• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 30 pages
Summary

Samenvatting Hoorcolleges - Diagnostische instrumenten in de klinische ontwikkelingspsychologie ()

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 30 pages

Dit is een Nederlandse samenvatting van de stof die gebruikt wordt bij de hoorcolleges van het vak Diagnostische Instrumenten in de Klinische Ontwikkelingspsychologie (DI-KLOP) van psychologie aan de Universiteit Utrecht. Deze samenvatting bevat H2, H6 (§1, 2, 3.1 en 3.2) en H7 (§1 t/m 7.13 en 8) van het boek ‘Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en adolescenten’ van Begeer et al. (2024) (ISBN: 9789024458721); §1.2 van de AST-NIP; en de artikelen Bertie et al. (2025) en Harvey et al. (2022). Met hulp van deze samenvatting heb ik een 7,5 gehaald voor het tentamen. Dit is een uitgebreide samenvatting waarin alles wat besproken wordt in de hoorcolleges terugkomt, maar in een begrijpelijke, verkorte vorm.

Content preview

DI-KLOP – aantekeningen boek, AST-NIP en artikelen

H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
Waarom is theoretische kennis binnen de psychodiagnostiek belangrijk?
 Deze kennis wordt toegepast bij het formuleren van hypotheses in de fase van
probleemherkenning, bij het toetsen daarvan in de fase van probleemdefiniëring
en bij het kiezen van een interventie.
De psychodiagnostiek is een multidisciplinair proces, waarin elke discipline
uitgaat van diens eigen referentiekaders en hanteert daarbinnen ontwikkelde
criteria voor wat (ab)normaal gedrag is en gebruikt diens eigen
onderzoekstechnieken.
Het boek bespreekt drie disciplines binnen de psychodiagnostiek van
kind en jeugd:
 Psychiatrie – in deze discipline wordt uitgegaan van het ziektemodel (die
artsen ook gebruiken): het onderkennen van psychopathologie, waarin de
‘ziekte’ centraal wordt gesteld. Echter, omdat het in de psychiatrie gaat
om mentale problemen en niet fysieke problemen, wordt het begrip
‘ziekte’ vervangen door ‘stoornis’, wat verwijst naar problemen in het
persoonlijk, relationeel en/of beroepsmatig functioneren, die lijdensdruk
geven bij het individu en/of de omgeving. Bij mentale problemen bleken de
oorzaken voor specifieke symptomen en het beloop van bepaalde
stoornissen ook veel minder duidelijk te zijn; zo ontstond het begrip
syndroom: een beschrijvende diagnose, bestaande uit een groep
symptomen die met elkaar in min of meer vast verband voorkomen.
In de diagnostiek is het van belang de symptomen en het beloop van die
symptomen te herkennen als kenmerkend voor een bepaalde stoornis.
 De psychiatrie maakt dus gebruik van classificatiesystemen (DSM),
differentiaaldiagnoses (verschil maken tussen de ene stoornis en de
andere) en er kan sprake zijn van comorbiditeit (gelijktijdig voorkomen van
twee of meer stoornissen).
De waarde van het classificatiesysteem ligt vooral in de standaardisering
van termen, waardoor duidelijk is wat iemand bedoelt met ‘depressie’, wat
communicatie in zowel onderzoek als met ouders vergemakkelijkt.
 Ontwikkelingspsychologie – in deze discipline wordt aandacht besteed
aan het verloop van de ontwikkeling; hoe het ontwikkelingsproces
begrepen kan worden en welke condities het ontwikkelingsproces op een
positieve of negatieve wijze beïnvloeden. Wetenschappelijk onderzoek
richt zich op ontwikkelingsprocessen (perceptie, cognitie etc.),
ontwikkelingsfasen (bijv. die van Piaget) en de volgorde van deze fasen
gedurende de levensloop.
Ontwikkeling verloopt zowel continu als discontinu: fasen ontstaan door de
onderlinge interactie van verschillende ontwikkelingsprocessen, die elk
continu ontwikkelen. Hierbij gaat het zowel om processen binnen het
individu, als om de interactie tussen het individu en de fysieke en sociaal-
emotionele omgeving.
 De ontwikkelingspsychologie maakt gebruik van tests en vragenlijsten
(ASEBA, CBCL etc.) om algemene of specifieke aspecten van de verstoorde
ontwikkeling te meten. Voordeel: maakt de ernst van de klachten

, meetbaar en plaatst ze op een continuüm, die een aanleiding kunnen
vormen voor een gesprek. Nadeel: de interactie met de omgeving wordt
door tests en vragenlijsten minder goed meegenomen.
 Orthopedagogiek – in deze discipline wordt aandacht besteed aan
opvoeding en onderwijs, met name voor kwetsbare kinderen en gezinnen.
Hierin wordt wetenschappelijke kennis bruikbaar gemaakt voor de praktijk
en praktijkervaringen benut om wetenschappelijke kennis verder te
ontwikkelen. Orthopedagogiek richt zich op ‘specifiek opvoeden’, het
‘bieden van opvoedingshulp aan betrokkenen bij een (dreigende)
opvoedingsstagnatie, met als doel ‘herstel van het gewone leven’.
 De orthopedagogiek maakt gebruik van ‘vraaggericht werken’,
gezinsgerichte werkwijzen, schoolgerichte werkwijzen en forensische zorg.
Verder houdt de orthopedagogiek rekening met de normen en waarden in
de context van het gezin, de school en de maatschappij, naast een meer
empirische oriëntatie.
Orthopedagogiek maakt gebruik van meetinstrumenten die het ouder- en
gezinsfunctioneren in kaart brengen, die een belangrijke aanvulling
vormen op het vaststellen van het functioneren van kinderen.
Verder bespreekt het boek belangrijke theorieën bij de diagnostiek van
kind en jeugd:
 Psychodynamische theorie – problemen uit de vroege kinderjaren
kunnen een belangrijke rol spelen in het ontstaan van latere problematiek.
In deze theorie bestaat het ‘zelf’ uit het ‘id’, ‘superego’ en ‘ego’ en in de
diagnostiek wordt nadruk gelegd op de conflicten tussen deze drie
krachten.
Intrapsychisch ontwikkeling – de uitkomst van het conflict tussen de
strevingen van het individu (id) en de ontwikkelingstaken waarmee het
vanuit de buitenwereld wordt geconfronteerd (superego, ook wel het
geweten). Het ego is de bemiddelaar tussen het id en het superego, die
gedrag organiseert en er later in de ontwikkeling over reflecteert.
 De psychodynamische theorie besteedt veel aandacht aan
ambivalenties in belevingen en relaties, omdat dit duidelijk maakt wat voor
conflicten hebben plaatsgevonden in het verleden (aangezien ieder nieuw
conflict wordt beïnvloed door hoe eerdere conflicten zijn opgelost).
De actuele omgeving van het kind, dus zowel personen met wie het kind
zich identificeert als de grotere maatschappelijke context waarin die
opgroeit, is van groot belang in de psychodynamische psychodiagnostiek.
 Gehechtheidstheorie – de relatie tussen het kind en diens opvoeder
bepaalt in hoeverre het kind de wereld durft te exploreren en dus zich
gemakkelijker ontwikkelt. Veilige hechting ontstaat wanneer de opvoeder
sensitief is voor en responsief is op het kind; wanneer het kind het gevoel
heeft dat die in de gaten gehouden wordt en ondersteund wordt wanneer
die exploreert, maar in momenten van stress terug kan vallen op sensitief
responsieve volwassenen, zal het de wereld verder durven te exploreren
en zal het kind gemakkelijker ontwikkelen. Wanneer er sprake is van
‘sensitieve responsiviteit’, leidt dit tot een ‘cirkel van veiligheid’.
De kwaliteit van gehechtheid kan dus zowel een risicofactor als een
beschermende factor zijn voor de psychische gezondheid.

,  Leertheorie – probleemgedrag kan zowel aangeleerd worden door
bepaalde voorafgaande stimuli (antecedente variabelen; klassieke
conditionering), als bekrachtigd worden door erop volgende stimuli
(consequente variabelen; operante conditionering). In de
gedragsdiagnostiek wordt dus nagegaan welke factoren probleemgedrag
uitlokken of bekrachtigen.
De probleemgedragingen hoeven niet alleen maar extern te zijn, het
kunnen bepaalde manieren van denken zijn, die worden geanalyseerd in
termen van interne antecedente en interne consequente variabelen.
 Systeemtheorie – theorieën die betrekking hebben op de interactie
tussen het kind en de externe omgeving.
o De ecologische theorie – van Bronfenbrenner; de meest algemene
theorie over de interactie tussen een individu en diens omgeving,
waarin vijf systeemniveaus worden onderscheiden:
 Microsysteem – de groepen waar het kind zelf deel van
uitmaakt (gezin, school, sportclub, vriendengroep etc.). In
zo’n microsysteem gaat het vooral om de ‘setting’ van de
groepen en hoe het kind dit allemaal ervaart.
 Microsystemen zijn proximaal (= liggen dichtbij het kind
zelf) en zijn de snelst veranderende systemen.
 Mesosysteem – betreft de relaties tussen de microsystemen
(bijv. contact van de leerkracht met de ouders).
 Exosysteem – groepen waar het kind niet direct aan
deelneemt, maar wel (indirect) door wordt beïnvloed (werk
van de ouders, sociale voorzieningen, rechtssysteem etc.).
 Exosystemen zijn distaal (= liggen ver van het kind af).
 Macrosysteem – betreft de relaties tussen de exosystemen
(culturele elementen van het land/regio)
 Macrosystemen zijn het meest distaal en traagst
veranderend.
 Chronosysteem – de periode en het tijdperk waarin het kind
opgroeit. Dit betreft kleine en grote veranderingen die invloed
uitoefenen op de ontwikkeling van het kind, op alle andere
niveaus: echtscheiding op microniveau, ingrijpende
technologische veranderingen op macroniveau etc.
o Gezinstherapeutische theorieën – over het gezinssysteem
bestaan verscheidende theorieën:
 Structurele gezinstherapie van Minunchin – het gezin wordt
gezien als een zichzelf organiserend en steeds veranderend
systeem, met hiërarchie, subsystemen (ouders en kinderen)
en partiële systemen (vader-zoonrelatie bijv.). Grenzen tussen
deze subsystemen kunnen vervormd raken door
omstandigheden (wanneer het kind rollen overneemt van de
ouders; parentificatie).
 Theorie van Watzlawick – elk gedrag heeft een
communicatieve waarde en je communiceert dus altijd.
Tegenstrijdigheid tussen het inhoudsniveau (de informatie,
inhoud, of het bericht zelf) en het betrekkingsniveau (hoe de
inhoud opgevat moet worden door de ontvanger en hoe de

Table of contents

  1. 01 H2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek 1
  2. 02 H6 §3.1: combineren van de informatie van verschillende informanten (vragenlijsten) 6
  3. 03 H6 §1 t/m §2 + §3.2: gemeenschappelijke kenmerken van vragenlijsten en interpretatie van de scores 7
  4. 04 AST-NIP §1.2: onderzoeksprocedure 11
  5. 05 H7 §1 t/m 7.13: individueel testonderzoek bij kinderen 17
  6. 06 H7 §8: het analyseren van de testuitslagen 25
  7. 07 Artikel Bertie et al. (2025) 27
  8. 08 Artikel Harvey et al. (2022) 28

Connected book
 image
Publisher: 26 juni 2024 ISBN: 9789024458721 Edition: 9

Document information

Study
Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Hoofdstuk 2, 6 en 7
Uploaded on
August 31, 2025
Number of pages
30
Written in
2024/2025
Type
Summary
$8.90

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
emmavandenakker
4.5
(18)
Sold
218
Followers
35
Items
14
Last sold
1 week ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions