    1. Maine Case (1889) 121
    2. Dogger Bank Case (1904) 122
  130. 130 Conciliatie (verzoening) 122
  131. 131 Rol van internationale organisaties 122
  132. 132 Juridische geschillenbeslechting 122
    1. Kenmerken 122
  133. 133 Arbitrage 122
    1. Omschrijving 122
    2. Flexibiliteit 122
    3. Oorsprong 122
    4. Permanent Hof van Arbitrage 122
    5. Vormen van arbitrage 123
  134. 134 Internationaal Gerechtshof (IGH) 123
    1. Omschrijving 123
    2. Samenstelling 123
    3. Bevoegdheden 123
    4. Toegang 123
  135. 135 Bevoegdheid van het IGH 123
    1. Manieren om bevoegdheid te vestigen 123
  136. 136 Uitspraak van het IGH 123
  137. 137 Inleiding 124
    1. Monisme 124
    2. Dualisme 124
  138. 138 Receptie van internationaal recht in België 124
    1. Formele bronnen 124
    2. Receptievoorwaarden per bron 125
  139. 139 Doorwerking binnen de Belgische rechtsorde 126
    1. Ten aanzien van de wetgever 126
    2. Ten aanzien van de uitvoerende macht (UM / administratie) 126
    3. Ten aanzien van Belgische hoven en rechtbanken 126
    4. Voorrang van internationaal recht 127
    5. Overheidsaansprakelijkheid 127
  140. 140 Conclusie 127

Document information

Study
Uploaded on
December 24, 2025
Number of pages
128
Written in
2025/2026
Type
Summary
$6.93

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
zerdaozbey004
3.0
(2)
Sold
41
Followers
0
Items
44
Last sold
23 hours ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions