Onderwijsgroep 8 Ontwikkelingspsychologie van het jonge kind
1. Hoe verloopt de grove motorische ontwikkeling? (bij peuters en kleuters)
3 jaar: springen, hinken op 1 been en rennen
4 jaar: nauwkeurig een bal gooien
5 jaar: een ring op een plaatje gooien dat 1.5 meter verder staat, fietsen, ladder
klimmen en schaatsen (activiteiten die coördinatie vergen)
Ontwikkeling van de grove motoriek houdt wellicht verband met de ontwikkeling
van de hersenen en met de myelinevorming rond neuronen in gebieden van de
hersenen die te maken hebben met evenwicht en coördinatie. De vaardigheden
ontwikkelingen zich in deze periode ook zo snel omdat kinderen veel oefenen. =>
Activiteitsniveau ligt hoog bij peuters en kleuters.
Genetische factoren
o Aangeboren temperament speelt een rol, kinderen die in hun babytijd
ongewoon actief zijn, zijn dat in hun peuter- en kleuterjaren meestal ook en
omgekeerd
o Activiteitsniveau van eeneiige tweelingen vertoont meestal meer
overeenkomsten dan dat van twee-eiige tweelingen
Omgevingsfactoren
o Opvoedingsstijlen van de ouders en opvoeding binnen een bepaalde cultuur
over wat gepast en ongepast is
Genderverschillen (grove motoriek van jongens en meisjes zijn verschillend)
o Jongens zijn over het algemeen sterker dan meisjes (bv. over het algemeen
verder gooien, hoger springen…)
o Meisjes zijn meestal beter in activiteiten waarvoor coördinatie van armen en
benen nodig is (bv. over het algemeen beter een handstand en op één voet
balanceren…)
Sociale factoren
o Activiteiten die acceptabel worden gevonden voor jongetjes, doen vaak meer
beroep op de grove motoriek
2. Hoe verloopt de fijne motorische ontwikkeling? (bij peuters en kleuters)
Subtielere lichaamsbewegingen => veel oefening nodig
1ste stadium: krabbelstadium => Willekeurige lijnen
2de stadium: vormstadium => Vierkanten, cirkels, kruisjes…
3de stadium: ontwerpstadium => Combineren van verschillende vormen
4 stadium: picturale stadium
de
=> Duidelijkere, meer herkenbare
objecten
1. Hoe verloopt de grove motorische ontwikkeling? (bij peuters en kleuters)
3 jaar: springen, hinken op 1 been en rennen
4 jaar: nauwkeurig een bal gooien
5 jaar: een ring op een plaatje gooien dat 1.5 meter verder staat, fietsen, ladder
klimmen en schaatsen (activiteiten die coördinatie vergen)
Ontwikkeling van de grove motoriek houdt wellicht verband met de ontwikkeling
van de hersenen en met de myelinevorming rond neuronen in gebieden van de
hersenen die te maken hebben met evenwicht en coördinatie. De vaardigheden
ontwikkelingen zich in deze periode ook zo snel omdat kinderen veel oefenen. =>
Activiteitsniveau ligt hoog bij peuters en kleuters.
Genetische factoren
o Aangeboren temperament speelt een rol, kinderen die in hun babytijd
ongewoon actief zijn, zijn dat in hun peuter- en kleuterjaren meestal ook en
omgekeerd
o Activiteitsniveau van eeneiige tweelingen vertoont meestal meer
overeenkomsten dan dat van twee-eiige tweelingen
Omgevingsfactoren
o Opvoedingsstijlen van de ouders en opvoeding binnen een bepaalde cultuur
over wat gepast en ongepast is
Genderverschillen (grove motoriek van jongens en meisjes zijn verschillend)
o Jongens zijn over het algemeen sterker dan meisjes (bv. over het algemeen
verder gooien, hoger springen…)
o Meisjes zijn meestal beter in activiteiten waarvoor coördinatie van armen en
benen nodig is (bv. over het algemeen beter een handstand en op één voet
balanceren…)
Sociale factoren
o Activiteiten die acceptabel worden gevonden voor jongetjes, doen vaak meer
beroep op de grove motoriek
2. Hoe verloopt de fijne motorische ontwikkeling? (bij peuters en kleuters)
Subtielere lichaamsbewegingen => veel oefening nodig
1ste stadium: krabbelstadium => Willekeurige lijnen
2de stadium: vormstadium => Vierkanten, cirkels, kruisjes…
3de stadium: ontwerpstadium => Combineren van verschillende vormen
4 stadium: picturale stadium
de
=> Duidelijkere, meer herkenbare
objecten