Hulpmiddel ter voorbereiding op
een grote vraag uit Hoofdstuk 8
Bijlage aan Hoofdstuk 8_Het zenuwstelsel - Anatomie en
Fysiologie 1
1 Vragen en antwoorden
1.1 Beschrijf de anatomische indeling van het zenuwstelsel
🟨 Centraal zenuwstelsel (CZS) = hersenen (cerebrum, diencephalon,
cerebellum, hersenstam) + ruggenmerg.
🟨 Perifeer zenuwstelsel (PZS) = alle zenuwen buiten CZS: hersenzenuwen en
spinale zenuwen (met hun ganglia) die CZS verbinden met organen/weefsels.
📌 CZS = integratie/ verwerking; PZS = aan- en afvoerbanen tussen CZS en
lichaam.
1.2 Beschrijf de functionele indeling van het zenuwstelsel
🟨 Afferent (sensorisch): info van receptoren → CZS.
🟨 Efferent (motorisch): commando’s CZS → effectoren; splitst in somatisch
(skeletspieren) en autonoom/visceraal (glad/hartspier, klieren).
📌 Autonoom → sympathisch (ortho) en parasympathisch subsystemen.
1.3 Beschrijf de bouw van neuronen (of zenuwcellen)
🟨 Cellichaam (soma) met kern, Nissl-substantie (rER) en mitochondriën.
🟨 Dendrieten: ontvangen signalen; Axon: geleidt actiepotentiaal naar
synapsknoppen.
⚠️ Neuronen delen quasi niet (amitotisch); herstelcapaciteit is beperkt.
1.4 Benoem de neuroglia of steuncellen van het centraal en
perifeer zenuwstelsel, en beschrijf kort hun functie
🟨 CZS: astrocyten (homeostase, BBB), oligodendrocyten (myeline),
ependymcellen (CSV), microglia (fagocytose/immuun).
🟨 PZS: Schwanncellen (myeline rond perifere axonen), satellietcellen (steun in
ganglia).
📌 Myeline ↑ geleidingssnelheid (saltatoire geleiding).
1.5 Beschrijf de functie, de bouw, en een voordeel en nadeel van
de bloedhersenbarrière
🟨 Functie: beschermt neuronen; stabiliseert extracellulaire omgeving; voorkomt
toxines/pathogenen.
🟨 Bouw: capillair endotheel met tight junctions + basaalmembraan +
astrocytaire eindvoetjes.
1
, 🔍 Pro: hoge bescherming en stabiele neurale functie. Contra: beperkt passage
(ook medicatie), dus therapie kan moeilijker doordringen.
1.6 Beschrijf hoe de rustpotentiaal van een neuron tot stand
komt
🟨 Selectieve permeabiliteit: K⁺-lek naar buiten > Na⁺-lek naar binnen.
🟨 Negatieve intracellulaire eiwitten dragen bij aan negatieve lading.
📌 Na⁺/K⁺-ATPase (3 Na⁺ uit, 2 K⁺ in) onderhoudt gradiënten.
1.7 Beschrijf hoe een actiepotentiaal tot stand komt
🟨 Drempel bereikt → snelle opening spanningsgestuurde Na⁺-kanalen
(depolarisatie).
🟨 Inactivatie Na⁺-kanalen + opening K⁺-kanalen (repolarisatie) → nabeh
hyperpolarisatie.
📌 Alles-of-niets; voortgeleiding continu (ongemyeliniseerd) of saltatoir (myeline,
knopen van Ranvier).
1.8 Beschrijf de volgende begrippen: drempelwaarde, refractaire
periode en hyperpolarisatie
🟨 Drempelwaarde: membraanpotentiaal waarop AP wordt getriggerd (vaak
−60/−55 mV).
🟨 Refractaire periode: (absoluut/relatief) tijdsvenster waarin opnieuw vuren niet
of moeilijk kan.
🟨 Hyperpolarisatie: membraanpotentiaal tijdelijk negatiever dan rust (K⁺-efflux
nabeh).
1.9 Beschrijf de bouw van een synaps en de werking van
chemische signaaloverdracht
🟨 Presynaptisch uiteinde met blaasjes; synaptische spleet; postsynaptisch
membraan met receptoren.
🟨 AP → Ca²⁺-instroom presynaptisch → exocytose neurotransmitter →
receptorbinding → EPSP/IPSP.
📌 Signaalbeëindiging via enzymatische afbraak, diffusie of heropname
(reuptake).
1.10 Wat is een neurotransmitter, welke types ken je, en geef
een voorbeeld van elk
🟨 Een neurotransmitter is een chemische boodschapper die door het
presynaptisch neuron in de synaptische spleet wordt vrijgesteld bij Ca²⁺-instroom
en die bindt aan specifieke receptoren op het postsynaptisch membraan om de
membraanpotentiaal te wijzigen (exciteren of inhiberen).
📌 Criteria: wordt in het neuron gesynthetiseerd; opgeslagen in synaptische
blaasjes; vrijgesteld bij presynaptische depolarisatie/Ca²⁺; werkt op specifieke
receptoren; heeft een beëindigingsmechanisme (enzymafbraak, reuptake of
diffusie).
🟨 Exciterend: depolariserend (bv. glutamaat, acetylcholine aan neuromusculaire
junctie).
2