WONDZORG
ANATOMIE EN FYSIOLOGIE VAN DE HUID
Functies van de huid
Bescherming
Koude, hitte en irradiatie
Mechanische invloeden
Chemische substanties
Micro-organismen
Thermoregulatie
Absorptie
Sensorische functie
PATHOFYSIOLOGIE 4 FASEN
EXTRACELLULAIRE MATRIX
Interactie tussen de cellen en de matrixcomponenten door
verschillende mediatoren. Het is een term die gebruikit wordt
om structuren aan te duiden die deel uitmaken van biologische
weefsels maar zich buiten de cellen bevinden. De extracellulaire
matrix biedt stevigheid en structuur aan weefsels. Met name
bindweefsel en botweefsel kenmerken zich door de aanwezigheid
van een uitgebreide extracellulaire matrix, beiden met een eigen
karakteristieke structuur
Bestaat uit langgerekte, vezelachtige eiwitten zoals collageen,
fibronectines en elastines en uit glycosaminoglycanen (lange
ketens van suiker)
1
,Pathofysiologie
Ontstekingsfase
Granulatie
*Aanmaken van nieuwe cellen
3. Maturatiefase
In de maturatiefase vinden de bindweefselreorganisatie, de
wondcontractie en de epithelialisatie plaats. Na de
piekperiode van bindweefsel (collageen) in de granulatiefase,
verhoogt de weefselsterkte van de wonde niet zozeer door een
toename van het bindweefsel, maar wel door de reorganisatie
van het reeds aanwezige bindweefsel. De fibroblasten
differentiëren zich tot myofibroblasten die de wondranden
samentrekken en dus zorgen voor de wondcontractie. In het
begin van de wondgenezing produceren macrofagen en andere
ontstekingscellen de groeifactor TGFbeta, wat de aanmaak van
cellulaire fibronectine stimuleert. Cellulaire fibronectine
stimuleert op zijn beurt de differentiatie van fibroblasten naar
myofibroblasten.
Op dat ogenblik start ook de epithelialisatie. In de basale laag
van de wondranden worden nieuwe epitheelcellen gevormd door
celdeling (mitose). Deze nieuwe cellen migreren over het
wondoppervlak van de wondranden naar het centrum toe. Ook
vanuit de haarfollikels, de talgklieren en de zweetklieren vormen
zich epitheeleilandjes die naar elkaar toegroeien. Bij contact met
andere epitheelcellen stopt de celproliferatie (vermenigvuldiging
van de cellen).
4. Littekenvorming
Door de maturatie van het collageen neemt het litteken zijn
uiteindelijke aspect aan. De stabiliteit van het littekenweefsel is
belangrijk om recurrentie van de wonde te voorkomen.
2
, Acute wonden versus chronische
Vlotte opeenvolging fases wondgenezing bij acute wonden
Vasoconstrictie (om bloedverlies te vermijden)
Bloedstolling
Inflammatie (opnieuw vasodillatatie om afweercellen
zoals macrofagen sneller tot bij de wonde krijgen)
Vorming granulatieweefsel
Epithelialisatie
Contractie van het litteken
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN (VERSTORING VAN EEN
GEZONDE WONDHELING)
Wanneer een wonde langer bestaat dan 6 weken is het een chronische
wonde.
Beïnvloedende factoren in de wondheling
Factoren eigen aan de wonden
o Contaminatie
o Vascularisatie
o Lokalisatie van de wonde
Patiëntgerelateerde factoren
Voedingstoestand (eiwitten zijn belang!)
o Onderliggende aandoeningen
o Psychologische toestand en lichaamsbeeld
o Medicaties en therapieen
o Leeftijd
o Roken en drugs
3
, 4. CLASSIFICATIE VAN WONDEN (STRUCTUUR)
Iatrogeen: wonden toegebracht door de gezondheidszorg gemaakt
door een diagnostische of therapeutische handeling.
Acuut: binnen de 48u gesloten
Chronisch: bij complicaties
Niet-chirurgisch: bv. Chemo, een infuus zit niet goed en geeft
onderhuidse wonden
Chronisch niet-iatrogeen: decubitus, oncologische wonden, iv-wonden
Traumatisch: vrieswonden, brandwonden,voorwerpen met een impact,
schaafwond
Continuïteit van de huid
open
Oppervlakking
Penetrerend
Blootliggende structuren
Degloving
gesloten (hematoom)
5. BEOORDELING WONDEN (BELANGRIJK!!!!)
Wondobservatie
=
gestructureerd verzamelen van
geobserveerde wondeigenschappen om
een wonde te beoordelen
en het wondbeleid te bepalen en te evalueren
4
ANATOMIE EN FYSIOLOGIE VAN DE HUID
Functies van de huid
Bescherming
Koude, hitte en irradiatie
Mechanische invloeden
Chemische substanties
Micro-organismen
Thermoregulatie
Absorptie
Sensorische functie
PATHOFYSIOLOGIE 4 FASEN
EXTRACELLULAIRE MATRIX
Interactie tussen de cellen en de matrixcomponenten door
verschillende mediatoren. Het is een term die gebruikit wordt
om structuren aan te duiden die deel uitmaken van biologische
weefsels maar zich buiten de cellen bevinden. De extracellulaire
matrix biedt stevigheid en structuur aan weefsels. Met name
bindweefsel en botweefsel kenmerken zich door de aanwezigheid
van een uitgebreide extracellulaire matrix, beiden met een eigen
karakteristieke structuur
Bestaat uit langgerekte, vezelachtige eiwitten zoals collageen,
fibronectines en elastines en uit glycosaminoglycanen (lange
ketens van suiker)
1
,Pathofysiologie
Ontstekingsfase
Granulatie
*Aanmaken van nieuwe cellen
3. Maturatiefase
In de maturatiefase vinden de bindweefselreorganisatie, de
wondcontractie en de epithelialisatie plaats. Na de
piekperiode van bindweefsel (collageen) in de granulatiefase,
verhoogt de weefselsterkte van de wonde niet zozeer door een
toename van het bindweefsel, maar wel door de reorganisatie
van het reeds aanwezige bindweefsel. De fibroblasten
differentiëren zich tot myofibroblasten die de wondranden
samentrekken en dus zorgen voor de wondcontractie. In het
begin van de wondgenezing produceren macrofagen en andere
ontstekingscellen de groeifactor TGFbeta, wat de aanmaak van
cellulaire fibronectine stimuleert. Cellulaire fibronectine
stimuleert op zijn beurt de differentiatie van fibroblasten naar
myofibroblasten.
Op dat ogenblik start ook de epithelialisatie. In de basale laag
van de wondranden worden nieuwe epitheelcellen gevormd door
celdeling (mitose). Deze nieuwe cellen migreren over het
wondoppervlak van de wondranden naar het centrum toe. Ook
vanuit de haarfollikels, de talgklieren en de zweetklieren vormen
zich epitheeleilandjes die naar elkaar toegroeien. Bij contact met
andere epitheelcellen stopt de celproliferatie (vermenigvuldiging
van de cellen).
4. Littekenvorming
Door de maturatie van het collageen neemt het litteken zijn
uiteindelijke aspect aan. De stabiliteit van het littekenweefsel is
belangrijk om recurrentie van de wonde te voorkomen.
2
, Acute wonden versus chronische
Vlotte opeenvolging fases wondgenezing bij acute wonden
Vasoconstrictie (om bloedverlies te vermijden)
Bloedstolling
Inflammatie (opnieuw vasodillatatie om afweercellen
zoals macrofagen sneller tot bij de wonde krijgen)
Vorming granulatieweefsel
Epithelialisatie
Contractie van het litteken
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN (VERSTORING VAN EEN
GEZONDE WONDHELING)
Wanneer een wonde langer bestaat dan 6 weken is het een chronische
wonde.
Beïnvloedende factoren in de wondheling
Factoren eigen aan de wonden
o Contaminatie
o Vascularisatie
o Lokalisatie van de wonde
Patiëntgerelateerde factoren
Voedingstoestand (eiwitten zijn belang!)
o Onderliggende aandoeningen
o Psychologische toestand en lichaamsbeeld
o Medicaties en therapieen
o Leeftijd
o Roken en drugs
3
, 4. CLASSIFICATIE VAN WONDEN (STRUCTUUR)
Iatrogeen: wonden toegebracht door de gezondheidszorg gemaakt
door een diagnostische of therapeutische handeling.
Acuut: binnen de 48u gesloten
Chronisch: bij complicaties
Niet-chirurgisch: bv. Chemo, een infuus zit niet goed en geeft
onderhuidse wonden
Chronisch niet-iatrogeen: decubitus, oncologische wonden, iv-wonden
Traumatisch: vrieswonden, brandwonden,voorwerpen met een impact,
schaafwond
Continuïteit van de huid
open
Oppervlakking
Penetrerend
Blootliggende structuren
Degloving
gesloten (hematoom)
5. BEOORDELING WONDEN (BELANGRIJK!!!!)
Wondobservatie
=
gestructureerd verzamelen van
geobserveerde wondeigenschappen om
een wonde te beoordelen
en het wondbeleid te bepalen en te evalueren
4