DEEL 4 - schooltijd
T13: fysieke en motorische ontwikkeling
1. fysieke groei
- relatief rustige periode in groei
o langzaam en gestaag
- groei trager dan in vorige fasen
- lichaam wordt gespierder en krachtiger
o jongens relatief meer spiercellen
o meisjes relatief meer vet
- botten worden harder, steeds minder kraakbeen = ossificatie
- grote flexibiliteit
- nachtelijke groeipijn
- individuele verschillen
2. motorische ontwikkeling
- nieuwe grofmotorische vaardigheden
o fietsen
o schaatsen
o zwemmen
o touwtjespringen
o …
- jongens vaak beter in grofmotorische vaardigheden dan meisjes
o behalve die waar evenwicht en behendigheid bij komen kijken
- nieuwe fijnmotorische vaardigheden
o typen
o aan elkaar schrijven
o gedetailleerde tekeningen
o modelbouw
o muziekinstrument bespelen
o …
- meisjes vaak beter in fijnmotorische vaardigheden dan jongens
- nieuwe motorische vaardigheden -> vooruitgang in:
o flexibiliteit
o evenwicht
o behendigheid
o kracht
- betere informatieverwerking speelt ook een rol
o alleen op relevante informatie reageren
o kortere reactietijd
o anticiperen
- gedreven vanuit hersenontwikkeling
- fysieke competentie -> voordelen op sociaal-emotioneel vlak
o populariteit (vooral bij jongens)
o zelfbeeld
- belangrijk niveau sportieve activiteit af te stemmen op rijpingsniveau
o biobanding: groepen indelen obv fysieke rijping ipv op leeftijd
1
, T14: perceptuele, cognitieve en taalontwikkeling
1. perceptuele ontwikkeling
- nu beter in staat om waarneming zelf te sturen
- toegenomen aandachtscontrole (in het algemeen de executieve functies)
- gecentreerd functioneren -> gedecentreerd functioneren
- levert nieuwe perceptuele vaardigheden op -> dragen bij tot schoolrijpheid
o perceptuele reorganisatie
= vermogen om zintuiglijke input in gedachten zo te
herschikken dat er nieuwe structuren uit naar voren komen
o perceptuele schematisering
= vermogen om tegelijkertijd het geheel en de afzonderlijke
delen te onderscheiden
o perceptuele exploratie
= vermogen om een ingewikkelde figuur of afbeelding die
verschillende afzonderlijke figuurtjes bevat systematisch te
scannen en geen enkel detail over het hoofd te zien
2. cognitieve ontwikkeling Piaget: concreet-operationeel stadium
- actief en juist gebruik van logisch denken bij concrete problemen
- denken logischer, meer flexibele en meer georganiseerd
- blijft nog wel vastzitten aan concrete, fysieke realiteit
o geen inzicht in abstracte/hypothetische vragen
o geen formele logica
- conservatie
o = inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijning
o exp met hoog/smal glas vs laag/breed glas -> water overgieten
o mogelijk gemaakt door
capaciteit tot decentratie (= tegelijk op verschillende
aspecten van een situatie focussen en ze met elkaar in
verband brengen)
aandacht voor transformaties
reversibiliteit in denken (= capaciteit om mentaal een aantal
stappen te doorlopen en ze daarna in omgekeerde volgorde te
herhalen)
- classificatie
o bewust zijn van classificatiehiërarchie
o vermogen om te focussen op relatie tussen algemene en
specifiekere categorieën
o nu ook meer interesse in verzamelingen
- seriatie
o = vaardigheid om items te ordenen op een kwantitatieve dimensie
lengte, gewicht, …
o tegen einde stadium: ook mentale seriatie = transitieve inferentie
- spatiaal redeneren
2
T13: fysieke en motorische ontwikkeling
1. fysieke groei
- relatief rustige periode in groei
o langzaam en gestaag
- groei trager dan in vorige fasen
- lichaam wordt gespierder en krachtiger
o jongens relatief meer spiercellen
o meisjes relatief meer vet
- botten worden harder, steeds minder kraakbeen = ossificatie
- grote flexibiliteit
- nachtelijke groeipijn
- individuele verschillen
2. motorische ontwikkeling
- nieuwe grofmotorische vaardigheden
o fietsen
o schaatsen
o zwemmen
o touwtjespringen
o …
- jongens vaak beter in grofmotorische vaardigheden dan meisjes
o behalve die waar evenwicht en behendigheid bij komen kijken
- nieuwe fijnmotorische vaardigheden
o typen
o aan elkaar schrijven
o gedetailleerde tekeningen
o modelbouw
o muziekinstrument bespelen
o …
- meisjes vaak beter in fijnmotorische vaardigheden dan jongens
- nieuwe motorische vaardigheden -> vooruitgang in:
o flexibiliteit
o evenwicht
o behendigheid
o kracht
- betere informatieverwerking speelt ook een rol
o alleen op relevante informatie reageren
o kortere reactietijd
o anticiperen
- gedreven vanuit hersenontwikkeling
- fysieke competentie -> voordelen op sociaal-emotioneel vlak
o populariteit (vooral bij jongens)
o zelfbeeld
- belangrijk niveau sportieve activiteit af te stemmen op rijpingsniveau
o biobanding: groepen indelen obv fysieke rijping ipv op leeftijd
1
, T14: perceptuele, cognitieve en taalontwikkeling
1. perceptuele ontwikkeling
- nu beter in staat om waarneming zelf te sturen
- toegenomen aandachtscontrole (in het algemeen de executieve functies)
- gecentreerd functioneren -> gedecentreerd functioneren
- levert nieuwe perceptuele vaardigheden op -> dragen bij tot schoolrijpheid
o perceptuele reorganisatie
= vermogen om zintuiglijke input in gedachten zo te
herschikken dat er nieuwe structuren uit naar voren komen
o perceptuele schematisering
= vermogen om tegelijkertijd het geheel en de afzonderlijke
delen te onderscheiden
o perceptuele exploratie
= vermogen om een ingewikkelde figuur of afbeelding die
verschillende afzonderlijke figuurtjes bevat systematisch te
scannen en geen enkel detail over het hoofd te zien
2. cognitieve ontwikkeling Piaget: concreet-operationeel stadium
- actief en juist gebruik van logisch denken bij concrete problemen
- denken logischer, meer flexibele en meer georganiseerd
- blijft nog wel vastzitten aan concrete, fysieke realiteit
o geen inzicht in abstracte/hypothetische vragen
o geen formele logica
- conservatie
o = inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijning
o exp met hoog/smal glas vs laag/breed glas -> water overgieten
o mogelijk gemaakt door
capaciteit tot decentratie (= tegelijk op verschillende
aspecten van een situatie focussen en ze met elkaar in
verband brengen)
aandacht voor transformaties
reversibiliteit in denken (= capaciteit om mentaal een aantal
stappen te doorlopen en ze daarna in omgekeerde volgorde te
herhalen)
- classificatie
o bewust zijn van classificatiehiërarchie
o vermogen om te focussen op relatie tussen algemene en
specifiekere categorieën
o nu ook meer interesse in verzamelingen
- seriatie
o = vaardigheid om items te ordenen op een kwantitatieve dimensie
lengte, gewicht, …
o tegen einde stadium: ook mentale seriatie = transitieve inferentie
- spatiaal redeneren
2