17.1. Sociaal probleem
Pesten houdt in dat iemand vaak en langdurig door anderen opzettelijk
vervelend behandeld wordt, wat leidt tot lichamelijke verwonding en/of
psychisch lijden. Pesten komt overal voor. In het onderwijs, de
buitenschoolse opvang, in de BPV, maar ook op straat. Zelfs volwassenen
– op het werk, universiteiten, hogescholen, bij verenigingen of in de wijk –
pesten elkaar. Pesten is universeel en niet cultuurgebonden. Dit wil zeggen
dat het over de hele wereld voorkomt, bij alle bevolkingsgroepen, in
dezelfde mate en op dezelfde manier. In groepen kan pesten min of meer
vanzelf ontstaan. Omdat pesten zo’n grote invloed heeft, kun je spreken
van een serieus sociaalmaatschappelijk probleem. Opvoedkundigen en
psychologen onderzoeken welke factoren pestgedrag in de hand werken
en hoe ze zijn te beïnvloeden.
Algemene risicofactoren
Er zijn verschillende risicofactoren die van invloed zijn bij pesten, zo blijkt
uit onderzoek. In het algemeen is de kans op pestgedrag groter in een
beginnende groep of als er in een bestaande groep nieuwe kinderen
bijkomen. Verder komt pesten in het vmbo vaker voor dan op de havo en
het vwo. Het komt het meest voor bij jongeren tussen 10 en 14 jaar, met
een piek bij de overgang naar de middelbare school. Ook pesten jongens
elkaar vaker dan meisjes onderling.
Risicofactoren pester
Weinig aandacht of betrokkenheid of zelfs totaal ontbrekend toezicht van
ouders vergroot de kans dat een kind gaat pesten. Pestgedrag kan ook
ontstaan doordat het kind door z’n ouders wordt mishandeld. Opgroeien in
een achterstandsbuurt (met armoede, criminaliteit, drugs) of in een
onvolledig gezin of groot gezin – het vergroot allemaal de kans dat een
kind een pester wordt. Het heeft thuis onoplosbare problemen en reageert
deze af op een zwakker kind. Pesters willen graag domineren én
waardering van anderen krijgen. Het zijn vaak kinderen die goed
aanvoelen wat mensen denken en voelen, daardoor kennen zij ook de
zwakke plekken van anderen. Door deze macht negatief te gebruiken,
bereiken ze wat ze willen. Een kleine groep pesters zijn kinderen die eerst
zelf gepest werden en als reactie daarop zijn gaan pesten. Pesters hebben
dus ook hulp nodig.
Risicofactoren slachtoffer
Slachtoffers van pesten zijn vaak kinderen met weinig zelfvertrouwen. Ze
hebben geen of weinig vrienden en voelen zich eenzaam. Het is de vraag
of deze kenmerken veroorzaakt zijn door het pesten of dat deze het pesten
juist uitlokken. Sommige kinderen zijn extra kwetsbaar door
, vroeggeboorte, lichamelijke en/of verstandelijke beperking,
gedragsproblemen of fysieke en emotionele afhankelijkheid van ouders.
Jongens die gepest worden zijn bijvoorbeeld vaak kleiner dan
leeftijdsgenoten of zien er ‘zwakker’ uit. Opgroeien in een gezin waar
oudere broers of zussen pesten, is ook een risicofactor om door anderen
gepest te worden. Ook zijn er kinderen waarvan het lijkt alsof zij door hun
gedrag irritatie in hun omgeving oproepen. Zij uiten hun onzekerheid op
een agressieve manier, lokken zo pesten uit én pesten zelf ook kinderen
die zwakker zijn dan zijzelf.
17.2. Rollen
Kinderen in een groep lijken onderscheid te maken tussen ‘kinderen die er
wel toedoen’ en ‘kinderen die er niet toedoen’. Als je bij de laatste groep
hoort, loop je meer risico om gepest te worden. Je wordt dan de zondebok.
Je noemt dat het zondebokfenomeen. Dit is een signaal van pesten:
vijandig gedrag tegen een onschuldig, hulpeloos slachtoffer. Dit
groepsverschijnsel komt vaak voor bij mensen en dieren, die frustratie en
onvermogen afreageren op de zwaksten in de groep. Eén persoon of een
minderheidsgroep krijgt telkens weer ergens de schuld van. Naast de
pester en het slachtoffer zijn er nog andere personen betrokken bij het
pesten.
De assistent
Iemand die de pester in zijn gedrag aanmoedigt vanaf de zijlijn, noem je
de assistent. Een pester heeft vaak gezelschap van zo’n helper waarop
hij kan vertrouwen. Deze helper vindt het pesten wel spannend. De
aanwezigheid van zo’n sensatiezoeker is een belangrijke factor bij het in
stand blijven van pestgedrag. Sommigen gaan in het pestgedrag zelfs nog
verder dan de pester zelf, om bij de pester in de smaak te vallen.
De meelopers
Een meeloper is een kind dat zwijgend of lachend onbewust de acties van
de pester goedkeurt, ook al pest het zelf niet zichtbaar mee. Er is een
verband tussen de aanwezigheid van toekijkende meelopers en
aanhoudend pesten. De meelopers hebben vaak niet in de gaten dat zij
een belangrijke (negatieve) bijdrage leveren aan het pestproces, toch
erkennen ze zo de dominante positie van de pester. Meelopers zijn vaak
onzeker en bang voor de pester. Ze zorgen ervoor dat zíj geen slachtoffer
worden. Door mee te lachen, horen ze erbij.
De zwijgers
Kinderen die wel weten dat er gepest wordt, maar niets doen, noem je
de zwijgers. Behalve een groep meelopers is er ook een grote groep
Pesten houdt in dat iemand vaak en langdurig door anderen opzettelijk
vervelend behandeld wordt, wat leidt tot lichamelijke verwonding en/of
psychisch lijden. Pesten komt overal voor. In het onderwijs, de
buitenschoolse opvang, in de BPV, maar ook op straat. Zelfs volwassenen
– op het werk, universiteiten, hogescholen, bij verenigingen of in de wijk –
pesten elkaar. Pesten is universeel en niet cultuurgebonden. Dit wil zeggen
dat het over de hele wereld voorkomt, bij alle bevolkingsgroepen, in
dezelfde mate en op dezelfde manier. In groepen kan pesten min of meer
vanzelf ontstaan. Omdat pesten zo’n grote invloed heeft, kun je spreken
van een serieus sociaalmaatschappelijk probleem. Opvoedkundigen en
psychologen onderzoeken welke factoren pestgedrag in de hand werken
en hoe ze zijn te beïnvloeden.
Algemene risicofactoren
Er zijn verschillende risicofactoren die van invloed zijn bij pesten, zo blijkt
uit onderzoek. In het algemeen is de kans op pestgedrag groter in een
beginnende groep of als er in een bestaande groep nieuwe kinderen
bijkomen. Verder komt pesten in het vmbo vaker voor dan op de havo en
het vwo. Het komt het meest voor bij jongeren tussen 10 en 14 jaar, met
een piek bij de overgang naar de middelbare school. Ook pesten jongens
elkaar vaker dan meisjes onderling.
Risicofactoren pester
Weinig aandacht of betrokkenheid of zelfs totaal ontbrekend toezicht van
ouders vergroot de kans dat een kind gaat pesten. Pestgedrag kan ook
ontstaan doordat het kind door z’n ouders wordt mishandeld. Opgroeien in
een achterstandsbuurt (met armoede, criminaliteit, drugs) of in een
onvolledig gezin of groot gezin – het vergroot allemaal de kans dat een
kind een pester wordt. Het heeft thuis onoplosbare problemen en reageert
deze af op een zwakker kind. Pesters willen graag domineren én
waardering van anderen krijgen. Het zijn vaak kinderen die goed
aanvoelen wat mensen denken en voelen, daardoor kennen zij ook de
zwakke plekken van anderen. Door deze macht negatief te gebruiken,
bereiken ze wat ze willen. Een kleine groep pesters zijn kinderen die eerst
zelf gepest werden en als reactie daarop zijn gaan pesten. Pesters hebben
dus ook hulp nodig.
Risicofactoren slachtoffer
Slachtoffers van pesten zijn vaak kinderen met weinig zelfvertrouwen. Ze
hebben geen of weinig vrienden en voelen zich eenzaam. Het is de vraag
of deze kenmerken veroorzaakt zijn door het pesten of dat deze het pesten
juist uitlokken. Sommige kinderen zijn extra kwetsbaar door
, vroeggeboorte, lichamelijke en/of verstandelijke beperking,
gedragsproblemen of fysieke en emotionele afhankelijkheid van ouders.
Jongens die gepest worden zijn bijvoorbeeld vaak kleiner dan
leeftijdsgenoten of zien er ‘zwakker’ uit. Opgroeien in een gezin waar
oudere broers of zussen pesten, is ook een risicofactor om door anderen
gepest te worden. Ook zijn er kinderen waarvan het lijkt alsof zij door hun
gedrag irritatie in hun omgeving oproepen. Zij uiten hun onzekerheid op
een agressieve manier, lokken zo pesten uit én pesten zelf ook kinderen
die zwakker zijn dan zijzelf.
17.2. Rollen
Kinderen in een groep lijken onderscheid te maken tussen ‘kinderen die er
wel toedoen’ en ‘kinderen die er niet toedoen’. Als je bij de laatste groep
hoort, loop je meer risico om gepest te worden. Je wordt dan de zondebok.
Je noemt dat het zondebokfenomeen. Dit is een signaal van pesten:
vijandig gedrag tegen een onschuldig, hulpeloos slachtoffer. Dit
groepsverschijnsel komt vaak voor bij mensen en dieren, die frustratie en
onvermogen afreageren op de zwaksten in de groep. Eén persoon of een
minderheidsgroep krijgt telkens weer ergens de schuld van. Naast de
pester en het slachtoffer zijn er nog andere personen betrokken bij het
pesten.
De assistent
Iemand die de pester in zijn gedrag aanmoedigt vanaf de zijlijn, noem je
de assistent. Een pester heeft vaak gezelschap van zo’n helper waarop
hij kan vertrouwen. Deze helper vindt het pesten wel spannend. De
aanwezigheid van zo’n sensatiezoeker is een belangrijke factor bij het in
stand blijven van pestgedrag. Sommigen gaan in het pestgedrag zelfs nog
verder dan de pester zelf, om bij de pester in de smaak te vallen.
De meelopers
Een meeloper is een kind dat zwijgend of lachend onbewust de acties van
de pester goedkeurt, ook al pest het zelf niet zichtbaar mee. Er is een
verband tussen de aanwezigheid van toekijkende meelopers en
aanhoudend pesten. De meelopers hebben vaak niet in de gaten dat zij
een belangrijke (negatieve) bijdrage leveren aan het pestproces, toch
erkennen ze zo de dominante positie van de pester. Meelopers zijn vaak
onzeker en bang voor de pester. Ze zorgen ervoor dat zíj geen slachtoffer
worden. Door mee te lachen, horen ze erbij.
De zwijgers
Kinderen die wel weten dat er gepest wordt, maar niets doen, noem je
de zwijgers. Behalve een groep meelopers is er ook een grote groep