VERRUIMEN 2
Hoofdstuk 0: Inleiding
Geïntegreerd werken vanuit de 3 leergebieden staat steeds voorop.
3 leergebieden:
1. Mens en maatschappij
2. Wetenschappen en techniek = wereldoriëntatie
3. Wiskundige initiatie
Didactische principes voor een ontwikkelingsbevorderende omgeving zetten we in als richtlijnen voor goed
kleuteronderwijs in het algemeen, en voor wiskundige initiatie en wereldoriëntatie in het bijzonder.
Didactische principes:
1
, 1 NAAR BUITEN
1.1 INLEIDING
Onderwijspedagoog Jran-Ovide Decroly → kinderen moeten in de mate van het mogelijke geconfronteerd worden
met de echte dingen in hun onmiddellijke context.
→ zowel buiten als binnen echte ervarigen opdoen
Omgeving van het kind is het uitgangspunt voor ervaren en leren
→ kind oriënteert zich in die wereld
Schoolomgeving vormt belangrijk deel van de omgeving
→ als leerkracht maken we hier zo vruchtbaar mogelijk gebruik van om het onderwijs vorm te geven
1.2 OP VERSCHILLENDE MANIEREN NAAR BUITEN
In relatie tot buitenonderwijs kan ‘buiten’ synoniem staan voor ‘in openlucht’.
Dit kan op een vast moment of dag.
- Vaak gekozen voor een gerichte (leer)uitstap naar een welbepaalde plek (bv: bos, bakker, kerk,…)
- Soms gesproken van leerwandeling waarbij verschillende plekjes in de buurt van school worden benut om bv
vormen te herkennen in straatbeeld, genieten van wintertaferelen, vogels spotten,…
Buiten kan dus ook ‘buiten de schoolmuren’ betekenen.
Buitenonderwijs kan in allerhande mogelijke omgevingen:
→ bv: stadsomgeving, landbouwomgeving, bos, waterlandschappen,…
Ook zijn er omgevingen die ingericht worden voor specifiek educatieve activiteiten en doelen:
→ bv: plantentuin, dierentuin, musea,…
Ook omgevingen gericht op het recreatieve:
→ bv: speeltuin, pretpark,…
1.2.1 BUITENSPEL
Speelrelatie = relatie die jongere kinderen hebben met hun omgeving
→ primair gericht op onmiddellijke ervaringen zoals houten brug die prikkelt tot stampen met de voeten, bang
waarover ze willen springenn…
Buitenomgeving nodigt uit tot spontaan spelen en leren.
Buiten laten kinderen alle controle varen en laten de omgeving toe om hun activiteiten vorm te geven = ‘de omgeving
speelt met de kinderen’
Buitenspel kan in verband worden gebracht met risicovol spelen:
→ negatieve gevolgen zoals angst of fysieke verwondingen
→ positieve/waardevolle gevolgen zoals beheersen van nieuwe vaardigheden en beleven van opwinding
2
,Buiten spelen is erg concrete en bewegelijke activiteit + kinderen communiceren meer met hun lichaam dan met
woorden.
De dubbelzinnigheid van omgevingselementen (stok, tak, blad,…) leidt ertoe dat kinderen zelf kunnen beslissen
hoe ze deze gebruiken (tak als wandelstok, lepel,…)
→ als leerkracht zet je dus in op een vrij aanbod
“ Wanneer we naar buiten trekken vanuit de gedachte van buitenspel dan willen we de kleuters dus een kans geven tot
vrij spel waarbij de elementen die buiten aanwezig zijn hun spel bepalen.”
Buitenspel wordt in verband gebract met het idee van ‘scharrelkinderen’ = kinderen die samen met vriendjes
rondstruinen door bossen,parken,…
Kinderen hebben vandaag de dag minder kans om in alle vrijheid te spelen en contact te hebben met de omgeving
en/of natuur.
8 aspecten van ‘risicovol spelen’:
1. Spelen op hoogte
2. Spelen met snelheid
3. Spelen met gevaarlijke voorwerpen
4. Spelen op gevaarlijke plekken
5. Stoeispelen
6. Spelen met impact
7. Spelen uit het zicht
8. Plaatsvervangend risico
1.2.2 OMGEVINGSONDERWIJS
Omgevingsonderwijs = elementen uit de omgeving worden gebruikt als leerinhoud of illustratie van de leerinhoud.
Focus → het contact met de realiteit zoals kinderen die in hun omgeving vinden.
Omgeving wordt gezien als de ruimte waar kinderen wonen, leren en spelen (vaak nog niet zo groot).
1.2.2.1 KENMERKEN VAN OMGEVINGSONDERWIJS
Het gaat zowel om de natuurlijke omgeving als om de sociale, culturele en economische omgeving.
Typerend voor de omgeving: deze laat zich niet scheiden in vakken, net zoals kinderen de wereld als een geheel
ervaren.
We vinden in de omgeving materiële elementen = omgevingselementen die we kunnen aanraken
→ gekenmerkd door:
o Menselijke oorsprong (bv: gebouwen)
o Natuurlijke aard (bv: dieren)
o Gedeelde herkomst (bv: een aangelegde akker)
Ook vinden we in de omgeving niet-materiële elementen = elementen die we niet kunnen aanraken
→ bv: verhalen, gebruike en rituelen die van sociale, culturele en economische aard zijn.
3
, Leefomgeving van kinderen benaderen via knooppunten en verbindingen daartussen
- Sluit aan bij gedachte om gericht op (leer)uitstap te gaan naar een bepaald knooppunt zoals bib, tandarts,
fietsenmaker, boerderij, historisch gebouw,…
- Leerwandelingen richten zich op de verbindingen waarbij bv de straat betekenisvol wordt ingezet om bv de
ruimtelijke oriëntatie te oefenen of bepaalde leerinhouden zoals stenen, beroepen, letters,… te herkennen en
ervaren in de realiteit.
Bij omgevingsonderwijs wordt de contextrijke omgeving niet in de klas gehaald, maar ze worden in de reële
omgeving meegenomen.
1.2.2.2 VOORDELEN VAN OMGEVINGSONDERWIJS
Werkelijkheid staat centraal buiten de muren van de school
Realiteit is aanschouwelijk op een 3-dimensionale en concrete manier
Het is ook een complex geheel, waardoor ze geprikkeld worden door actief leren. → uitgenodigd om waar te nemen
met al hun zintuigen, vragen te stellen, te vergelijken, te analyseren en interpreteren,…
Er is sprake van directe waarneming en ervaring ipv bijvoorbeeld te kijken naar een prent op digibord of boek. → leren
vindt plaats in werkelijkheidsnabije context, waardoor de transfer van het geleerde naar het dagelijkse leven/echte
wereld in de hand gewerkt wordt.
Het verhoogt de betrokkenheid van de kinderen en werkt sterk motiverend.
De nieuwsgierigheid wordt geprikkeld door het gebruik van echte materialen uit de leefwereld. Zo zullen ze op
onderzoek willen gaan.
Omgevingsonderwijs wordt naar voor geschoven als een manier om waardering voor en een band met de omgeving
op te bouwen. → meer dan alleen over leren ‘over’ de wereld om ons heen, kinderen ervaren een verbondheid met
zichzelf en alles en iedereen rondom.
Ze treden in interactie met de omgeving → sluit aan bij de duurzaamheidsgedachte, ze beseffen dat ze afhankelijk zijn
van en verantwoordelijk zijn voor onze omgeving.
1.2.3 OPENLUCHTONDERWIJS
Voordat de voordelen gerealiseerd kunnen worden, moeten we steeds aandacht hebben voor de 8 didactische
principes → in het bijzonder de 3 H’s (= hoofd, hart en handen)
- Focus op de zintuigen tijdens bv een boswandeling (wat voel je, wat ruik je,…)
We streven naar een harmonische of totaalontwikkeling na → inzetten op een evenwichtige ontwikkeling van
denken, voelen en doen
Openluchtonderwijs of outdoor education = er wordt expliciet gekozen voor het leren over/via de omgeving hand in
hand te laten gaan met actieve buitenactiviteiten, waarbij ook ingezet wordt op de persoonlijke en sociale ontwikkeling
van de kleuters.
→ openluchtonderwijs heeft fysieke en mentale welzijn van kinderen in de hand.
4