Psychologie
Hoofdstuk 9: Cogniti eve psychologie
Inleiding
Cognitieve psychologie houdt zich bezig met cognitie ->
denken, geheugen, intelligentie (= vermogen om dingen in te
schatten en te redeneren), problemen oplossen en
informatieverwerking.
Er zijn veel bijdragen aan de cognitieve psychologie en we zien
een evolutie
Eerste visie van de mens: mechanistische visie ->
mensen zijn te vergelijken met computer (oorzaak-gevolgredenering)
Later werd de wederzijdse beïnvloeding van omgeving en organisme benadrukt -> circulaire
causaliteit
Nu: mens is een betekenisgever die invloed heeft op zichzelf en de wereld ->
multidisciplinaire studie van cognitie
1) Cognitie
= Wat zich in het bewustzijn afspeelt
Cognitieve psychologie: bestuurd de dingen die je niet kan zien en kijken welke invloed dat heeft op
het gedrag. Bestudeert dingen die niet zichtbaar zijn, wat zich in het bewustzijn afspeelt (onderaan
de ijsschots onder water)
Beginpunt: boek ‘Cognitive Psychology’ van Ulrich Neisser uit 1967
Belang van schema’s (= bv: een beeld of schema in je hoofd van het uitzicht van een stoel,
genderschema, schema over jezelf -> wie ben je…) (‘kennisstructuren’)
Mensen leren -> dat leren resulteert in kennisstructuren/cognitieve schema’s
Schema’s:
= Geheel van kennis en opvattingen (hoe je een kurkentrekker gebruikt, wat je mening is
over vluchtelingen die asiel aanvragen, hoe je een bladzijde moet omslaan,… -> zitten vervat
in schema)
Functie: verwerken van onoverzichtelijke informatiestromen
Ze zijn de O in het schema -> Sd-O-R-Sr
Hebben invloed op verschillende delen van informatieverwerking -> ze bepalen aan welke
info je aandacht besteed en hoe we over die dingen denken -> hebben een invloed op
herinneringen en organisatie van ons geheugen
Onze kennis wordt georganiseerd in schema’s of associatieve netwerken
Schema’s worden ontwikkeld op basis van ervaring en cognitieve verwerking
Beïnvloeden onze aandacht, herinneringen, beoordeling
Schema’s zorgen ervoor dat wij op een bepaalde manier beoordelen en interpreteren
Doel : begrijpen van de werkelijkheid, generaliseren, reduceren, selecteren en interpreteren
van info
Aantal belangrijke theoretische bijdragen aan de cognitieve psychologie:
1.1. Inner speech (=innerlijke spraak)
, Psycholinguïstische school met Aleksandt Luria en Lev Vygotsky
benadrukt dat leerprocessen bij kinderen onder verbale controle staan,
3 stappen/fasen:
1. Ondersteuning van andere -> ouders zeggen hoe het moet
2. Kind stuurt eigen gedrag door luidop te praten (egocentric
speech)
3. Hardop praten inruilen voor innerlijke spraak (inner speech)
o Je kunt jezelf stimuleren maar ook jezelf onderuit halen
o Zelfinstructie/RET/G-denken
Zien dit ook bij volwassenen
1.2. Latent leren: experiment Tolman
= Onzichtbaar leren; leren dat zich voordoet, dat je niet kan zien en waarnemen zonder dat er een
aanleiding is om dat gedrag te stellen (= een vorm van leren die niet direct tot uiting komt in een
openlijke reactie)
Edward C. Tolman
Situatie waar subject zich bevindt = stimulus
Als proefdier in doolhog loopt worden verschillende elementen van doolhof opgenomen als
stimulu en ontstaat er patroon tussen die stimilu -> patroon= cognitieve kaart (cognitive
map) -> een representatie van de kennis over de omgeving
Dit leerproces komt tot stand zonder beloning
Ratten in een doolhof
Ratten moesten individueel door doolhof lopen
Snelheid van het doorlopen en/of aantal gemaakte fouten werden genoteerd
3 onderzoeks-condities :
o Groep 1: Ratten kregen geen voedsel in de doelbox (geen beloning)
o Groep 2: Werd wel voedsel in doelbox gelegd (beloning)
o Groep 3: Eerste 10 dagen van het onderzoek geen voedsel daarna wel (werden
beloond na 11e poging)
Ratten krijgen geen
beloning
Ratten krijgen altijd
beloning
Hoofdstuk 9: Cogniti eve psychologie
Inleiding
Cognitieve psychologie houdt zich bezig met cognitie ->
denken, geheugen, intelligentie (= vermogen om dingen in te
schatten en te redeneren), problemen oplossen en
informatieverwerking.
Er zijn veel bijdragen aan de cognitieve psychologie en we zien
een evolutie
Eerste visie van de mens: mechanistische visie ->
mensen zijn te vergelijken met computer (oorzaak-gevolgredenering)
Later werd de wederzijdse beïnvloeding van omgeving en organisme benadrukt -> circulaire
causaliteit
Nu: mens is een betekenisgever die invloed heeft op zichzelf en de wereld ->
multidisciplinaire studie van cognitie
1) Cognitie
= Wat zich in het bewustzijn afspeelt
Cognitieve psychologie: bestuurd de dingen die je niet kan zien en kijken welke invloed dat heeft op
het gedrag. Bestudeert dingen die niet zichtbaar zijn, wat zich in het bewustzijn afspeelt (onderaan
de ijsschots onder water)
Beginpunt: boek ‘Cognitive Psychology’ van Ulrich Neisser uit 1967
Belang van schema’s (= bv: een beeld of schema in je hoofd van het uitzicht van een stoel,
genderschema, schema over jezelf -> wie ben je…) (‘kennisstructuren’)
Mensen leren -> dat leren resulteert in kennisstructuren/cognitieve schema’s
Schema’s:
= Geheel van kennis en opvattingen (hoe je een kurkentrekker gebruikt, wat je mening is
over vluchtelingen die asiel aanvragen, hoe je een bladzijde moet omslaan,… -> zitten vervat
in schema)
Functie: verwerken van onoverzichtelijke informatiestromen
Ze zijn de O in het schema -> Sd-O-R-Sr
Hebben invloed op verschillende delen van informatieverwerking -> ze bepalen aan welke
info je aandacht besteed en hoe we over die dingen denken -> hebben een invloed op
herinneringen en organisatie van ons geheugen
Onze kennis wordt georganiseerd in schema’s of associatieve netwerken
Schema’s worden ontwikkeld op basis van ervaring en cognitieve verwerking
Beïnvloeden onze aandacht, herinneringen, beoordeling
Schema’s zorgen ervoor dat wij op een bepaalde manier beoordelen en interpreteren
Doel : begrijpen van de werkelijkheid, generaliseren, reduceren, selecteren en interpreteren
van info
Aantal belangrijke theoretische bijdragen aan de cognitieve psychologie:
1.1. Inner speech (=innerlijke spraak)
, Psycholinguïstische school met Aleksandt Luria en Lev Vygotsky
benadrukt dat leerprocessen bij kinderen onder verbale controle staan,
3 stappen/fasen:
1. Ondersteuning van andere -> ouders zeggen hoe het moet
2. Kind stuurt eigen gedrag door luidop te praten (egocentric
speech)
3. Hardop praten inruilen voor innerlijke spraak (inner speech)
o Je kunt jezelf stimuleren maar ook jezelf onderuit halen
o Zelfinstructie/RET/G-denken
Zien dit ook bij volwassenen
1.2. Latent leren: experiment Tolman
= Onzichtbaar leren; leren dat zich voordoet, dat je niet kan zien en waarnemen zonder dat er een
aanleiding is om dat gedrag te stellen (= een vorm van leren die niet direct tot uiting komt in een
openlijke reactie)
Edward C. Tolman
Situatie waar subject zich bevindt = stimulus
Als proefdier in doolhog loopt worden verschillende elementen van doolhof opgenomen als
stimulu en ontstaat er patroon tussen die stimilu -> patroon= cognitieve kaart (cognitive
map) -> een representatie van de kennis over de omgeving
Dit leerproces komt tot stand zonder beloning
Ratten in een doolhof
Ratten moesten individueel door doolhof lopen
Snelheid van het doorlopen en/of aantal gemaakte fouten werden genoteerd
3 onderzoeks-condities :
o Groep 1: Ratten kregen geen voedsel in de doelbox (geen beloning)
o Groep 2: Werd wel voedsel in doelbox gelegd (beloning)
o Groep 3: Eerste 10 dagen van het onderzoek geen voedsel daarna wel (werden
beloond na 11e poging)
Ratten krijgen geen
beloning
Ratten krijgen altijd
beloning