• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 46 pages
Summary

2025-Q2 fundamenten van experimenten snappen? dat kan met deze samenvatting!

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 46 pages

met deze samenvatting snap je de leerdoelen: Na het afronden van deze cursus kun je ethische aspecten bij psychologische experimenten beoordelen experimentele ontwerpen beoordelen op hun interne en externe validiteit experimentele hypotheses opstellen diverse vormen van een variantieanalyse (ANOVA, univariaat) toepassen resultaten van statistische toetsing interpreteren APA-richtlijnen correct toepassen in een onderzoeksverslag.

Content preview

Samenvatting Onderzoekspracticum experimenteel onderzoek
Na het afronden van deze cursus kun je
 ethische aspecten bij psychologische experimenten beoordelen
 experimentele ontwerpen beoordelen op hun interne en externe validiteit
 experimentele hypotheses opstellen
 diverse vormen van een variantieanalyse (ANOVA, univariaat) toepassen
 resultaten van statistische toetsing interpreteren
 APA-richtlijnen correct toepassen in een onderzoeksverslag.

Thema 1 – Experimenten
Met een valide experiment ben je in staat om valide conclusies te trekken.
Validiteit wordt dikwijls droog samengevat als 'meten wat je wilt meten'. In het
geval van experimenten kun je dit vertalen naar 'je kunt de conclusies trekken
die je denkt te kunnen trekken'.
Experimenten zijn in de regel gekunstelde situaties: door te manipuleren en te
observeren, beïnvloeden we dat wat we observeren.
Studietaak 1.1 – Wat is een experiment?
Na het bestuderen van deze studietaak kun je
 het verschil tussen een volledig gerandomiseerd, gedeeltelijk
gerandomiseerd en quasi-experimenteel design beschrijven
 beschrijven wat een een binnenproefpersoon-, tussenproefpersoon- en een
mixed-design inhouden
 beschrijven welke manieren van experimentele controle er zijn om
gedeeltelijk te randomiseren.

Samenvatting
1. Volledig gerandomiseerd, gedeeltelijk gerandomiseerd en quasi-
experimenteel design
Een volledig gerandomiseerd experiment houdt in dat deelnemers willekeurig
worden toegewezen aan experimentele condities, waardoor externe variabelen
gelijk worden verdeeld over de groepen. Dit versterkt de interne validiteit en
helpt causaliteit vast te stellen.
Een quasi-experimenteel design daarentegen maakt geen gebruik van
volledige randomisatie. Groepen worden gevormd op basis van bestaande
structuren (bijv. klassen of scholen), wat betekent dat mogelijke storende
variabelen niet volledig worden gecontroleerd. Dit type onderzoek heeft een
hogere ecologische validiteit maar een lagere interne validiteit.
Een gedeeltelijk gerandomiseerd experiment bevindt zich tussen deze twee
uitersten en maakt gebruik van cluster randomisatie. Hierbij worden
bestaande clusters (zoals klassen) willekeurig toegewezen aan condities. Dit
biedt enige controle over storende variabelen, maar niet op individueel niveau.

2. Binnenproefpersoon-, tussenproefpersoon- en mixed-design
Een binnenproefpersoon-design (within-subjects design) betekent dat
dezelfde proefpersonen aan meerdere experimentele condities worden
blootgesteld. Dit vermindert de invloed van individuele verschillen, maar kan
leiden tot volgorde-effecten.
Een tussenproefpersoon-design (between-subjects design) houdt in dat
verschillende groepen proefpersonen aan verschillende condities worden
blootgesteld. Dit elimineert volgorde-effecten, maar vereist een grotere
steekproef om individuele variabiliteit te compenseren.
Een mixed-design combineert beide methoden: sommige variabelen worden
binnen proefpersonen gemeten en andere tussen proefpersonen. Dit biedt een
evenwicht tussen de voordelen van beide designs.

3. Manieren van experimentele controle bij gedeeltelijke randomisatie
1

,Bij gedeeltelijke randomisatie zijn er verschillende methoden om experimentele
controle te behouden:
 Blokontwerp: proefpersonen worden vooraf ingedeeld in homogene
groepen (bijv. op leeftijd), waarna randomisatie binnen deze blokken
plaatsvindt. Dit minimaliseert de invloed van storende variabelen.
 Matchen: proefpersonen worden geselecteerd op basis van vergelijkbare
kenmerken en vervolgens willekeurig toegewezen aan condities, waardoor
de invloed van externe variabelen wordt verminderd.
 Homogeniseren: proefpersonen met specifieke kenmerken worden
uitgesloten of geclusterd, waardoor variabiliteit binnen de groepen
afneemt.
Deze methoden helpen de invloed van verstorende factoren te verminderen en
de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten te verhogen.

4. Homogeniseren
Designs waarin gematcht wordt, bieden de mogelijkheid om data te verzamelen
van proefpersonen met diverse kenmerken. Een meer diverse steekproef kan
leiden tot een breder en representatiever beeld van de doelpopulatie. Echter,
deze diversiteit kan ook extra ruis met zich meebrengen, waardoor het moeilijker
wordt om subtiele effecten te detecteren. Het is belangrijk op te merken dat de
diverse kenmerken van proefpersonen zelf ook onbedoelde verstorende
variabelen kunnen zijn. Hoewel de steekproef mogelijk beter generaliseerbaar is
naar de algemene bevolking, kan het lastiger zijn om statistische patronen te
identificeren.
Om het effect van een externe variabele op een afhankelijke variabele te
isoleren, kan men ervoor kiezen om proefpersonen te homogeniseren. Dit
betekent dat proefpersonen zo worden geselecteerd dat de groepen zo
homogeen mogelijk zijn wat betreft de externe variabele. Bijvoorbeeld, als er
vermoedens zijn dat leeftijd een verstorende variabele is bij het beoordelen van
de effecten van de manipulatie, kan het experiment beperkt worden tot alleen
jongeren of alleen ouderen. Door proefpersonen te selecteren die op relevante
variabelen op elkaar lijken, wordt de variatie verminderd en neemt de ruis af. Dit
resulteert in een hogere statistische power (de kans om een werkelijk effect in de
populatie te detecteren). Echter, deze winst in power gaat ten koste van de
externe validiteit, omdat de steekproef minder representatief is voor de
algemene populatie.
Bij het homogeniseren en matchen is het belangrijk om te focussen op externe
kenmerken waarvan bekend is, of op zijn minst vermoed wordt, dat ze invloed
hebben op de afhankelijke variabele. Deze procedures kunnen niet op zichzelf
gebruikt worden als vervanging voor randomisatie, maar kunnen wel in
combinatie daarmee worden toegepast, indien mogelijk. In zuiver experimenteel
onderzoek is randomisatie essentieel, terwijl andere procedures als aanvulling
daarop kunnen dienen.
5. Between-subjects versus within-subjects designs
Naast de indeling in gerandomiseerde en quasi-experimenten kunnen
experimentele designs ook worden ingedeeld in between subjects en within
subjects designs.
In een between subjects design worden proefpersonen toegewezen aan
slechts één experimentele conditie, wat resulteert in verschillende groepen
proefpersonen die met elkaar kunnen worden vergeleken. Bijvoorbeeld, in een
medisch onderzoek kunnen proefpersonen worden verdeeld in een
behandelingsgroep waarin een nieuw medicijn wordt toegediend, en een
controlegroep waarin een placebo wordt toegediend (een nep-medicijn zonder
farmacologisch effect).
Bij within subjects designs worden alle proefpersonen blootgesteld aan alle
experimentele en controlecondities. Bijvoorbeeld, in een sociaalpsychologisch
2

,onderzoek wil de onderzoeker weten of mensen meer lachen tijdens het eten van
pizza of hutspot. De proefpersonen krijgen eerst gezamenlijk pizza te eten en het
aantal keer dat ze lachen wordt geteld. Vervolgens krijgen dezelfde
proefpersonen hutspot voorgeschoteld en wordt opnieuw het aantal keer dat ze
lachen geteld. Binnen within subjects designs worden de reacties van
proefpersonen gemeten na elke manipulatie, vandaar dat ze ook wel repeated
measures designs worden genoemd. Een potentieel probleem bij within
subjects designs is het optreden van volgorde-effecten, waarbij bijvoorbeeld de
reacties worden beïnvloed door de volgorde waarin de condities worden
aangeboden. Om dit te voorkomen, kan in sommige gevallen de volgorde van de
condities worden gevarieerd. Deze vorm van controle wordt counterbalancing
genoemd.
Daarnaast is het ook mogelijk om een mix van between en within subjects
designs te gebruiken, zoals bij klinisch onderzoek waarbij de voortgang van twee
groepen patiënten op drie verschillende tijdstippen wordt gemeten. Deze designs
worden mixed designs genoemd.

Werkboek:
Waarom zijn experimentele designs geschikt om causale verbanden mee vast te
stellen?
In experimentele designs houdt de onderzoeker strenge controle over de
variabelen. Wanneer alleen de onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd en
alle andere variabelen worden constant gehouden, dan kan een geobserveerde
verandering in de afhankelijke variabele enkel het resultaat zijn van de
verandering in de onafhankelijke variabele.

Mills method of difference stelt dat, om een causaal effect van X op Y aan te
tonen, je ook moet aantonen dat in afwezigheid van X, Y niet voorkomt. Hieruit
volgt dat je een experimentele groep én een controlegroep nodig hebt om
causale claims te kunnen maken.
Experimentele groep: Als X, dan Y.
Controlegroep: Als niet-X, dan niet-Y.

Wat is het verschil tussen een volledig gerandomiseerde experimenteel ontwerp
en een quasi-experiment?
Het verschil zit in de manier van toewijzing van onderzoekseenheden (meestal
proefpersonen) aan de experimentele condities. Bij volledig gerandomiseerde
ontwerpen gebeurt deze toewijzing willekeurig (random): elke eenheid heeft dus
dezelfde kans om in elk van de condities terecht te komen.
In contrast hiermee ligt de toewijzing aan de condities bij quasi-experimentele
designs volledig buiten de controle van de onderzoeker. In een quasi-experiment
worden bestaande groepen onderzocht die op één aspect (variabele) verschillen
en op de resterende aspecten (variabelen) zo vergelijkbaar mogelijk zijn.

Experimentele controle betekent dat er rekening wordt gehouden met (of
‘gecontroleerd wordt voor’) kenmerken van onderzoekseenheden (meestal
proefpersonen) die mogelijk een verstorende rol kunnen spelen in het
experiment.

Welke verschillende manieren van experimentele controle worden in het
OpenMenS-hoofdstuk beschreven?
Blokontwerp – Bij dit ontwerp worden proefpersonen voorafgaand aan het
experiment ingedeeld in homogene categorieën (bijvoorbeeld mannen en
vrouwen) op basis van een veronderstelde verstorende variabele (gender).
Binnen elke categorie worden de proefpersonen vervolgens random toegewezen
3

, aan de experimentele condities of controlegroep. Bij een experiment met twee
condities (bijvoorbeeld medicijn en placebo) ontstaan zo dus 2 x 2, dus in totaal
vier onderzoeksgroepen. Dit design is geschikt wanneer er een beperkt aantal
verstorende variabelen zijn en vereist een groter aantal proefpersonen.
Precisiecontrole – Bij deze manier van experimentele controle worden paren
van proefpersonen die op basis van allerlei achtergrondkenmerken zo veel
mogelijk op elkaar lijken, vooraf aan het experiment geïdentificeerd. Van elk paar
wordt er vervolgens (random) één proefpersoon in de controleconditie ingedeeld
en één proefpersoon in de interventieconditie. Als je op een groot aantal
achtergrondkenmerken wilt matchen, moet je over een grote steekproef
beschikken om tot gelijke paren te kunnen komen.
Globale controle – Hierbij wordt ernaar gestreefd om het gemiddelde en/of de
frequentie van een aantal achtergrondkenmerken in alle condities gelijk te laten
zijn (bijvoorbeeld hetzelfde aantal jongens en meisjes, hetzelfde gemiddelde IQ
enzovoort). Omdat de condities slechts per afzonderlijk kenmerk aan elkaar gelijk
zijn en niet wat betreft de combinaties aan kenmerken, is dit een grovere wijze
van experimentele controle dan precisiecontrole.

Bij een between-subject design vindt de manipulatie plaats tussen
proefpersonen. Er worden meerdere groepen van proefpersonen gevormd en elke
groep ontvangt een andere manipulatie (of treatment).
Bij een within-subject design vindt de manipulatie plaats binnen
proefpersonen. Dat betekent dat dezelfde proefpersonen aan alle condities
worden blootgesteld. Hierin kan de volgorde gevarieerd worden.
Een mixed-design is een combinatie van een between-subject en een within-
subject design. De manipulaties vinden dus zowel tussen als binnen
proefpersonen plaats. Bijvoorbeeld, in een medicijn-placebo-onderzoek met een
voormeting en een nameting wordt er zowel tussen proefpersonen (medicijn-
placebo) als binnen proefpersonen (voormeting: geen pilletje genomen -
nameting wel pilletje genomen) gemanipuleerd.

Studietaak 1.2 – Experimentele designs
Na het bestuderen van deze studietaak kun je
 de bekendste algemene pre-experimentele designs benoemen
 de bekendste algemene gerandomiseerde experimentele designs
benoemen
 de bekendste algemene quasi-experimentele designs benoemen
 de bekendste algemene longitudinale designs benoemen.

Samenvatting experimentele designs
Pre-experimentele designs
Pre-experimentele designs hebben een beperkte controle over
validiteitsbedreigingen en worden daarom als minder betrouwbaar beschouwd.
 One-shot case study: een groep ondergaat een manipulatie en er wordt
daarna een meting verricht. Er ontbreekt een controlegroep en
voormeting, waardoor causaliteit niet kan worden vastgesteld.
 One-group pre-post design: dezelfde groep wordt zowel voor als na de
manipulatie gemeten. Zonder controlegroep kunnen alternatieve
verklaringen niet worden uitgesloten.
 Posttest-only design met bestaande groepen: bestaande groepen
worden onderzocht zonder voormeting of randomisatie, wat vergelijkingen
moeilijk maakt.
Gerandomiseerde experimentele designs
Deze designs maken gebruik van willekeurige toewijzing (randomisatie), wat
helpt bij het controleren van storende variabelen en het vaststellen van
causaliteit.
4

Table of contents

  1. 01 4. Analyse, Onafhankelijke t-toets 16
  2. 02 5. Rapportage, Datascreening 16
  3. 03 6. Hypothesetoets 16
  4. 04 Bepaal of er een significant verschil is in seksuele opwinding na een neutrale film en een erotische film. Voer de onafhankelijke t-toets uit. Houd een drempelwaarde van α = .05 aan. Als de gevonden p-waarde kleiner is dan 0.05 is er sprake van een significant effect. Dat is hier het geval: p < .001. De uitkomst van de Welch's t-toets laat dus zien dat er sprake is van een significant verschil tussen beide condities. Je weet nu dat er sprake is van een significant verschil tussen beide condities, maar je weet nog niet hoe je de grootte van dit verschil kunt interpreteren. Om hier iets over te kunnen zeggen, kun je gebruikmaken van de gegeven effectgrootte. Deze is in de uitkomsttabel van de Welch's t-toets weergegeven als Cohen's d en is -5.78. De absolute waarde (5.78) is veel groter dan de drempelwaarde van een (zeer) sterk effect (.8). Het verschil in seksuele opwinding tussen de neutrale filmconditie en de erotische filmconditie is daarmee dus te beschouwen als een zeer sterk effect. 18
  5. 05 Rapporteer de resultaten van de datascreening en de onafhankelijke t-toets. Voorbeeld: Datascreening 19
  6. 06 Voorafgaand aan de analyse zijn de scores van seksuele opwinding per groep gecontroleerd op onmogelijke waarden en uitbijters. 19
  7. 07 De testscores vertoonden geen onmogelijk waarden. Univariate uitbijters zijn geïdentificeerd met z-scores, waarbij een drempelwaarde van|z|> 3.29 werd gehanteerd. Er was één proefpersoon in de conditie 'erotische film' met een extreem hoge waarde (z = 4.90). Deze waarde werd als extreme uitbijter beschouwd en de data van de betreffende proefpersoon zijn buiten de analyse gehouden. 19
  8. 08 De steekproef voor de datascreening bestond uit 156 deelnemers. Na de datascreening was de steekproefgrootte 155 deelnemers (Nneutraal = 72, Nerotisch = 83). De data van de onderzoeksvariabelen zijn samengevat in Tabel 1. 19
  9. 09 Tabel 1 Beschrijvende statistieken van seksuele opwinding (0-100) per conditie (neutrale, of erotische film) 19
  10. 10 Thema 3 – Variantieanalyse (one-way ANOVA) 19
  11. 11 Soms willen onderzoekers de verschillen bestuderen tussen méér dan twee groepen mensen of tussen mensen in verschillende behandelcondities. Een eenvoudig experiment is een experiment waarin je drie of meer groepen vergelijkt. In dit thema leer je hoe je een statistische analyse kunt uitvoeren passend bij experimenten waarin twee of meer onafhankelijke groepen worden vergeleken. Hiervoor gebruik je de one-way ANOVA (eenweg ANOVA). 19
  12. 12 Studietaak 3.1 – Variantieanalyse (one-way ANOVA) 19
  13. 13 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 19
  14. 14 1. beschrijven wat een ANOVA is en wanneer deze wordt gebruikt 19
  15. 15 2. beschrijven wat het verschil is tussen een ANOVA en een t-toets 19
  16. 16 3. de uitkomsten van een ANOVA interpreteren 19
  17. 17 4. de assumpties van een ANOVA benoemen 19
  18. 18 5. de effectgrootte van een ANOVA interpreteren 19
  19. 19 6. toelichten wat contrasten en post-hoc-testen zijn en wat hun doel is 19
  20. 20 7. verschillende post-hoc-testen en hun toepassingsgebied benoemen 19
  21. 21 8. toelichten hoe een ANOVA-model kan worden beschouwd als een lineair regressiemodel. 19
  22. 22 1. Wat is een ANOVA en wanneer wordt deze gebruikt? 19
  23. 23 ANOVA (Analysis of Variance) is een statistische test die wordt gebruikt om te bepalen of er significante verschillen zijn tussen de gemiddelden van drie of meer onafhankelijke groepen. ANOVA wordt toegepast wanneer een afhankelijke variabele (continu) wordt vergeleken over meerdere niveaus van een onafhankelijke variabele (categorisch). 20
  24. 24 Voorbeeld: Een onderzoek naar de effectiviteit van drie verschillende lesmethoden op toetsscores. 20
  25. 25 2. Wat is het verschil tussen een ANOVA en een t-toets? 20
  26. 26 T-toets: Vergelijkt het gemiddelde van twee groepen. 20
  27. 27 ANOVA: Vergelijkt het gemiddelde van drie of meer groepen. 20
  28. 28 Een t-toets kan alleen twee gemiddelden tegelijk vergelijken, terwijl ANOVA voorkomt dat je meerdere t-toetsen uitvoert (wat de kans op Type I-fouten vergroot). 20
  29. 29 3. Hoe interpreteer je de uitkomsten van een ANOVA? 20
  30. 30 F-waarde: Geeft de verhouding weer tussen de variantie tussen de groepen en de variantie binnen de groepen. Een hoge F-waarde duidt op grotere verschillen tussen groepen. 20
  31. 31 p-waarde: Geeft aan of de verschillen significant zijn. Als p < 0.05, dan zijn de verschillen waarschijnlijk niet toevallig. 20
  32. 32 Effectgrootte (bijv. η² of ω²): Geeft aan hoe sterk de verschillen tussen de groepen zijn. 20
  33. 33 Een significante ANOVA betekent niet automatisch dat alle groepen van elkaar verschillen; daarvoor zijn post-hoc-testen nodig. 20
  34. 34 4. Wat zijn de assumpties van een ANOVA? 20
  35. 35 Normaliteit: De afhankelijke variabele is normaal verdeeld binnen elke groep. 20
  36. 36 Homoscedasticiteit (gelijke varianties): De spreiding binnen de groepen is ongeveer gelijk. Dit wordt getest met de Levene’s test. 20
  37. 37 Onafhankelijkheid: De observaties binnen de groepen zijn onafhankelijk van elkaar. 20
  38. 38 Als deze assumpties worden geschonden, kunnen aangepaste versies van ANOVA of niet-parametrische testen (zoals de Kruskal-Wallis-test) worden gebruikt. 20
  39. 39 5. Hoe interpreteer je de effectgrootte van een ANOVA? 20
  40. 40 De effectgrootte geeft aan hoeveel variantie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door de onafhankelijke variabele. Veelgebruikte effectgroottes bij ANOVA: 20
  41. 41 η² (Eta-kwadraat): Proportie verklaarde variantie (kan overschatting geven). 20
  42. 42 ω² (Omega-kwadraat): Correctie voor overschatting, betrouwbaarder bij kleine steekproeven. 20
  43. 43 Interpretatie van η²: 20
  44. 44 0.01 = klein effect 20
  45. 45 0.06 = gemiddeld effect 20
  46. 46 0.14 of hoger = groot effect 20
  47. 47 6. Wat zijn contrasten en post-hoc-testen en wat is hun doel? 20
  48. 48 Contrastanalyse: Specifieke vooraf geplande vergelijkingen tussen bepaalde groepen. 20
  49. 49 Post-hoc-testen: Vergelijken achteraf alle groepsgemiddelden om te bepalen waar de verschillen liggen. Ze corrigeren voor multiple testing. 20
  50. 50 Contrastanalyse wordt gebruikt als er een hypothese is over specifieke groepen, terwijl post-hoc-testen worden gebruikt bij exploratieve analyses. 21
  51. 51 7. Welke post-hoc-testen zijn er en wanneer gebruik je welke? 21
  52. 52 Bonferroni: Strikte correctie voor Type I-fouten, geschikt voor weinig vergelijkingen. 21
  53. 53 Tukey’s HSD: Geschikt als alle groepsvergelijkingen van belang zijn. 21
  54. 54 Scheffé: Conservatief, geschikt bij grote aantallen groepen. 21
  55. 55 Dunnett: Vergelijkt groepen met een controleconditie. 21
  56. 56 8. Hoe kan een ANOVA-model worden beschouwd als een lineair regressiemodel? 21
  57. 57 ANOVA is een speciaal geval van lineaire regressie waarin de onafhankelijke variabele categorisch is. In regressieanalyse kunnen dummyvariabelen worden gebruikt om groepsverschillen te modelleren. Dit betekent dat ANOVA en regressie beide variantie verklaren, alleen wordt bij ANOVA gekeken naar groepsgemiddelden en bij regressie naar een continue voorspeller. 21
  58. 58 Studietaak 3.2 – Tutorial one-way ANOVA 21
  59. 59 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 21
  60. 60 een hypothese en vraagstelling formuleren die past bij een one-way ANOVA 21
  61. 61 datascreening uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 21
  62. 62 een one-way ANOVA uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 21
  63. 63 post-hoc-testen uitvoeren en de uitkomsten ervan interpreteren 21
  64. 64 de assumpties van de one-way ANOVA checken en de uitkomsten daarvan interpreteren 21
  65. 65 de uitkomsten van een one-way ANOVA volgens de APA-normen rapporteren. 21
  66. 66 1. Inladen data 21
  67. 67 2. Codeboek 21
  68. 68 3. Experimenteel ontwerp 21
  69. 69 4. Vraagstelling en hypothese 21
  70. 70 5. Toets bepalen Voor het bepalen van de juiste toets om deze hypothese te onderzoeken, is het belangrijk om te kijken naar het meetniveau van de variabelen (nominaal, ordinaal of interval) en de rol van de variabelen (afhankelijk, onafhankelijk). Een toets die het effect test van een onafhankelijke variabele met nominaal meetniveau van drie (of meer) niveaus (groepen) op een afhankelijke variabele met interval-/ratiomeetniveau, is de one-way ANOVA. 21
  71. 71 6. Datascreening Voordat je de one-way ANOVA gaat uitvoeren, inspecteer je eerst de data. Per groep kijk je wat de verdeling van de data is, of er onmogelijke waarden zijn en of er uitbijters zijn. Het is nuttig om te beginnen met een visuele voorstelling van de data. 21
  72. 72 7. Onmogelijke waarden Een eerste stap in het opschonen van de data is om te kijken of de variabele Fouten onmogelijke waarden heeft. De descriptives zouden er na wegfilteren van onmogelijke waarden nu anders moeten uitzien. 22
  73. 73 8. Uitbijters Ook het opsporen van uitbijters is van belang omdat deze een onevenredig grote invloed op de resultaten kunnen hebben. Het is hierbij belangrijk dat je kunt beredeneren waarom een mogelijke uitbijter verwijderd of juist behouden moet worden. Om uitbijters op te sporen, maak je eerst een nieuwe variabele aan: de z-scores van Fouten, gebaseerd op het groepsgemiddelde. Je kunt die variabele bijvoorbeeld Z-Fouten noemen. 22
  74. 74 9. Assumpties checken, De one-way ANOVA heeft de volgende assumpties: a. De observaties zijn onafhankelijk. (redeneren) b. De residuen zijn normaal verdeeld. Laat het vinkje bij Don't assume equal (Welch's) staan. Vink ook aan: Homogeneity test en Normality test. Vraag als volgt de post-hoc-testen op: Post Hoc Tests en vink aan: Games-Howell (unequal variances). Laat de vinkjes bij Mean difference en Report significance staan. Vink ook aan: Test results (t and df) en Flag significant comparisons. 22
  75. 75 Voordat je de uitkomst van de hypothesetoets gaat evalueren, controleer je eerst de assumpties, beginnende met de assumptie van normaal verdeelde residuen. Hiervoor kijk je in de output onder Assumptions bij de uitkomst van de Shapiro-Wilk normality test. De waarde van de Shapiro-Wilk-statistiek is W = .989, p = .080. Shapiro-Wilk is een strenge toets en is snel significant. Net als met uitbijters is het dus goed om hier niet te streng te toetsen. Met een drempelwaarde van α = .001 is deze toets met bijbehorende p-waarde van .080 niet significant. Je kunt ervan uitgaan dat de residuen normaal verdeeld zijn. c. De varianties tussen groepen zijn gelijk (homogeniteit van varianties). Als je gebruikmaakt van Assume equal (Fisher's) moeten de varianties van de scores binnen de drie populaties waaruit de steekproeven (= de drie condities) zijn getrokken, gelijk zijn. Maar omdat je eigenlijk altijd de Welch's ANOVA gebruikt, die corrigeert voor ongelijke varianties, hoeft aan de assumptie van gelijke varianties niet meer strikt voldaan te worden. Desondanks kunnen grote variantieverschillen de vergelijking van drie groepen lastig maken. Daarom bekijken we toch of aan de assumptie van gelijke varianties is voldaan. 22
  76. 76 In de output onder de subkop Assumptions zie je een tabel Homogeneity of Variances Test (Levene's). Dit is de toets voor de homogeniteit (gelijkheid) van varianties tussen groepen. 22
  77. 77 De p-waarde van de Levene's toets is niet significant (p > .05), wat betekent dat de varianties van de drie groepen in de populatie niet significant van elkaar verschillen. Dit houdt in dat geen van de groepen meer variabiliteit in fouten vertoond dan de andere groepen. Er is dus voldaan aan de assumptie van gelijke varianties. 22
  78. 78 10. Analyse Je hebt nu al het voorbereidende werk gedaan en kunt de one-way ANOVA uitvoeren om te bepalen of er sprake is van een significant verschil in het aantal gemaakte foute inschattingen in de controleconditie en de beide experimentele condities. Je kiest standaard voor Welch’s ANOVA. Bij de omnibustest van de one-way ANOVA houd je standaard een drempelwaarde van α = 0.05 aan. Als de gevonden p-waarde kleiner is dan 0.05, is er sprake van een significant omnibuseffect. Dat is hier het geval: p < .001 23
  79. 79 11. Post-hoc-testen Je hebt een significant verschil gevonden tussen minstens twee van de drie groepen. Nu wil je ook weten tussen welke groepen dit verschil te vinden is. Om dit te onderzoeken, voer je post-hoc-testen uit. Het is hierbij belangrijk dat je corrigeert voor kanskapitalisatie. Games-Howell (unequal variances). Uit de tabel kun je aflezen dat het verschil tussen de controleconditie en de eerste experimentele conditie gelijk is aan -0.568. Dit betekent dat er in de controleconditie gemiddeld minder foute inschattingen gemaakt worden dan in de eerste experimentele conditie. Dit verschil is niet significant, t(155) = -1.85, p = .158). Er is een verschil van -3.59 tussen de controleconditie en de tweede experimentele conditie. In de controleconditie worden gemiddeld minder foute inschattingen gemaakt dan in de tweede experimentele conditie. Dit verschil is significant, t(155) = -11.6 en p < .001. Het verschil tussen de eerste en de tweede experimentele conditie is -3.03. In de eerste experimentele conditie worden gemiddeld minder foute inschattingen gemaakt dan in de tweede experimentele conditie. Dit verschil is ook significant, t(157) = -10.3 en p < .001. 23
  80. 80 12. Rapportage Datascreening Hypothesetoets: Om te onderzoeken of mensen makkelijk te beïnvloeden zijn door anderen bij het uitvoeren van een eenvoudige vergelijking, is een one-way ANOVA uitgevoerd. De getoetste hypothese stelde dat als het aantal personen dat foute antwoorden geeft voorafgaand aan het antwoord van de proefpersoon groter is, de proefpersoon meer foute antwoorden zal geven. De verdeling van de residuen van het one-way ANOVA-model weken niet significant af van een normaalverdeling (W = 0.989; p = .08). Ook aan de assumptie van gelijke varianties in de groepen was voldaan: Levene's toets was niet significant, F(2,235) = 1.16, p = .32. Uit de omnibustest van de one-way ANOVA bleek een zeer groot en significant effect van conditie op het aantal gemaakte foute inschattingen (F(2,156) = 81.0, p < .001, η2 = .51). Uit de post-hoc-testen bleek dat er geen significant verschil was in het aantal gemaakte foute inschattingen tussen de controleconditie, waarin geen andere personen aanwezig waren (M = 4.56, SD = 2.03) en de experimentele conditie waarin één rolspeler aanwezig was (M = 5.13, SD = 1.84), t(155) = -1.85, p = .16. Er was wel een significant verschil tussen de controleconditie en de experimentele conditie waarin acht anderen aanwezig waren (M = 8.15, SD = 1.87), t(155) = -11.6, p < .001. Ook maakten proefpersonen meer fouten wanneer er acht rolspelers aanwezig waren dan wanneer er slechts één rolspeler was, t(157) = -10.3, p < .001. 24
  81. 81 sapply(IATwanting2, class) 24
  82. 82 # Zorg ervoor dat je data correct is ingeladen en gecontroleerd: 24
  83. 83 > str(data) 24
  84. 84 > 24
  85. 85 > # Histogram met gesplitste kleuren en density curves 24
  86. 86 > ggplot(data, aes(x = SeksueleOpwinding, fill = as.factor(Tijdsinterval))) + 24
  87. 87 + geom_histogram(aes(y = ..density..), bins = 15, alpha = 0.6, color = "black") + 24
  88. 88 + geom_density(alpha = 0.7, color = "black") + 24
  89. 89 + facet_wrap(~Tijdsinterval, scales = "free_y") + 24
  90. 90 + scale_fill_manual(values = c("blue", "gray", "orange")) + # Kleuren aanpassen indien nodig 24
  91. 91 + labs(title = "Histogrammen van seksuele opwinding per tijdsconditie", 24
  92. 92 + x = "Seksuele Opwinding", 24
  93. 93 + y = "Dichtheid", 24
  94. 94 + fill = "Tijdsinterval") + 24
  95. 95 + theme_minimal() 24
  96. 96 Hoe maak je deze in R? 25
  97. 97 Chat? 25
  98. 98 Interval- en rationiveau worden als continue variabelen beschouwd, waarmee wiskundige berekeningen mogelijk zijn, terwijl nominaal en ordinaal als categorische variabelen worden gezien 26
  99. 99 Thema 4 – Experimentele controle: factoriële designs 26
  100. 100 Soms wil een onderzoeker meer dan één variabele manipuleren of evalueren of het effect van een manipulatie afhankelijk is van een andere variabele. Een factorieel onderzoeksdesign is een experimentele onderzoeksmethode die wordt gebruikt om te onderzoeken hoe verschillende factoren afzonderlijk en in combinatie invloed hebben op een bepaald fenomeen of resultaat. Dit type onderzoek is belangrijk omdat het onderzoekers in staat stelt om preciezer te bepalen welke factoren het grootste effect hebben op het resultaat en hoe deze factoren samenwerken. Dit kan nuttig zijn voor het beter begrijpen van complexe fenomenen en het ontwikkelen van effectievere oplossingen voor problemen. 26
  101. 101 Een voorbeeld van een factorieel onderzoeksdesign in de psychologie is een experiment waarin de effecten onderzocht worden van twee verschillende instructie-interventies (manipulaties) op het leren van nieuwe informatie bij proefpersonen met een hoge of lage werkgeheugencapaciteit (variabele). In dit experiment verdeelt de onderzoeker eerst de proefpersonen over vier groepen op basis van hun voorafgemeten werkgeheugencapaciteit en een van beide instructie-interventies die ze als experimentele manipulatie gaan ontvangen. Vervolgens worden alle groepen getest op het leren van nieuwe informatie. De resultaten worden vergeleken om te bepalen welke instructie-interventie het meest effectief is voor proefpersonen met een hoge en met een lage werkgeheugencapaciteit. Dit experiment onderzoekt dus tegelijkertijd twee verschillende factoren (de instructie-interventies en werkgeheugencapaciteit). 26
  102. 102 In dit thema leer je hoe je een statistische analyse kunt uitvoeren passend bij experimenten waarin groepen gevormd worden op basis van twee of meer variabelen. Hiervoor gebruik je de factoriële ANOVA (factorial ANOVA). Daarnaast worden de begrippen interactie en moderatie uitgelegd. 26
  103. 103 Studietaak 4.1 – Factoriële ANOVA 27
  104. 104 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 27
  105. 105 1. beschrijven wat factoriële designs zijn 27
  106. 106 2. de assumpties van een factoriële ANOVA benoemen 27
  107. 107 3. interacties in factoriële designs interpreteren 27
  108. 108 4. beschrijven wat het verschil is tussen interactie en moderatie 27
  109. 109 5. beschrijven wat simple effects zijn en hoe ze kunnen worden berekend. 27
  110. 110 1. Beschrijven wat factoriële designs zijn: Factoriële designs zijn onderzoeksopzetten waarbij twee of meer onafhankelijke variabelen (factoren) worden gemanipuleerd om hun afzonderlijke en gezamenlijke effecten op een afhankelijke variabele te onderzoeken. Elk niveau van de ene factor wordt gecombineerd met elk niveau van de andere factor(n), waardoor alle mogelijke combinaties worden getest. 27
  111. 111 2. De assumpties van een factoriële ANOVA benoemen: Een factoriële ANOVA gaat uit van de volgende assumpties: 27
  112. 112 Normaliteit: De afhankelijke variabele is normaal verdeeld binnen elke groep. 27
  113. 113 Homogeniteit van varianties: De varianties binnen elke groep zijn gelijk (homoscedasticiteit). 27
  114. 114 Onafhankelijkheid van observaties: De observaties zijn onafhankelijk van elkaar. 27
  115. 115 Interval- of ratio-schaalniveau: De afhankelijke variabele is gemeten op interval- of ratio-niveau. 27
  116. 116 3. Interacties in factoriële designs interpreteren: Een interactie-effect treedt op wanneer het effect van de ene factor op de afhankelijke variabele afhangt van het niveau van een andere factor. Dit betekent dat de combinatie van factoren een uniek effect heeft dat niet kan worden verklaard door de afzonderlijke effecten van de factoren. 27
  117. 117 4. Beschrijven wat het verschil is tussen interactie en moderatie: 27
  118. 118 Interactie: Een statistisch concept dat wordt gebruikt in experimentele designs om aan te tonen dat het effect van de ene variabele afhangt van het niveau van een andere variabele. 27
  119. 119 Moderatie: Een concept uit correlatie-onderzoek waarbij een derde variabele (de moderator) het verband tussen twee andere variabelen beïnvloedt. Het verschil is dat interactie vaak in experimenten wordt onderzocht, terwijl moderatie vaak in observationele studies wordt gebruikt. 27
  120. 120 5. Beschrijven wat simple effects zijn en hoe ze kunnen worden berekend: 27
  121. 121 Simple effects: Dit zijn de effecten van één factor op een specifiek niveau van een andere factor. Ze worden gebruikt om interacties verder te analyseren. 27
  122. 122 Berekening: Simple effects kunnen worden berekend door aparte ANOVA’s of t-toetsen uit te voeren voor elk niveau van de ene factor, terwijl de andere factor constant wordt gehouden. Dit geeft inzicht in hoe de ene factor werkt binnen elk niveau van de andere factor. 27
  123. 123 Studietaak 4.2 – Tutorial factoriële ANOVA 28
  124. 124 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 28
  125. 125 een hypothese en vraagstelling formuleren die past bij een factoriële ANOVA 28
  126. 126 datascreening uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 28
  127. 127 een factoriële ANOVA uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 28
  128. 128 de assumpties van een factoriële ANOVA checken en de uitkomsten daarvan interpreteren 28
  129. 129 de uitkomsten van een factoriële ANOVA volgens de APA-normen rapporteren. 28
  130. 130 Geen Welch's F voor factoriële ANOVA 28
  131. 131 Er is geen geschikte variant van de factoriële ANOVA beschikbaar die rekening houdt met ongelijke variaties, zoals de Welch ANOVA. De enige optie is om de aanname van homogene varianties te testen en het resultaat van deze test te rapporteren. Hierdoor kan de lezer zien of er sprake is van ongelijke variaties. 28
  132. 132 Simple-effects analyse 28
  133. 133 Je hebt gevonden dat er een significant interactie-effect, is maar je wilt nu ook weten hoe die interactie er precies uit ziet. Hiervoor maak je een grafiek en voer je simple-effects analyses uit. Maak eerst de grafiek om een goed overzicht te krijgen van de effecten. 28
  134. 134 Studietaak 4.3 – Opdracht factoriële ANOVA 28
  135. 135 In deze opdracht ga je aan de slag met data horend bij een replicatie van het experiment van Tuovinen en Sweller (1999). Het betreft een tussenproefpersonen-experiment over het effect van twee instructiemethoden – tutorial (worked example) en exploratie (discovery learning) – op het werken met databases. 28
  136. 136 Inladen van module gamlj 28
  137. 137 Voor het analyseren van de data horende bij de factoriële ANOVA maak je gebruik van een nieuwe module: gamlj. 28
  138. 138 Bepaal bij elke variabele het variabeletype (meetniveau). Geef bij elke variabele aan wat het variabeletype (het meetniveau) is. 28
  139. 139 Beschrijf het experimenteel ontwerp van dit onderzoek. 28
  140. 140 Formuleer de vraagstelling en hypotheses. Welke vraagstelling ligt ten grondslag aan dit experiment? En welke hypotheses horen hierbij? Denk ook aan specifieke verwachtingen per categorie. 28
  141. 141 Bepaal de juiste toets voor deze hypothese. Voor het bepalen van de juiste toets om deze hypothese te onderzoeken, is het belangrijk om te kijken naar het meetniveau van de variabelen (nominaal, ordinaal of interval) en de rol van de variabelen (afhankelijk, onafhankelijk). Een toets die het effect test van twee onafhankelijke variabelen met nominaal meetniveau op een afhankelijke variabele met interval-/ratiomeetniveau is de factoriële ANOVA. 28
  142. 142 Datascreening 29
  143. 143 Genereer figuren en een tabel om de testscores per groep te beschrijven. 29
  144. 144 Bepaal of er onmogelijke waarden in de data zitten. 29
  145. 145 Bepaal of er uitbijters zijn. 29
  146. 146 Check de assumpties van de factoriële ANOVA. 1. Onafhankelijke observaties De onafhankelijkheid van de observaties is niet met een data-analyse te toetsen, maar moet je beredeneren. In dit geval zijn er vier onafhankelijke condities vergeleken en zijn de individuen los van elkaar geworven en random aan condities toebedeeld. We kunnen daarom aannemen dat de observaties (= testscore per deelnemer) onafhankelijk zijn. 29
  147. 147 2. Normaal verdeelde residuen De residuen van de factoriële ANOVA moeten normaal verdeeld zijn. Je hoeft niet heel streng te zijn bij het checken van deze assumptie. Er is een makkelijke methode om deze assumptie te checken: De toets van normaliteit van de residuen. Resultaten van de toets voor normaal verdeelde residuen (Shapiro-Wilk normality test). 3. Homogeniteit van varianties De varianties van de scores binnen de vier populaties waaruit de vier steekproeven (= de vier condities) zijn getrokken, moeten gelijk zijn. 29
  148. 148 tabel Homogeneity of Variances Test (Levene's) Dit is de toets voor de homogeniteit (gelijkheid) van varianties tussen groepen. 29
  149. 149 De p-waarde van de Levene's toets is niet significant (p > .05), wat betekent dat de varianties van de vier groepen in de populatie niet significant van elkaar verschillen. Dit houdt in dat geen van de groepen meer variabiliteit in testscore vertoont dan de andere groepen. Er is dus voldaan aan de assumptie van gelijke varianties. 29
    1. Analyse, Factoriële ANOVA Je hebt nu al het voorbereidende werk gedaan en kunt de factoriële ANOVA uitvoeren om te bepalen of er sprake is van een significant verschil in testscores (testmean) tussen de vier groepen. 29
  150. 150 Bepaal of er een significant verschil is in testscores tussen de vier groepen. Bekijk de omnibus-uitkomsttabel. We kunnen de tabel Fixed Effects Parameter Estimates bekijken om vast te stellen wat de richting is van het significante effect 29
    1. Simple-effects analyse Je hebt gevonden dat er geen significant interactie-effect is, maar dat betekent niet dat de uitkomsten van de simple-effects analyses ook niet significant zullen zijn. In je hypotheses heb je verwachtingen over de verschillen in condition per categorie van experience gespecificeerd. In principe toets je geen simple effects als er geen significant interactie-effect is (net zoals je geen post-hoc-test doet als er geen significante omnibustest is). Maar voor deze opdracht en de oefening voer je toch een simple-effects analyse uit. Voer een simple-effects analyse uit die past bij de opgestelde hypothese en voeg ook een grafiek toe die de effecten inzichtelijk maakt. 29
  151. 151 Rapporteer de resultaten van de datascreening en de factoriële ANOVA. 30
  152. 152 Thema 5 – Statistische controle: covariantieanalyse 30
    1. Soms zijn er storende variabelen die niet makkelijk met een experimenteel design onder controle kunnen worden gehouden. Omdat deze stoorzenders voor extra variabiliteit in de afhankelijke variabele zorgen, kan het effect van een manipulatie moeilijker zichtbaar zijn. Variabelen die een verband hebben met de afhankelijke variabele, maar niet met de manipulatie, worden covariaten genoemd. Door deze covariaten in een statistische analyse mee te nemen, kan de invloed van deze stoorzenders eruit gefilterd worden. Dit heet statistische controle. Je zou kunnen zeggen dat het pure effect van de manipulatie hiermee statistisch onder een soort vergrootglas wordt gelegd. 30
    2. Er zijn dus twee manieren om storende ruis te controleren: experimentele controle zoals besproken in thema 4 en statistische controle dat in dit thema aan bod komt. Experimentele controle is meestal te verkiezen boven statistische controle, maar dit is in de praktijk niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij quasi-experimenten. Experimenten waarin geen random toewijzing plaatsvindt, hebben vaak baat bij statistische controle op een of meer variabelen. 30
  153. 153 Een voorbeeld waarbij het zinvol kan zijn om een covariaat op te nemen in de analyse is wanneer er onderzoek wordt gedaan naar het verband tussen roken (factor) en het overlijdensrisico (afhankelijke variabele). Leeftijd heeft namelijk ook invloed op het overlijdensrisico, dat wil zeggen dat leeftijd voor een deel de variantie bepaalt in het overlijdensrisico (de afhankelijke variabele). Door leeftijd in de analyse mee te nemen, wordt deze variantie verklaard door leeftijd uit de variatie in overlijdensrisico gehaald. Vervolgens kun je kijken hoeveel variantie de variabele roken dan nog kan verklaren. 30
  154. 154 Studietaak 5.1 – Covariantieanalyse (ANCOVA) 30
  155. 155 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 30
  156. 156 1. met een ANCOVA de resultaten analyseren van experimentele designs die minstens één interval- of hoger meetniveau predictor bevatten 30
  157. 157 2. de resultaten van een ANCOVA interpreteren 30
  158. 158 3. een ANCOVA rapporten volgens APA-normen 30
  159. 159 4. conclusies op basis van een ANCOVA rapporteren in de discussiesectie van een wetenschappelijk manuscript. 30
  160. 160 1. Met een ANCOVA de resultaten analyseren van experimentele designs die minstens één interval- of hoger meetniveau predictor bevatten: 30
  161. 161 ANCOVA (Analysis of Covariance) combineert elementen van ANOVA en regressie-analyse. Het wordt gebruikt om de effecten van één of meer categorische onafhankelijke variabelen (factoren) op een afhankelijke variabele te analyseren, terwijl rekening wordt gehouden met één of meer continue variabelen (covariaten). 30
  162. 162 Toepassing: ANCOVA is geschikt voor experimentele designs waarbij je bijvoorbeeld een experimentele groep en een controlegroep vergelijkt, maar ook wilt corrigeren voor een continue variabele (bijvoorbeeld baseline-scores of leeftijd). 30
  163. 163 Voorwaarden: 30
  164. 164 De afhankelijke variabele moet op interval- of ratio-niveau zijn. 30
  165. 165 De covariaat moet op interval- of ratio-niveau zijn. 30
  166. 166 Er moet sprake zijn van lineariteit tussen de covariaat en de afhankelijke variabele. 31
  167. 167 Er moet geen interactie zijn tussen de covariaat en de onafhankelijke variabele (homogeniteit van regressieslopes). 31
  168. 168 2. De resultaten van een ANCOVA interpreteren: 31
  169. 169 Hoofdeffecten: Dit zijn de effecten van de categorische onafhankelijke variabelen (factoren) op de afhankelijke variabele, na correctie voor de covariaat(en). 31
  170. 170 Covariaat-effect: Dit geeft aan of de covariaat een significante invloed heeft op de afhankelijke variabele. 31
  171. 171 Interactie-effecten: Als er interacties zijn tussen de factoren en de covariaat, moeten deze worden geïnterpreteerd. 31
  172. 172 Aangepaste gemiddelden: ANCOVA rapporteert gemiddelden die zijn gecorrigeerd voor de invloed van de covariaat, waardoor je een zuiverder beeld krijgt van de groepsverschillen. 31
  173. 173 3. Een ANCOVA rapporteren volgens APA-normen: 31
  174. 174 Statistische notatie: 31
  175. 175 Rapporteer de F-waarde, vrijheidsgraden (tussen en binnen groepen), p-waarde, en effectgrootte (bijv. partiële eta-kwadraat, η²). 31
  176. 176 Voorbeeld: F(1, 45) = 12.34, p < .001, η² = .21. 31
  177. 177 Tekstuele beschrijving: 31
  178. 178 Beschrijf de hoofdeffecten, eventuele interacties, en het effect van de covariaat. 31
  179. 179 Voorbeeld: "Er was een significant hoofdeffect van de experimentele conditie op de afhankelijke variabele, F(1, 45) = 12.34, p < .001, η² = .21, na correctie voor de covariaat." 31
  180. 180 Tabel: 31
  181. 181 Presenteer de resultaten in een tabel met daarin de gemiddelden, standaardfouten, en statistische waarden. 31
  182. 182 4. Conclusies op basis van een ANCOVA rapporteren in de discussiesectie van een wetenschappelijk manuscript: 31
  183. 183 Samenvatting van de bevindingen: 31
  184. 184 Beschrijf kort de belangrijkste resultaten, inclusief de hoofdeffecten en eventuele interacties. 31
  185. 185 Vermeld of de covariaat een significant effect had en hoe dit de interpretatie van de resultaten beïnvloedt. 31
  186. 186 Interpretatie van de resultaten: 31
  187. 187 Leg uit wat de resultaten betekenen in de context van de onderzoeksvraag en de literatuur. 31
  188. 188 Bespreek of de resultaten overeenkomen met verwachtingen of eerder onderzoek. 31
  189. 189 Implicaties en aanbevelingen: 31
  190. 190 Bespreek de theoretische en praktische implicaties van de bevindingen. 31
  191. 191 Geef aanbevelingen voor toekomstig onderzoek, bijvoorbeeld het opnemen van aanvullende covariaten of het onderzoeken van andere interacties. 31
  192. 192 Voorbeeld van een APA-rapportage in de discussiesectie: 31
  193. 193 "De resultaten van de ANCOVA toonden een significant hoofdeffect van de experimentele conditie op de afhankelijke variabele, F(1, 45) = 12.34, p < .001, η² = .21, na correctie voor de covariaat. Dit suggereert dat de interventie een positief effect had op de uitkomstmaat, onafhankelijk van de invloed van de covariaat. Deze bevindingen ondersteunen de hypothese dat [vul hypothese in]. Toekomstig onderzoek zou kunnen onderzoeken of deze effecten generalizeerbaar zijn naar andere populaties of contexten." 31
  194. 194 Studietaak 5.2 – Tutorial ANCOVA 32
  195. 195 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 32
  196. 196 een hypothese en vraagstelling formuleren die past bij een ANCOVA 32
  197. 197 datascreening uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 32
  198. 198 een ANCOVA uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 32
  199. 199 de assumpties van een ANCOVA checken en de uitkomsten daarvan interpreteren 32
  200. 200 de uitkomsten van een ANCOVA volgens de APA-normen rapporteren. 32
  201. 201 Inladen data 32
  202. 202 Codeboek 32
  203. 203 Experimenteel ontwerp 32
  204. 204 Vraagstelling en hypothese 32
  205. 205 Toets bepalen Voor het bepalen van de juiste toets om deze hypothese te onderzoeken, is het belangrijk om te kijken naar het meetniveau van de variabelen (nominaal, ordinaal of interval) en de rol van de variabelen (afhankelijk, onafhankelijk). 32
  206. 206 Een toets die het effect test van een onafhankelijke variabele met nominaal meetniveau met twee niveaus (groepen) op een afhankelijke variabele met interval-/ratiomeetniveau, met daarbij minstens een covariaat, is de (one-way) ANCOVA. 32
  207. 207 Datascreening 32
  208. 208 Onmogelijke waarden 32
  209. 209 Uitbijters 32
  210. 210 ANCOVA heeft dezelfde assumpties als ANOVA, namelijk: 32
  211. 211 De observaties zijn onafhankelijk. Covariaatassumptie #1: onafhankelijkheid manipulatie en covariaten 32
  212. 212 Covariaatassumptie #2: parallelle regressielijnen 32
  213. 213 Ideaal bezien zijn de regressiehellingshoeken van covariaten hetzelfde per conditie. Dit betekent dat de regressielijnen tussen de covariaat en de afhankelijke variabele parallel lopen voor de verschillende condities. Covariaatassumptie #3: verband covariaat en afhankelijke variabele Je gaat nu een beetje heen en weer door de output, maar dat is een beetje de aard van een ANCOVA. Een belangrijke assumptie van covariaten is dat ze een verband hebben met de afhankelijke variabele. De toets van dit verband kun je vinden in de tabel ANOVA Omnibus Tests 32
  214. 214 De residuen zijn normaal verdeeld. Toets van normaliteit van de residuen 32
  215. 215 De varianties tussen groepen zijn gelijk (homogeniteit van varianties). De varianties van de scores binnen de twee populaties waaruit de twee steekproeven (= de twee condities) zijn getrokken, moeten gelijk zijn. Helaas is er geen Welch's ANOVA mogelijk voor ANCOVA indien niet aan deze assumptie voldaan wordt. 32
  216. 216 tabel Homogeneity of Variances Test (Levene's). Dit is de toets voor de homogeniteit (gelijkheid) van varianties tussen groepen. De p-waarde van de Levene's toets is niet significant (p > .05), wat betekent dat de varianties van de twee groepen in de populatie niet significant van elkaar verschillen. Dit houdt in dat de ene groep niet meer variabiliteit in Depressie_t1 vertoond dan de andere groep. Er is dus voldaan aan de assumptie van gelijke varianties. 32
  217. 217 Studietaak 5.3 – Opdracht ANCOVA 33
  218. 218 Beschrijf het experimenteel ontwerp van dit onderzoek. 33
  219. 219 Formuleer een vraagstelling bij dit onderzoek. 33
  220. 220 Formuleer een hypothese bij dit onderzoek. 33
  221. 221 Bepaal de juiste toets voor deze hypothese. Een toets die het effect test van twee onafhankelijke variabelen met nominaal meetniveau op een afhankelijke variabele met interval-/ratiomeetniveau, met daarbij minstens een covariaat, is de factoriële ANCOVA. 33
  222. 222 Filter data van proefpersonen eruit die geen consent gaven voor dit onderzoek. 33
  223. 223 Datascreening: 33
  224. 224 Genereer figuren en een tabel om de variabelen per groep te beschrijven 33
  225. 225 Bepaal of er onmogelijke waarden in de data zitten. 33
  226. 226 Bepaal of er uitbijters zijn. 33
  227. 227 Assumpties checken ANCOVA heeft dezelfde assumpties als ANOVA, namelijk: 33
  228. 228 De observaties zijn onafhankelijk. 33
  229. 229 De residuen zijn normaal verdeeld. 33
  230. 230 De varianties tussen groepen zijn gelijk (homogeniteit van varianties). 33
  231. 231 Daarnaast zijn er ook assumpties over de covariaat: 33
  232. 232 De manipulatie is onafhankelijk van de covariaat. 33
  233. 233 De regressielijnen van de covariaten met de afhankelijke variabele lopen per conditie parallel. 33
  234. 234 Er is een verband tussen de covariaat en de afhankelijke variabele. 33
  235. 235 Check de assumptie van onafhankelijkheid van manipulatie en covariaten. 33
  236. 236 Check de assumptie van parallelle regressielijnen. 33
  237. 237 Check de assumptie van verbanden tussen covariaten en afhankelijke variabele. 33
  238. 238 Check de assumptie van normaal verdeelde residuen. 33
  239. 239 Check de assumptie van gelijke varianties. 33
    1. Analyse, ANCOVA 33
  240. 240 Bepaal of er een significant verschil is tussen de vier groepen in waargenomen gedragscontrole. 33
  241. 241 Voer de simple-effects analyse uit passend bij deze interactie en interpreteer de uitkomst. 33
  242. 242 Bepaal of er een sensitiviteitsanalyse nodig is. 33
  243. 243 Rapporteer de resultaten van de datascreening en de factoriële ANCOVA. 33
  244. 244 Thema 6 – Herhaalde metingen 33
  245. 245 Bij experimenten wordt vaak alleen gedacht aan situaties waarin proefpersonen in groepen (condities) worden ingedeeld, zodat kan worden onderzocht of er een causale relatie bestaat tussen de onafhankelijke variabele (manipulatie) en de afhankelijke variabele. Maar in een experiment hoeven niet per se groepen vergeleken te worden. Bij een binnen-proefpersonenontwerp (in het Engels within-subjects design) krijgen alle proefpersonen alle condities aangeboden. Dit design is de tegenhanger van een tussen-proefpersonenontwerp (between-subjects design), waarbij iedere proefpersoon slechts één conditie aangeboden krijgt. 34
  246. 246 Een within-subjects design wordt ook wel een herhaalde-metingenontwerp of repeated measures design genoemd, omdat onderzoekers gerelateerde metingen van dezelfde proefpersonen in verschillende condities vergelijken. Dezelfde proefpersonen worden dus herhaaldelijk geobserveerd. In een within-subject design kan er herhaaldelijk over de tijd gemeten worden, de zogeheten longitudinale onderzoeken, maar het kan ook betekenen dat er herhaaldelijk gemeten wordt over verschillende experimentele en controlecondities. 34
  247. 247 Een voorbeeld van een within-subjects design is een experiment waarin wordt onderzocht of de kleur op de muur van een kamer invloed heeft op iemands aandacht bij een taak. Iedere proefpersoon wordt in een willekeurige volgorde in een kamer geplaatst met een witte muur, rode muur of groene muur. In iedere kamer maken de deelnemers een puzzel en de prestatie daarop wordt geobserveerd. Na afloop van het experiment heeft de onderzoeker voor iedere proefpersoon drie prestatiescores (witte - rode - groene muur) en kan dus de invloed van de muurkleur op de puzzelprestaties vergelijken. 34
  248. 248 Within-subject designs maken het mogelijk om experimenten te doen met heel weinig deelnemers: in plaats van meer deelnemers heb je meer meetmomenten (maar net zoveel observaties). In het extreemste geval kun je een zogeheten single-case experiment uitvoeren. Dat is een experiment met slechts één of een handjevol proefpersonen. In ruil voor zo'n laag aantal proefpersonen wordt er bijzonder vaak een kleine meting uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan zijn dagboekstudies, waarin proefpersonen soms tien keer per dag een notitie maken van hun gedrag of emotie op dat moment. 34
  249. 249 In dit thema leer je de algemene theorie over single-case experimenten en leer je hoe je een statistische analyse kunt uitvoeren passende bij een experiment met twee of meer herhaalde metingen. Bij twee herhaalde metingen gebruik je de gepaarde t-toets en bij meer dan twee herhaalde metingen de repeated measures ANOVA. Bij experimenten met een combinatie van binnen-proefpersoonvariabelen en tussen-proefpersoonvariabelen gebruik je de mixed-design ANOVA. 34
  250. 250 Studietaak 6.1 – Single-case designs 34
  251. 251 Na het bestuderen van deze studietaak weet je 34
  252. 252 wat een single case design (SCD) is 34
  253. 253 waarom een SCD wordt gebruikt 34
  254. 254 wat belangrijke voorwaarden zijn voor een SCD. 34
  255. 255 Samenvatting CHAT 34
  256. 256 1. Wat een single case design (SCD) is: 34
  257. 257 Een single case design (SCD), ook wel single subject design genoemd, is een onderzoeksmethode waarbij het gedrag of de uitkomsten van één individu (of een kleine groep individuen) over tijd worden bestudeerd onder gecontroleerde omstandigheden. Het doel is om causale verbanden te identificeren tussen een interventie en een uitkomst. 34
  258. 258 Kenmerken: 34
  259. 259 Er wordt vaak gewerkt met een baseline-fase (A) en een interventie-fase (B), en soms worden extra fasen toegevoegd (bijv. terugkeer naar baseline of een nieuwe interventie). 35
  260. 260 De data worden herhaaldelijk gemeten over tijd, waardoor trends en patronen zichtbaar worden. 35
  261. 261 Het ontwerp is zeer geschikt voor het testen van interventies in klinische, educatieve of gedragsmatige contexten. 35
  262. 262 Voorbeelden van SCD-types: 35
  263. 263 AB-ontwerp: Baseline (A) gevolgd door interventie (B). 35
  264. 264 ABA-ontwerp: Baseline (A), interventie (B), en terugkeer naar baseline (A). 35
  265. 265 ABAB-ontwerp: Herhaling van de AB-fasen om het effect van de interventie verder te valideren. 35
  266. 266 Multiple baseline design: De interventie wordt op verschillende tijdstippen ingevoerd bij verschillende individuen, gedragingen of situaties. 35
  267. 267 2. Waarom een SCD wordt gebruikt: 35
  268. 268 Single case designs worden om verschillende redenen gebruikt, vooral in situaties waar traditionele groepsstudies niet geschikt of haalbaar zijn: 35
  269. 269 1. Individuele verschillen: 35
  270. 270 SCD’s zijn ideaal voor het bestuderen van individuele reacties op een interventie, vooral wanneer er grote variatie tussen individuen bestaat. 35
  271. 271 2. Klinische of praktische toepassingen: 35
  272. 272 In de klinische psychologie, gedragstherapie of onderwijs wordt SCD vaak gebruikt om de effectiviteit van een interventie voor een specifiek individu te evalueren. 35
  273. 273 3. Kleine steekproeven: 35
  274. 274 SCD’s zijn geschikt wanneer het moeilijk is om een grote groep deelnemers te vinden, bijvoorbeeld bij zeldzame aandoeningen of specifieke gedragsproblemen. 35
  275. 275 4. Hoge interne validiteit: 35
  276. 276 Door herhaalde metingen en controle over externe variabelen kunnen SCD’s sterke causale conclusies trekken over het effect van een interventie. 35
  277. 277 5. Flexibiliteit: 35
  278. 278 Het ontwerp kan worden aangepast aan de behoeften van het individu, waardoor het zeer praktisch is in real-world settings. 35
  279. 279 3. Wat belangrijke voorwaarden zijn voor een SCD: 35
  280. 280 Om een single case design valide en betrouwbaar te maken, moeten aan een aantal voorwaarden worden voldaan: 35
  281. 281 1. Herhaalde metingen: 35
  282. 282 Gedrag of uitkomsten moeten meerdere keren worden gemeten tijdens zowel de baseline- als de interventiefase. Dit maakt het mogelijk om trends en variabiliteit te analyseren. 35
  283. 283 2. Stabiele baseline: 35
  284. 284 Voordat de interventie start, moet de baseline-fase stabiel zijn (d.w.z. weinig variatie in de data). Dit helpt om veranderingen tijdens de interventiefase beter te kunnen interpreteren. 35
  285. 285 3. Controle over confounding variabelen: 35
  286. 286 Externe factoren die de uitkomst kunnen beïnvloeden, moeten zoveel mogelijk worden gecontroleerd om interne validiteit te waarborgen. 35
  287. 287 4. Duidelijke interventieprotocollen: 35
  288. 288 De interventie moet duidelijk omschreven en consistent worden toegepast, zodat eventuele veranderingen aan de interventie kunnen worden toegeschreven. 36
  289. 289 5. Visuele en statistische analyse: 36
  290. 290 Data worden vaak visueel geanalyseerd (bijv. via grafieken) om trends en patronen te identificeren. Daarnaast kunnen statistische methoden (bijv. effectgrootteberekeningen) worden gebruikt om de resultaten te ondersteunen. 36
  291. 291 6. Replicatie: 36
  292. 292 Om de generaliseerbaarheid van de resultaten te vergroten, wordt het SCD vaak herhaald bij meerdere individuen, gedragingen of situaties (bijv. in een multiple baseline design). 36
  293. 293 Samenvatting: 36
  294. 294 Een single case design (SCD) is een onderzoeksmethode waarbij één individu of een kleine groep over tijd wordt bestudeerd om causale verbanden tussen een interventie en een uitkomst te identificeren. 36
  295. 295 Het wordt gebruikt vanwege zijn geschiktheid voor individuele verschillen, klinische toepassingen, kleine steekproeven, hoge interne validiteit en flexibiliteit. 36
  296. 296 Belangrijke voorwaarden zijn onder andere herhaalde metingen, een stabiele baseline, controle over confounding variabelen, duidelijke interventieprotocollen, en visuele en statistische analyse. 36
  297. 297 Studietaak 6.2 – Herhaalde metingen ANOVA 36
  298. 298 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 36
  299. 299 1. toelichten wat een herhaalde metingen ANOVA en een mixed-design ANOVA zijn en wanneer deze worden gebruikt 36
  300. 300 2. de assumpties van een herhaalde metingen ANOVA benoemen 36
  301. 301 3. de uitkomsten en effectgrootte van een herhaalde metingen ANOVA interpreteren 36
  302. 302 4. de uitkomsten en effectgrootte van een mixed-design ANOVA interpreteren 36
  303. 303 5. de voordelen benoemen van multilevelanalyse ten opzichte van herhaalde metingen ANOVA. 36
  304. 304 1. Toelichten wat een herhaalde metingen ANOVA en een mixed-design ANOVA zijn en wanneer deze worden gebruikt: 36
  305. 305 Herhaalde metingen ANOVA: 36
  306. 306 Definitie: Een herhaalde metingen ANOVA (Repeated Measures ANOVA) is een statistische techniek die wordt gebruikt om de gemiddelden van drie of meer onderling gerelateerde groepen te vergelijken. Het wordt gebruikt wanneer dezelfde deelnemers onder meerdere omstandigheden (tijdstippen, behandelingen, etc.) worden gemeten. 36
  307. 307 Gebruik: 36
  308. 308 Bij longitudinaal onderzoek, waarbij dezelfde personen op meerdere tijdstippen worden gemeten. 36
  309. 309 Bij experimenten waarbij deelnemers aan alle condities deelnemen (within-subjects design). 36
  310. 310 Voorbeelden: Het meten van de effectiviteit van een training over tijd, of het vergelijken van prestaties onder verschillende experimentele condities. 36
  311. 311 Mixed-design ANOVA: 36
  312. 312 Definitie: Een mixed-design ANOVA combineert elementen van een herhaalde metingen ANOVA en een between-subjects ANOVA. Het wordt gebruikt wanneer er zowel within-subjects factoren (herhaalde metingen) als between-subjects factoren (groepsverschillen) zijn. 36
  313. 313 Gebruik: 37
  314. 314 Bij onderzoek waarbij dezelfde deelnemers op meerdere tijdstippen worden gemeten, maar waarbij ook groepsverschillen (bijv. experimentele groep vs. controlegroep) worden onderzocht. 37
  315. 315 Voorbeelden: Het vergelijken van de effectiviteit van een behandeling tussen twee groepen over tijd. 37
  316. 316 2. De assumpties van een herhaalde metingen ANOVA benoemen: 37
  317. 317 Een herhaalde metingen ANOVA gaat uit van de volgende assumpties: 37
  318. 318 1. Normaliteit: De afhankelijke variabele moet normaal verdeeld zijn voor elke combinatie van de within-subjects factoren. 37
  319. 319 2. Sfericiteit: De varianties van de verschillen tussen alle paren van gerelateerde condities moeten gelijk zijn. Als deze assumptie wordt geschonden, moet een correctie (bijv. Greenhouse-Geisser of Huynh-Feldt) worden toegepast. 37
  320. 320 3. Interval- of ratio-schaalniveau: De afhankelijke variabele moet op interval- of ratio-niveau zijn gemeten. 37
  321. 321 4. Geen ontbrekende data: Alle deelnemers moeten op alle tijdstippen of condities zijn gemeten. Als er ontbrekende data zijn, moet dit worden aangepakt (bijv. via imputatie). 37
  322. 322 3. De uitkomsten en effectgrootte van een herhaalde metingen ANOVA interpreteren: 37
  323. 323 Hoofdeffecten: 37
  324. 324 Dit zijn de effecten van de within-subjects factor (bijv. tijd of conditie) op de afhankelijke variabele. 37
  325. 325 Voorbeeld: "Er was een significant hoofdeffect van tijd op prestatie, F(2, 30) = 15.67, p < .001, η² = .51." 37
  326. 326 Effectgrootte: 37
  327. 327 Partiële eta-kwadraat (η²) wordt vaak gebruikt om de effectgrootte te rapporteren. Het geeft aan welk deel van de variantie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door de within-subjects factor. 37
  328. 328 Interpretatie: 37
  329. 329 η² = .01: klein effect. 37
  330. 330 η² = .06: middelgroot effect. 37
  331. 331 η² = .14: groot effect. 37
  332. 332 4. De uitkomsten en effectgrootte van een mixed-design ANOVA interpreteren 37
  333. 333 Hoofdeffecten: 37
  334. 334 Within-subjects effect: Het effect van de herhaalde metingen factor (bijv. tijd). 37
  335. 335 Between-subjects effect: Het effect van de groepsfactor (bijv. experimentele groep vs. controlegroep). 37
  336. 336 Interactie-effect: 37
  337. 337 Dit geeft aan of het effect van de within-subjects factor afhangt van de between-subjects factor. 37
  338. 338 Voorbeeld: "Er was een significant interactie-effect tussen tijd en groep, F(2, 60) = 4.56, p = .014, η² = .13." 37
  339. 339 Effectgrootte: 37
  340. 340 Ook hier wordt partiële eta-kwadraat (η²) gebruikt om de effectgrootte te rapporteren. 37
  341. 341 5. De voordelen benoemen van multilevelanalyse ten opzichte van herhaalde metingen ANOVA: 38
  342. 342 Multilevelanalyse (ook wel hiërarchische lineaire modellering of mixed-effects modellering genoemd) heeft verschillende voordelen ten opzichte van herhaalde metingen ANOVA: 38
  343. 343 1. Flexibiliteit in data: 38
  344. 344 Multilevelanalyse kan omgaan met ontbrekende data en ongelijke aantallen metingen per deelnemer, terwijl herhaalde metingen ANOVA volledige data vereist. 38
  345. 345 2. Complexere modellen: 38
  346. 346 Multilevelanalyse kan zowel vaste effecten (fixed effects) als random effects modelleren, waardoor het mogelijk is om individuele verschillen in trends over tijd te onderzoeken. 38
  347. 347 3. Betere omgang met afhankelijkheid van data: 38
  348. 348 Herhaalde metingen ANOVA vereist sfericiteit, terwijl multilevelanalyse beter omgaat met afhankelijke metingen binnen dezelfde deelnemer. 38
  349. 349 4. Inclusie van tijd-variërende covariaten: 38
  350. 350 Multilevelanalyse maakt het mogelijk om covariaten die over tijd veranderen (bijv. leeftijd, stemming) in het model op te nemen. 38
  351. 351 5. Efficiëntie: 38
  352. 352 Multilevelanalyse is efficiënter bij het analyseren van grote datasets met complexe hiërarchische structuren (bijv. leerlingen binnen scholen of metingen binnen personen). 38
  353. 353 Samenvatting: 38
  354. 354 Herhaalde metingen ANOVA wordt gebruikt voor within-subjects designs, terwijl mixed-design ANOVA zowel within- als between-subjects factoren combineert. 38
  355. 355 Beide technieken vereisen normaliteit, sfericiteit (voor herhaalde metingen ANOVA), en interval- of ratio-schaaldata. 38
  356. 356 Effectgroottes (η²) worden gebruikt om de praktische significantie van de resultaten te interpreteren. 38
  357. 357 Multilevelanalyse biedt voordelen zoals flexibiliteit, omgang met ontbrekende data, en de mogelijkheid om complexere modellen te schatten. 38
  358. 358 Studietaak 6.3 – Tutorial herhaalde metingen ANOVA 38
  359. 359 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 38
  360. 360 een hypothese en vraagstelling formuleren die past bij een mixed-design ANOVA 38
  361. 361 datascreening uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 38
  362. 362 een mixed-design ANOVA uitvoeren en de uitkomsten daarvan interpreteren 38
  363. 363 de assumpties van een mixed-design ANOVA checken en de uitkomsten daarvan interpreteren 38
  364. 364 de uitkomsten van een mixed-design ANOVA volgens de APA-normen rapporteren. 38
  365. 365 Inladen data 38
  366. 366 Codeboek 38
  367. 367 Labjournaal 38
  368. 368 Experimenteel ontwerp 38
  369. 369 Het experiment heeft een mixed-design: er is een mix van een binnenproefpersonen- en een tussenproefpersonen-factor. 38
  370. 370 Vraagstelling en hypothese 38
  371. 371 Toets bepalen 39
  372. 372 Voor het bepalen van de juiste toets om deze hypothesen te onderzoeken is het belangrijk om te kijken naar het meetniveau van de variabelen (nominaal, ordinaal of interval) en de rol van de variabelen (afhankelijk, onafhankelijk). 39
  373. 373 Je kunt de hypotheses in dit geval toetsen met de repeated measures (RM-)ANOVA omdat er sprake is van een nominale onafhankelijke variabele (BekendheidCBM), bestaande uit twee groepen (Nee en Ja), en een herhaalde meting van reactietijd op vier (binnenproefpersonen-) condities, namelijk parallel, gekruist, divergent en convergent. Deze mix van between- en within-subjects factoren maakt dit een mixed-design: een speciaal geval van een RM-ANOVA. 39
  374. 374 Datascreening 39
  375. 375 Voordat je de mixed-design ANOVA gaat uitvoeren, inspecteer je eerst de data. Per groep en per herhaalde meting kijk je wat de verdeling van de data is, of er onmogelijke waarden zijn en of er uitbijters zijn. 39
  376. 376 Assumpties checken 39
  377. 377 De repeated measures ANOVA, of in dit geval de mixed-design ANOVA, vanwege een combinatie van within- en between-subject factoren, heeft de volgende assumpties: 39
  378. 378 1. De residuen zijn normaal verdeeld. 39
  379. 379 2. De verschilscores van de varianties tussen de herhaalde metingen zijn gelijk (sfericiteit) 39
  380. 380 3. De varianties tussen groepen zijn gelijk (homogeniteit van varianties). 39
  381. 381 Sfericiteit 39
  382. 382 Helaas is er geen Welch ANOVA mogelijk voor RM-ANOVA indien niet aan deze assumptie wordt voldaan. 39
  383. 383 In de output onder de subkop Assumptions zie je een tabel Homogeneity of Variances Test (Levene's) Dit is de toets voor de homogeniteit (gelijkheid) van varianties tussen groepen 39
  384. 384 Analyse 39
  385. 385 Mixed-design ANOVA 39
  386. 386 De RM-ANOVA, zeker in het geval van een mixed-design (een combinatie van within- èn between-subject factoren) kan overweldigend veel output opleveren. Het is daarom zinvol om nu al te kijken naar de output van de omnibustoetsen, dus de algemene effecten. Dat maakt het makkelijker om in een verdiepingsfase gericht extra output op te vragen. 39
  387. 387 Between subject effects 39
  388. 388 Het is je waarschijnlijk opgevallen dat in de output onder de tabel met within-subject effects er ook een tabel met Between Subject Effects is weergegeven. Deze tabel geeft het effect weer van de between-subject factor (in dit geval BekendheidCBM) gemiddeld over de within-subject factor. 39
  389. 389 Post-hoc-testen voor Lijntype 39
  390. 390 Het hoofdeffect van Lijntype was significant. De vraag die je vervolgens moet beantwoorden is: welke lijntypes verschillen van elkaar in reactietijd? In jamovi is het niet mogelijk om contrasten op te stellen voor within-subject factoren. Om deze reden kijk je nu enkel naar de post-hoc-testen. Tukey 39
  391. 391 Visualisatie van de interactie tussen het lijntype en bekendheid met CBM 40
  392. 392 Hoewel het interactie-effect van Lijntype en BekendheidCBM niet significant was, heb je de figuur met de interactie wel nodig om in een verslag de lezer te informeren over het niet-significante effect. 40
  393. 393 De figuur maakt helder waarom de between-subject effects en de interactie tussen within- en between-subjects niet significant waren en dat de effectgroottes (zeer) zwak waren: de lijnen van de twee groepen BekendheidCBM overlappen nagenoeg. 40
  394. 394 Simple-effects analyse 40
  395. 395 Hoewel het interactie-effect van Lijntype en BekendheidCBM op reactietijd niet significant was, is het leerzaam om toch de simple-effects analyse uit te voeren. 40
  396. 396 Sensitiviteitsanalyse 40
  397. 397 Zoals eerder aangegeven onder 'Uitbijters' is het zinvol om de analyse te herhalen zonder de uitbijters uit de analyse te halen. Dit kan eenvoudig door de filters niet meer actief te maken. De output zal zich automatisch aanpassen aan de nieuwe data die door het uitzetten van het filter vrijkomen. 40
  398. 398 Rapportage: 40
  399. 399 De rapportage van een RM-ANOVA of mixed-design ANOVA vereist meer aandacht dan een 'normale' ANOVA, omdat de lezer duidelijk moet kunnen herkennen of de rapportage gaat over within-subjects effecten en interacties, of over de between-subject effects. Maak dit dus expliciet in de rapportage. 40
  400. 400 Datascreening 40
  401. 401 Hypothesetoetsen 40
  402. 402 Studietaak 6.4 – Opdracht herhaalde metingen ANOVA 40
  403. 403 Thema 7 – Serious game: Junior scientist 40
  404. 404 De serious game Junior scientist is een verplicht onderdeel van deze cursus en moet volledig worden afgerond. je krijgt hiervoor geen cijfer, maar de game wordt beoordeeld als voldoende of onvoldoende, afhankelijk van de afrondingsstatus. 40
  405. 405 Studietaak 7.1 – Serious game: Junior scientist 41
  406. 406 In de serious game Junior scientist loop je als speler door het gehele onderzoeksproces heen: van experimenteel design tot verdediging voor een commissie. 41
  407. 407 Maak bij het afronden van de serious game een screenshot van het scherm als bewijs van afronding. 41
  408. 408 Thema 8 – Schrijven van een artikel 41
  409. 409 In dit thema leer je de verschillende onderdelen van de eerdere thema’s te combineren tot een samenhangende analyse. Je oefent je vaardigheden in het analyseren van experimentele data. Ook leer je kritisch te reflecteren op de resultaten van een experimenteel onderzoek. Daarnaast dient dit thema als voorbereiding op de tentamenopdracht. De casus die in dit thema behandeld wordt, gaat over het omstandereffect, een fenomeen uit de sociale psychologie over hoe mensen hulp bieden aan anderen. 41
  410. 410 Studietaak 8.1 – Hoe formuleer je een doelstelling, vraagstelling en hypotheses? 41
  411. 411 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 41
  412. 412 een doelstelling van een onderzoek formuleren 41
  413. 413 een vraagstelling van een onderzoek formuleren 41
  414. 414 hypotheses bij een onderzoek formuleren. 41
  415. 415 Hoe formuleer je een doelstelling? 41
  416. 416 De doelstelling bevat informatie over wat je onderzoekt, waarom dit van belang is en wat de mogelijke implicaties zijn van je onderzoek. Je gaat dus concreet in op de theoretische of praktische relevantie van het onderzoek en wat je met de verwachte uitkomsten kunt bereiken. 41
  417. 417 Let bij het formuleren van een doelstelling op de onderstaande aandachtspunten. 41
  418. 418 Ga in op de relevantie van je onderzoek. De relevantie kan theoretisch of praktisch zijn of allebei. Bij theoretische relevantie ga je op zoek naar hiaten in de huidige stand van kennis (wat is er nog niet bekend?) waar jouw studie antwoord op gaat geven. Bij praktische relevantie ga je in op het belang van het onderwerp voor de maatschappij en op hoe de resultaten van jouw onderzoek kunnen bijdragen aan een verbetering van een maatschappelijke toestand. 41
  419. 419 Maak de implicaties van de doelstelling concreet. Wat precies kun je met de verwachte resultaten? Wees hier zo specifiek mogelijk in. Bijvoorbeeld, de uitspraak ‘Op basis van deze resultaten kan er advies gegeven worden aan gezondheidsinstellingen’ is te vaag. Advies omtrent wat? Hoe zou een interventie er precies uitzien in de praktijk als jouw verwachtingen uitkomen? 41
  420. 420 Wees beknopt en to-the-point. Ideaal bezien is de onderbouwing van de relevantie al in de inleiding gegeven en vormt de doelstelling een beknopte synthese van de verwachte bijdrage van de (voorgenomen) studie. 41
  421. 421 Hoe formuleer je een vraagstelling? 41
  422. 422 Een vraagstelling of onderzoeksvraag vat de centrale vraag van je onderzoek samen waarop je middels het onderzoeksdesign en je analyses een antwoord probeert te vinden. De vraagstelling moet in de discussiesectie worden beantwoord. 41
  423. 423 Let bij het formuleren van een vraagstelling op de onderstaande aandachtspunten: 41
  424. 424 De vraagstelling is geformuleerd als een vraag en eindigt met een vraagteken. 42
  425. 425 De vraagstelling bevat alle centrale variabelen en ook alle condities. Bijvoorbeeld, de vraag ‘Wat is het effect van lesmethode A op wiskundeprestaties?’ volstaat niet. Hier moet ‘in vergelijking met lesmethode B’ aan worden toegevoegd (mits er ook daadwerkelijk een vergelijking plaatsvindt). 42
  426. 426 De vraagstelling bevat een doelpopulatie. Dit is de populatie waarnaar je je onderzoek probeert te generaliseren (bijvoorbeeld ‘onder Nederlandse adolescenten’). 42
  427. 427 Als een interactie in het onderzoek centraal staat, dan moet deze ook duidelijk uit de vraagstelling blijken. Gebruik hierbij precieze formuleringen zoals ‘neemt dit effect toe naarmate …’ of ‘en is dit effect groter bij …’. Voorkom bij experimentele designs vage formuleringen zoals ‘wat is de rol van …’. 42
  428. 428 Met het onderzoeksdesign van de studie moet het mogelijk zijn om de vraagstelling te beantwoorden. Gebruik dus alleen causale taal (beïnvloeden, effect enzovoort) als je studie een experimenteel design heeft. Bij cross-sectionele studies spreek je over verbanden. 42
  429. 429 Hoe formuleer je hypotheses? 42
  430. 430 In een hypothese formuleer je de verwachtingen over de uitkomsten van je analyses. 42
  431. 431 Let bij het formuleren van hypotheses op de onderstaande aandachtspunten: 42
  432. 432 Een hypothese is precies geformuleerd en kan ideaal bezien met één toetsstatistiek worden aangenomen of verworpen. Als je te veel verbanden in één hypothese opneemt, dan wordt het moeilijk om deze op basis van de uitkomsten aan te nemen of te verwerpen. 42
  433. 433 Een hypothese bestaat uit één heldere zin. Vermijdt dus onnodig ingewikkelde zinsconstructies; ook een toelichting zou niet nodig moeten zijn. 42
  434. 434 Een hypothese geeft een richting aan (bijvoorbeeld positief of negatief, groter of kleiner dan, enzovoort). Voorkom dus dat je het enkel over verschillen hebt zonder te specificeren hoe de onderzoeksgroepen precies van elkaar verschillen. 42
  435. 435 Een hypothese benoemt alle experimentele condities waarmee wordt vergeleken. Bijvoorbeeld, ‘Y is hoger in groep 1’ volstaat niet, hier moet ‘in vergelijking met groep 2’ aan worden toegevoegd. 42
  436. 436 In een hypothese moet duidelijk zijn of je een gemiddeld effect verwacht of een verandering over de tijd (bijvoorbeeld groei of daling). 42
  437. 437 Een hypothese moet aansluiten bij het onderzoeksdesign en bij de analyses. Je kunt bijvoorbeeld geen groei onderzoeken in een experiment dat enkel één meting bevat. 42
  438. 438 Een interactiehypothese maakt duidelijk hoe de combinatie van twee variabelen het effect op de afhankelijke variabele verandert. Hier wordt vaak onjuist een additief effect beschreven, bijvoorbeeld ‘het effect is het sterkst in de conditie medicijn (ten opzichte van placebo) en de conditie therapie (ten opzichte van wachtlijst)’. Het zou hier net zo goed om een optelling van de hoofdeffecten van medicijn en therapie kunnen gaan. Beschrijf dus hoe het effect van de ene conditie verschilt als functie van een andere variabele. 42
  439. 439 Vervolg van een artikel 42
  440. 440 Na de inleiding waarin bovenstaande onderdelen worden beschreven, volgen de methoden, resultaten en discussie. Hoe je een discussie schrijft, wordt in de volgende opdracht besproken. Voor de overige onderdelen zijn specifieke websites beschikbaar. 42
  441. 441 Samenvatting (abstract) 43
  442. 442 Een samenvatting in een APA-stijl manuscript is een zeer beknopte samenvatting van je onderzoek, waarin je lezers een overzicht geeft van de belangrijkste punten uit je onderzoek. Naast de titel van je onderzoek zal de abstract het meest gelezen worden, en soms is het het enige wat anderen van je artikel lezen. De samenvatting moet om deze reden goed op zichzelf kunnen staan. Hier zijn de belangrijkste elementen en best practices voor het schrijven van een abstract in APA-stijl: 43
  443. 443 Lengte: Een abstract moet doorgaans tussen de 150 en 250 woorden lang zijn. Dit betekent dat je beknopt moet zijn en alleen de essentiële informatie moet opnemen. 43
  444. 444 Kop: Plaats het woord "Abstract" (zonder aanhalingstekens) bovenaan de pagina, gecentreerd en in vetgedrukte letters. 43
  445. 445 Structuur: De abstract moet een duidelijke structuur hebben en de volgende elementen bevatten (in één alinea, zonder subkoppen, tenzij vereist door een tijdschrift): a. Achtergrond: Begin met een korte inleiding die de achtergrond van je onderzoek uitlegt en de context schetst. Waarom is dit onderwerp belangrijk? b. Doelstelling: Geef aan wat het doel van je onderzoek is, inclusief je onderzoeksvraag of hypothese. c. Methoden: Beschrijf beknopt de methodologie die je hebt gebruikt om je onderzoek uit te voeren. Dit omvat deelnemers, procedure, materialen, en eventueel statistische analyses. d. Resultaten: Geef een samenvatting van de belangrijkste resultaten van je onderzoek. Geef numerieke bevindingen weer met relevante statistieken. Probeer niet alleen dat ene significante effect wat je vond te noemen, maar zorg dat de lezer een goed beeld heeft van het totaalplaatje. e. Conclusie: Sluit af met een beknopte conclusie en benadruk de implicaties van je onderzoek en eventuele aanbevelingen voor toekomstig onderzoek. 43
  446. 446 Schrijfstijl: Schrijf in de verleden tijd, maar vermijd de lijdende vorm. Vermijd het gebruik van citaten en afkortingen, tenzij ze algemeen bekend zijn. 43
  447. 447 Duidelijkheid: Wees duidelijk en beknopt in je formulering. Probeer geen jargon of vaktaal te gebruiken die alleen binnen je specifieke onderzoeksgebied bekend is. Houd er rekening mee dat onderzoekers vanuit andere expertises je samenvatting ook nog moeten kunnen begrijpen. 43
  448. 448 Geen nieuwe informatie: Het abstract mag geen nieuwe informatie bevatten die niet in het hoofdtekst van het manuscript wordt behandeld. Het moet een overzicht zijn van wat de lezer in het manuscript kan verwachten. 43
  449. 449 Onthoud dat het doel van een samenvatting is om de lezer snel een idee te geven van de inhoud van je onderzoek en hen te helpen beslissen of ze het volledige manuscript willen lezen. Het moet beknopt, informatief en goed gestructureerd zijn. 43
  450. 450 Studietaak 8.2 – Hoe schrijf je een discussie? 43
  451. 451 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 43
  452. 452 1. de globale structuur van een discussie toepassen bij het schrijven van een wetenschappelijk verslag 43
  453. 453 2. beschrijven hoe uitkomsten van een onderzoek zich vertalen naar de populatie 44
  454. 454 3. beperkingen en aanbevelingen van een studie in een discussiesectie verwerken 44
  455. 455 4. reflecteren op de praktische en theoretische implicaties van een onderzoek. 44
  456. 456 Samenvatting: Hoe schrijf je een discussie? 44
  457. 457 1. Globale structuur van een discussie toepassen 44
  458. 458 De discussie is het laatste deel van een wetenschappelijk artikel en heeft een vaste structuur: 44
  459. 459 1. Samenvatting en interpretatie van de resultaten: 44
  460. 460 Herhaal de vraagstelling en vat de belangrijkste bevindingen samen. 44
  461. 461 Interpreteer de resultaten in relatie tot de hypothese en bestaande theorieën. 44
  462. 462 Vermijd het herhalen van statistische details; focus op de betekenis van de resultaten. 44
  463. 463 2. Beperkingen en aanbevelingen: 44
  464. 464 Bespreek de beperkingen van het onderzoek (bijv. steekproefgrootte, generaliseerbaarheid). 44
  465. 465 Geef aanbevelingen voor vervolgonderzoek. 44
  466. 466 3. Slotconclusie: 44
  467. 467 Trek een algemene conclusie over de onderzoeksvraag. 44
  468. 468 Bespreek de theoretische en praktische implicaties van de bevindingen. 44
  469. 469 De discussie moet als een samenhangend verhaal worden geschreven, waarbij de onderdelen soepel in elkaar overlopen. 44
  470. 470 2. Uitkomsten vertalen naar de populatie 44
  471. 471 In de discussie generaliseer je de resultaten van de steekproef naar de populatie. 44
  472. 472 Gebruik de tegenwoordige tijd om uitspraken te doen over de populatie (bijv. "In de populatie is er een verband tussen slaap en cognitieve prestaties"). 44
  473. 473 Let op: beperkingen in de steekproef (bijv. selectiebias) kunnen de generaliseerbaarheid beïnvloeden. 44
  474. 474 3. Beperkingen en aanbevelingen verwerken 44
  475. 475 Beperkingen: 44
  476. 476 Bespreek tekortkomingen in het onderzoeksdesign (bijv. interne en externe validiteit). 44
  477. 477 Benoem hoe deze beperkingen de interpretatie van de resultaten beïnvloeden. 44
  478. 478 Voorbeeld: "De steekproef bestond alleen uit volwassenen tussen 25-35 jaar, wat de generaliseerbaarheid naar andere leeftijdsgroepen beperkt." 44
  479. 479 Aanbevelingen: 44
  480. 480 Geef suggesties voor vervolgonderzoek om de beperkingen aan te pakken. 44
  481. 481 Richt je op het verkrijgen van aanvullende inzichten in het causale mechanisme. 44
  482. 482 4. Reflecteren op praktische en theoretische implicaties 44
  483. 483 Praktische implicaties: 44
  484. 484 Bespreek hoe de bevindingen kunnen worden toegepast in de praktijk. 44
  485. 485 Voorbeeld: "Mindfulness-interventies kunnen worden ingezet om emotieregulatie bij angststoornissen te verbeteren." 45
  486. 486 Theoretische implicaties: 45
  487. 487 Leg uit hoe de resultaten bijdragen aan de bestaande theorie. 45
  488. 488 Bespreek of de theorie moet worden aangepast of uitgebreid. 45
  489. 489 Voorbeeld: "Onze bevindingen ondersteunen de theorie dat slaap een directe invloed heeft op cognitieve prestaties." 45
  490. 490 Valkuilen bij het schrijven van een discussie 45
  491. 491 Resultatensectie herhalen: Vermijd een droge samenvatting; focus op interpretatie en integratie. 45
  492. 492 Steekproef vs. populatie: Maak uitspraken over de populatie, niet alleen over de steekproef. 45
  493. 493 Te stellige conclusies: Wees voorzichtig met stellige uitspraken, vooral bij zwakke resultaten. 45
  494. 494 Irrelevante beperkingen: Bespreek alleen beperkingen die de interpretatie van de resultaten beïnvloeden. 45
  495. 495 Ontbrekende implicaties: Zorg voor een duidelijke conclusie en bespreek zowel praktische als theoretische implicaties. 45
  496. 496 Conclusie 45
  497. 497 De discussie is een cruciaal onderdeel van een wetenschappelijk artikel waarin je de resultaten interpreteert, beperkingen bespreekt, en de implicaties voor theorie en praktijk uitlegt. Door de globale structuur te volgen en valkuilen te vermijden, kun je een heldere en overtuigende discussie schrijven die de waarde van je onderzoek benadrukt. 45
  498. 498 Studietaak 8.3 – Oefenopdracht 45
  499. 499 Na het bestuderen van deze studietaak kun je 45
  500. 500 zelfstandig een doelstelling, onderzoeksvraag en hypotheses opstellen 45
  501. 501 kritisch de integriteit van je data evalueren 45
  502. 502 de beschrijving van de deelnemers en het analyseplan in de methodesectie verwerken 45
  503. 503 de juiste statistische analyse kiezen, uitvoeren en in een wetenschappelijk verslag beschrijven 45
  504. 504 de uitkomsten van de data-analyse en de conclusies hieruit voor de populatie beschrijven volgens APA-richtlijnen. 45
  505. 505 Wat is het doel van het onderzoek? 45
  506. 506 Wat is de centrale vraag van het onderzoek? 45
  507. 507 Formuleer hypotheses over de verwachte effecten die kunnen volgen uit de vraagstelling. 45
  508. 508 Stel alleen hypotheses op over variabelen waarvoor je ook vanuit de theorie (of je eigen redenering) een effect verwacht. Zorg ervoor dat de richting van de hypotheses duidelijk benoemd wordt. 45
  509. 509 Bedenk of het nodig is om covariaten toe te voegen. 45
  510. 510 Methode: - Beschrijf de deelnemers. 45
  511. 511 Gebruik waar mogelijk tabellen of figuren om informatie samen te vatten. Benoem andere achtergrondkenmerken in de tekst. 45
  512. 512 Geef een korte beschrijving van het design dat in dit onderzoek werd gebruikt. 45
  513. 513 Voordat je met de analyse aan de slag gaat, is het belangrijk om te weten of de manipulatie heeft gewerkt, dat wil zeggen of het gevoel van in-groep of uit-groep is geactiveerd (saillant is gemaakt) bij de deelnemers. Beschrijf op welke manier je dit zou kunnen onderzoeken. 45
  514. 514 Resultaten 46
  515. 515 Voer de datascreening uit en rapporteer deze. 46
  516. 516 Voer de manipulatiecheck uit. Interpreteer je resultaat. Heeft de manipulatie naar behoren gewerkt? 46
  517. 517 Voer de hypothesetoetsing uit volgens het plan dat je hebt opgesteld. Beschrijf en interpreteer de resultaten hiervan in het verslag. Gebruik waar nodig tabellen en/of figuren ter verduidelijking of samenvatting van de resultaten. Zorg ervoor dat je alles in APA-stijl rapporteert. 46
  518. 518 Discussie 46
  519. 519 Een goede discussie begint met een herhaling van de doel- en vraagstelling en een samenvatting van de gevonden resultaten. Vervolgens worden de resultaten in een bredere context geplaatst en in verband gebracht met de achterliggende theorie. 46
  520. 520 Beschrijf deze elementen zoals in een wetenschappelijk artikel. 46
  521. 521 Beschrijf enkele zwakke punten van dit onderzoek en geef aan hoe toekomstig onderzoek hierop kan voortbouwen en dit kan verbeteren. 46
  522. 522 Noem enkele praktische en theoretische implicaties van dit onderzoek. 46
  523. 523 Denk hierbij na over de validiteit en de betrouwbaarheid van het onderzoek. 46
  524. 524 Thema 9 – Eindopdracht 46

Document information

Study
Uploaded on
September 28, 2025
Number of pages
46
Written in
2024/2025
Type
Summary
$12.69

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
vivinnevanherel
3.6
(12)
Sold
172
Followers
2
Items
24
Last sold
1 day ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions