Les 1 – Inleiding
Sociale deprivatie verwijst naar het gebrek van bepaalde middelen (bv.
onderwijs, geld, sociale kansen, gezondheidszorg) die nodig zijn om een bepaalde
levensstandaard te bereiken
Bv. iemand die in armoede leeft en geen toegang heeft tot goed onderwijs
ervaart sociale deprivatie – gebrek aan kansen en middelen
Sociale isolatie verwijst naar een situatie waarin een individu weinig tot geen
contact heeft met anderen en daardoor een gebrek ervaart aan sociale interactie
en ondersteuning
Bv. een oudere die weinig bezoek krijgt en nauwelijks met anderen praat is
sociaal geïsoleerd – gebrek aan sociale contacten en interactie
Sociale paradox verwijst naar de spanning tussen onze behoefte aan sociale
verbinding en onze neiging om ons soms terug te trekken, ook wel het approach-
avoidance conflict genoemd
Sociale invloed = we proberen bewust of onbewust het gedrag of de mening
van anderen te sturen + ons eigen denken en handelen wordt beïnvloedt door de
mensen om ons heen
Expliciete druk = directe en duidelijke verwachting of verzoek van
anderen Bv. de docent vraagt studenten om
papiertjes te scheuren tijdens een experiment
Impliciete druk = subtiele sociale invloed zonder expliciet verzoek
Bv. vrienden moedigen je aan om langer te blijven op café, ook al wil je
naar huis
Psychologische mechanismen:
Conformiteit (Asch) – mensen passen zich aan een groep aan, zelfs als ze
het er niet mee eens zijn
Sociale normering (Cialdini) – we volgen groepsnormen om erbij te horen
Gehoorzaamheid (Milgram) – mensen gehoorzamen autoriteiten, zelfs als
ze zich er ongemakkelijk bij voelen
Mensen hanteren onbewust verschillende sociale bubbels of persoonlijke
zones, waarbij sommige mensen dichterbij mogen komen dan
anderen
Als iemand te dichtbij komt zonder toestemming, trekken
we ons vaak fysiek terug of voelen we ons mentaal
ongemakkelijk
Culturele verschillen: In sommige culturen (bv. Zuid-
Europa, Latijns-Amerika) is fysiek contact normaal, terwijl
in andere (bv. Noord-Europa, Japan) meer afstand wordt
gewaardeerd
1
, Sociale status speelt ook een rol: een baas kan dichterbij komen zonder
ongemakkelijkheid dan een vreemde
In je intieme ruimte kan iemand je direct beïnvloeden (gevoel van veiligheid of
bedreiging). Hoe verder iemand staat, hoe minder directe invloed die
persoon op je gedrag en emoties heeft
Wat is sociale psychologie
“sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop de
gedachten, gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door
de feitelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van andere
mensen”. (Gordon Allport)
“sociale psychologie houdt zich bezig met sociale invloeden op individueel
gedrag en met gedrag van individuen met, voor, over of tegen elkaar”.
Onder gedrag vallen zowel overte als coverte gedragingen:
Overte (open) gedragingen = gedragingen die niet alleen de handelende
persoon zelf maar ook anderen kunnen waarnemen – waarneembaar gedrag
Bv. ik zie anderen papiertjes scheuren
Coverte (gesloten) gedragingen = gedragingen die alleen de handelende
persoon zelf kan waarnemen, maar andere mensen niet, hierbij horen
denkprocessen, affectieve toestanden (gevoelens, stemmingen), motivaties en
percepties van interne en externe toestanden – niet
rechtstreeks waarneembaar gedrag, vragen naar gedachten
Bv. waarom heb je gedaan wat je net gedaan hebt (papiertjes
scheuren)
Definitie ontleden
1. Gedachten, gevoelens, handelingen
Overt en covert gedrag hebben invloed op
Hoe we ons gedragen
Hoe we ons voelen
Hoe we over onszelf denken
2. Drie soorten invloed/aanwezigheid
Fysiek/feitelijk/expliciet
o Er is een directe, tastbare aanwezigheid van anderen
o Bv. een rugzaktoerist die je in het buitenland tegenkomt, beïnvloedt
hoe je je gedraag (vriendelijk begroeten of afstand houden)
Voorgesteld
o Het idee dat iemand aanwezig is of meekijkt beïnvloedt ons gedrag
o We beelden ons in hoe anderen over ons denken
2
, o
Bv. in het kleedhokje check je jezelf in de spiegel alsof iemand
anders een mening over je outfit kan hebben
Onrechtstreeks/impliciet
o Sociale normen of systemen sturen ons gedrag, zonder dat er
iemand fysiek aanwezig is
o Bv. in de supermarkt wacht je netjes in de rij, ook al is er geen
beveiliger die je dwingt, of een verkeersdrempel dwingt je
langzamer te rijden
3. Wetenschap die zich focust op situationele gedragsdeterminanten
Differentiële psychologie – dispositionisme
o De invloed van persoonlijke eigenschappen (disposities)
o Iemands karaktereigenschappen en persoonlijkheidskenmerken (bv.
of iemand extravert of introvert is) zijn bepalend voor hoe die
persoon zich gedraagt in verschillende situaties
o Als iemand van nature vriendelijk is, zal die persoon sneller geneigd
zijn om anderen te helpen
Sociale psychologie – situationisme
o Het gedrag van mensen wordt bepaald door de situatie
o Bv. bystander effect: wanneer er meerdere mensen aanwezig zijn in
een noodsituatie, neemt de kans dat iemand daadwerkelijk hulp
biedt af, dit komt doordat mensen de verantwoordelijkheid
afschuiven naar anderen, in de veronderstelling dat die ook wel
zullen helpen
Interactionisme
o Probeert het gedrag van mensen te verklaren door zowel disposities
als situationele factoren te combineren
o Bv. een persoon die normaal gezien introvert is, kan in een situatie
waarin ze zich comfortabel voelen extravert gedrag vertonen
“the situation does not absolve personal responsibility” = je blijft altijd
verantwoordelijk voor je eigen daden, ongeacht de situatie
Uitgangspunten van de sociale psychologie
Experimenteel onderzoek
o Causale relaties tussen vermeende oorzaken en gevolgen te toetsen
Dieronderzoek
o Als uit dierproeven blijkt dat bepaalde gedragsprincipes niet alleen bij
mensen voorkomen, levert dat interessante informatie op over die
gedragingen
Kennisopbouw
o Een onderzoek krijgt vooral waarde door de rol die het speelt binnen de
kennisopbouw of, door zijn samenhang met 1 of meerdere theorieën en
met andere onderzoeken
Beschrijven, uitleggen, begrijpen
3
, o Bovenop het kunnen beschrijven en uitleggen moet je ook begrijpen welke
rol die onderzoeken spelen in de opbouw van kennis over sociaal gedrag
De relatie tussen sociale psychologie en mensenkennis
3. wetenschappelijke studie
↕?
intuïtieve of alledaagse kennis
systematisch ↔ eenzijdige selectie
objectief ↔ subjectief
gecontroleerd ↔ onderhevig
niet “het ene waar en het andere onwaar”
manier van kennisverwerving en kritische reflectie op methodes
Les 2 – Hoofdstuk 1: Methodes van sociaalpsychologisch
onderzoek
Drie manieren waarop wij mensen en hun gedrag kunnen bestuderen
er is geen beste methode, welke manier je kiest hangt af van wat je wil weten
Beschrijvende methode
Gedrag beschrijven
o Feiten verzamelen over een bepaald onderwerp
o Dit kan door observatie of door zelfbeschrijvingen
Oberservatie
Meest makkelijke methode als je iets te weten wil komen over het gedrag
van mensen
Hoe gedragen mensen zich? Hoe vaak stellen ze een bepaald gedrag?
Zuivere observatie =
o Je kunt niets zeggen over oorzaken en gevolgen
o Je kunt niets zeggen over hoe het komt dat mensen een bepaald
gedrag stellen
Voorbeeld: wachtverzachters
Bolletjes die aangeven hoe lang het nog duurt vooralleer het licht op groen
gaat springen
Als we een wachtverzachter plaatsen, gaat het er dan voor zorgen dat
mensen langer wachten vooralleer ze gaan oversteken?
Je kan als sociaalpsyoloog gaan observeren (zonder dat mensen het
weten/zien) of de wachtverzachter inderdaad helpt of niet
o Plek observeren waar een wachtverzachter aanwezig is
o Plek observeren waar er geen wachtverzachter aanwezig is
Ecologische validiteit (geldigheid) = mate waarin het onderzoek conclusies
toelaat over het ‘natuurlijk’ voorkomende gedrag van mensen in situaties die ze
‘in het echte leven’ ook tegenkomen
4