DEEL1 – inleiding: wat is criminologie? opvattingen, definities en ontstaan als
wetenschap...................................................................................................3
1.1: wat is criminaliteit? een eerste verkenning..............................................................4
1.1.1: Enge definitie criminaliteit: strafrecht................................................................4
1.1.2: Brede, sociale definitie: criminaliteit als sociaal construct..................................5
1.2: criminaliteit: daders en slachtoffers.........................................................................5
1.2.1: wie pleegt criminaliteit?.....................................................................................5
1.2.2: Waarom plegen mensen criminaliteit?...............................................................6
1.3: criminaliteit en de strafrechtsbedeling.....................................................................6
1.4: criminologie als wetenschap....................................................................................7
1.4.1: het kennisobject.................................................................................................8
1.4.2: theoretisch kader...............................................................................................8
1.4.3: methodologie..................................................................................................... 8
1.6: criminaliteit, veiligheid en de veiligheidsparadox.....................................................8
deel 2: historisch overzicht.............................................................................9
1.1: criminaliteit in het ancien regime: autoriteit en voorbeeldstraffen...........................9
1.2: verlichting en de opkomst van het klassieke strafrecht (18 e eeuw)........................10
1.3: de geboorte van de gevangenisstraf......................................................................12
1.3.1: het gentse tuchthuis: vilain XIIII en heropvoeding door arbeid.........................12
1.3.2: edouard ducpétiaux en heropvoeding door isolatie en meditatie.....................12
1.4: de opkomst van het positivisme (19e eeuw)...........................................................14
1.4.1: de italiaanse antropologische school................................................................15
1.4.2: de franse milieuschool (school van lyon)..........................................................16
1.4.3: de biosociale school.......................................................................................... 17
1.5: sociaal verweer en het eclecticisme (eind 19e – begin 20e eeuw)...........................17
1.5.1: de invloed van adolphe prins op de wetgeving.................................................17
1.5.2: de hervormingen onder minister van justitie vandervelde (1919-1921)...........18
1.6: nieuw sociaal verweer en de naoorlogse hervormingen (20ste eeuw).....................18
1.6.1: de hervormingen onder minister van justitie piet vermeylen (1961-1965).......19
1.7: post-sociaal verweer: kritiek op het strafrecht en alternatieve modellen (1970-
vandaag)....................................................................................................................... 20
1.7.1: focus: het herstelgericht model in belgie..........................................................20
deel 3: de opkomst van de criminologische wetenschappen in belgie..............21
1.1: inleiding: van juridische reflectie tot multidisciplinaire wetenschap.......................21
1.2: vroege belgische pioniers: statistiek en sociale wetenschappen............................21
1.2.1: adoplhe quetelet: de statistiek als spiegel van de samenleving.......................21
1.2.2: louis vervaeck en de belgische antropologische school....................................22
1.2.3: adolphe prins: het eclecticisme........................................................................22
1.3: institutionele verankering: de opkomst van criminologie aan de belgische
faculteiten..................................................................................................................... 22
1
, 1.3.1: focus op nico gunzburg.....................................................................................22
1.4: de naoorlogse periode: hervorming en herorientatie.............................................23
1.5: wetenschappelijke groei en internationale erkenning (1970-1990)........................24
1.6: de hedendaagse belgische criminologie (1990-heden)..........................................24
deel 4: sociale interactietheorieën................................................................25
1.1: de differentiele associatietheorie van Edwin Sutherland........................................26
1.2: de sociale leertheorie van ronald akers en robert burgess.....................................27
1.3: neutralisatietechnieken en drift van gresham sykes en david matza.....................27
1.4: bindingstheorie van travis hirschi (ofwel de sociale controletheorie).....................28
1.5: de leeftijdsgebonden informele sociale controletheorie van robert sampson en john
laub............................................................................................................................... 29
deel 5: sociaal structurele theorieën.............................................................29
1.1: de anomietheorie van emile durkheim...................................................................30
1.2: DE ANOMIETHEORIE VAN ROBERT MERTON...........................................................31
1.3: de algemene strain-theorie van robert agnew........................................................32
1.4: de subcultuurtheorie van albert cohen...................................................................32
1.5: de differentiele gelegenheidstheorie van richard cloward en lloyd ohlin................33
1.6: de ecologiosche criminaliteitstheorie.....................................................................34
deel 6: kritische criminologie en voorlopers: labeling theorie, neomarxistische
radicale criminologie en feministische criminologie.......................................37
1.1: labelingsbenadering............................................................................................... 37
1.2: neomarxistische criminologie.................................................................................38
1.3:feministische criminologie.......................................................................................40
deel 7: realistische criminologie....................................................................41
1.1: rechts-realisme....................................................................................................... 41
1.1.1: biosociaal perspectief.......................................................................................42
1.1.2: de rationele keuzetheorie van derek cornish en ronald clarke..........................42
1.1.3: de routineactiviteitentheorie van lawrence cohen en marcus felson................43
1.2: links realisme......................................................................................................... 44
deel 8: victimologie......................................................................................46
deel 9: hedendaagse benaderingen...............................................................47
1.1: zemiologie.............................................................................................................. 48
1.2: groene criminologie................................................................................................ 48
1.3: culturele criminologie.............................................................................................49
1.4: convict criminology................................................................................................51
2
,INLEIDING TOT CRIMINOLOGIE
DEEL1 – INLEIDING: WAT IS CRIMINOLOGIE? OPVATTINGEN,
DEFINITIES EN ONTSTAAN ALS WETENSCHAP
Etiologie of oorzakenleer: welke factoren spelen een rol bij het plegen van criminaliteit
- Persoonlijke kenmerken bv. Lage zelfcontrole
- Sociale invloeden bv. Deviante vrienden
- Structurele omstandigheden bv. Gebrek aan maatschappelijke kansen
De veiligheidsparadox: de samenleving is veiliger dan vroeger, maar de mensen
voelen zich meer onveilig
Daling sinds jaren 90 van eigendomsdelicten, geweldsdelicten en levensdelicten
MAAR nieuwe vormen van criminaliteit opgedoken bv. Cybercriminaliteit
GEVOLG: meer regels en strafbaarstellingen, bevolking gaat vragen om hogere
straffen
Theorie: hogere straffen werken niet per se afschrikkend -> een hogere kans om
gevat te worden door justitie werkt wel afschrikkend
Wat is het strafdoel?
- Algemene preventie: de straf werkt afschrikkend toe naar de hele bevolking
- Individuele preventie: de straf werkt afschrikkend toe naar 1 persoon
- Vergelding: je hebt iets gedaan en je wordt ervoor gestraft, straf volgt snel op
je daad
- Herstel: naar slachtoffer, dader en samenleving + dader wordt terug gere-
integreerd naar de maatschappij
De leeftijdscriminaliteitscurve
Stijging vanaf de pubertijd tot leeftijd van 18-25 jaar en daarna een daling -> meestal de
leeftijd dat je gaat studeren, werken, je krijgt kinderen
Individuele en sociale factoren gaan meebepalen dat je uit de criminaliteit blijft
Bv. Ik wil niet in de gevangenis belanden want ik heb een dochter
HOE DACHTEN WE OVER CRIMINALITEIT DOORHEEN DE TIJD?
3
, Ancien regime
Koning, vorst bepaalde wat criminaliteit was
Openbare straffen: afschrikkende straffen naar de algemene populatie toe
Verlichting/klassieke strafrecht – focus op de daad
De willekeur waarbij een koning de alleenheerser was dat kan niet meer
Ratio staat centraal: mensen die criminaliteit plegen hebben de bewust keuze
gemaakt, hebben de afweging gemaakt tussen de kosten en de baten
Sociaal contract
De ernst van de straf moest in verhouding staan tot de ernst van je misdrijf
Positivisme – focus op de dader
Een mens is gedetermineerd om criminaliteit te plegen, factoren eigen aan die
persoon zorgen ervoor dat iemand criminaliteit pleegt
Focus niet op straffen maar op hoe kunnen we die persoon beschermen
De gedetermineerde mens
Criminaliteit is een gevolg van sociale factoren
Je kan een persoon al uit de maatschappij gaan halen voor hij een feit heeft
gepleegd want je gaat uit van de sociale gevaarlijkheid en niet van de daad
1.1: WAT IS CRIMINALITEIT? EEN EERSTE VERKENNING
1.1.1: ENGE DEFINITIE CRIMINALITEIT: STRAFRECHT
“criminaliteit is elke handeling of niet-handeling (zoals verzuim) dat wettelijk strafbaar is
gesteld”
Sutherland: criminaliteit is criminaliteit wanneer het gedrag is dat verboden is door de overheid en waarbij de
overheid kan reageren door onder andere een straf
Niets doen kan ook een misdrijf zijn -> schuldig verzuim
Criminaliseren: iets is illegaal en strafbaar via straffen
Decriminaliseren: iets is illegaal maar niet meer strafbaar via het strafwetboek maar je ka n wel nog een
administratieve straf krijgen bv. Gasboete
Legaliseren: iets is legaal en niet meer strafbaar, vaak wel regels opleggen -> reguleren
Bv. Drugsbeleid in België is gecriminaliseerd: je kan voor een rechter verschijnen omwille van drugsbezit
Als het gedecriminaliseerd is er bijvoorbeeld een specifieke commissie die je een boete gaat opleggen
Als het gelegaliseerd is kan je niet gestraft worden maar met regels (bv. je mag je drugs enkel kopen via de
apotheker of onder de 18 jaar is het wel nog illegaal)
Situatie (oud) wetboek: onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen
- Misdaden: zwaarste categorie, bestraft met criminele straffen
- Wanbedrijven: minder ernstig, bestraft met correctionele straffen
- Overtredingen: lichtste categorie, bestraft met politie straffen
Situatie (nieuw) wetboek (vanaf 2026): 8 sanctieniveaus, “misdrijf” wordt gebruikt voor alle feiten
4