ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN
HOOFDSTUK 1
TERMINOLOGIE EN AFBAKENING
Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (DSM-5) ( stoornissen in de hersenen)
Het is aangeboren Oorzaken: prenatale of perinatale factoren ( voor de zwangerschap of tijdens
de bevalling)
De eerste symptomen komen bij de meesten in de vroege ontwikkelingsperioden ( niet altijd)
Door pilletjes kunnen symptomen om de achtergrond komen, het blijft altijd op een manier
soms moeite met participatie in dagdagelijkse leven
definitie: “Een ontwikkelingsstoornis is een neurobiologische stoornis die in de (vroege)
ontwikkelingsperiode tot uiting komt, die gekenmerkt wordt door ontwikkelingsachterstanden op een of
meerdere functiedomeinen en die levenslang beperkingen veroorzaakt in het persoonlijk, sociale,
schoolse of beroepsmatig functioneren.”
ONTWIKKELINGSSTOORNIS OF NIET?
Eetstoornis Geen
ADHD, ASS Ja
Bedplassen, reactieve hechtingsstoornis Geen
Angststoornis Nee ( aangeleerd)
NAH Geen
VERSCHILLENDE ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN ( DSM-5)
Verschillende stoornissen opgesomd:
communicatiestoornissen
autismespectrumstoornis
aandacht deficiëntie-/ hyperactiviteit stoornis ( adhd)
(specifieke) leerstoornis
Motorische stoornissen
Iedere leerling is uniek. Focust ligt op mogelijkheden en ondersteuningsnoden
WIJZEGING IN DE TERMINOLOGIE
Subtype Fenotype/beeld ( dit woord gebruiken)
Variatie binnen een ontwikkelingsstoornis hebben meestal dezelfde oorzaak
Meer dimensionele benadering ( in gradaties/ schaal) i.p.v. sterk categoriaal (in hokjes
plaatsen)
Dynamische concept ( veranderd) i.p.v. statisch concept ( staat vast)
CRITERIA ONTWIKKELINGSSTOORNIS
Significant ( duidelijk merkbaar) meer problemen dan gemiddeld
Op verschillende dimensies
de problemen zijn hardnekkig/persistent
De problemen zijn pervasief ( problemen doen zich voor in verschillende contexten)
Niet leeftijdsadequaat
Significante belemmeringen in
dagdagelijks leven
WERKWIJZE
Significant= beduidend, meer problemen dan
gemiddeld
,We onderscheiden twee soorten gedragingen:
Iedereen kan scoren op verschillende dimensies, uitgedrukt in percentielen
Een score van 0 betekent geen probleemgedrag, 100 betekent extreem veel agressief gedrag
(significant)
Significant probleemgedrag: score boven het 90e percentiel (rechtse uiteinde)
Gewenste trekken: score onder het 10e percentiel (niet significant)
Probleemgedrag komt vaak voor op meerdere dimensies, vooral bij ontwikkelingsstoornissen
Persistent= gedurende langere tijd aanhouden, hardnekkige problemen die voor een langere
tijd aanhouden
Pervasief= problemen doen zich voor in verschillende contexten
Het moet niet leeftijdsadequaat zijn bv kinderen in de koppigheidsfase is rond de leeftijd van 4 jaar dat
is leeftijdsgebonden
CLASSIFICATIE
DSM IV DSM - 5 (iets meer dimensioneel= ≠ gradaties)
autisme SPECTRUM stoornis
Graad van ernst bij ADHD
KENMERKEN
Primaire gedragskenmerken = kernsymptomen = diagnostische kenmerken
Secundaire gedragskenmerken = : kenmerken die niet specifiek zijn voor de stoornis, geen
kernsymptomen, gevolg van de primaire kenmerken
SECUNDAIRE KENMERKEN ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN
Vaak voorkomende gevolgen op psychosociaal vlak:
o Faalervaringen/ faalangstig
o Grote frustraties, schaamtegevoelens en demotivatie
o Laag zelfbeeld: weinig zelfvertrouwen
o Inadequate attributiestijl ( dat die kinderen als ze een goeie toets hebben dat toeschrijven bij
toevalligheden en een slechte toets hebben dat toeschrijven aan hun eigen mogelijkheden ( ik
ben dom ) groter risico op ‘fixed’ mindset’
o Internaliserende problemen ( bv; depressie, angstig= problemen binnen in de persoon zelf ( je
kan het niet zo goed zien): problemen die naar binnen gericht zijn en vooral het kind zelf last
van heeft, ze trekken zich terug en doen niet meer mee
o Externaliserend problemen ( bv: agressief gedrag): problemen die naar buiten gericht zijn en
vooral voor de omgeving storend zijn, bv: ruzie maken, agressie, …
o Leerproblemen ( bv bij kinderen met ADHD)
o Afwijzing door leeftijdsgenoten ( pestgedrag)
o Negatieve interacties met volwassenen: doorwille van onbegrip moeilijk met het kind kunnen
omgaan
o Participatieproblemen : zijn het gevolg van negatieve interacties
!! belang van de omgeving in verhogen psychosociaal welbevinden!!
o Creëren van een stimulerende omgeving
o Kinderen zelf keuzes laten maken of betrekken beslissingen
o Belang van succeservaringen
o Steun, begrip en erkenning uit omgeving
o Psych educatie aan kind en omgeving
DENKKADERS
Bio- ecologische visie (ontstaan) BEM-model
, Bio-psychosociale visie (functioneren met een ontwikkelingsstoornis) ICF-model (zie
Persoonsgerichte ondersteuningsplanning)
HET BEM-MODEL: EEN VISIE OP HET ONTSTAAN VAN EEN ONTWIKKELINGSSTOORNIS
Bio-ecologische en multifactoriële etiologie: een ontwikkelingsstoornis ontstaan door een
compleet samenspel van verschillende risico en protectieve factoren
Multilevel model: model met 4 beïnvloedende analyseniveaus om ene ontwikkelingsstoornis te
begrijpen: genen, hersenen, cognitieve processen en gedrag. Er wordt hier uitgegaan van
uiterlijk waarneembaar gedrag
Multideficit gedrag: model gaat ervan uit dat op ieder analyseniveau verschillende problemen
kunnen optreden in de onderlinge wisselwerking
Transsectioneel model: gaat ervan uit dat de verschillende factoren binnen het kind voortdurend
met elkaar en met de omgeving in interactie staan
Kennen!!
Anatomie = vorm structuur van je hersenen
Fysiologie = hoe ze werken de hersenen
Neuropsychologie: chemische processen in de
hersenen
Boven de stippellijn: visie op het ontstaan van een
ontwikkelingsstoornis
Onder de stippenlijn: visie op het functioneren van
een ontwikkelingsstoornis
RISICO-EN BESCHERMENDE FACTOREN
Of er zich een stoornis ontwikkelt en in welke mate deze dan tot uiting komt in het gedrag van kinderen
is afhankelijk van ene dynamisch samenspel tussen risico- en beschermende factoren, die zowel in het
kind zelf als in de omgeving kunnen liggen
RISICOFACTOREN ( INVLOED OP NIVEAU VAN FUNCTIONEREN)
Sommige van deze
risicofactoren kunnen worden
beïnvloed door interventies
belangrijk om ze in kaart te
brengen
BESCHERMENDE FACTOREN ( INVLOED OP NIVEAU VAN FUNCTIONEREN)
Kunnen ingezet worden/van
belang zijn bij keuze interventies
belangrijk om ze in kaart te
brengen
, PERSONEN MET
ONTWIKKELINGSSTOORNISSEN
HOOFDSTUK 2
DIAGNOSTIEK- BEGELEIDING
Diagnostiek = hele proces van aanmelding tot conclusie
Om te weten wat er aan de hand is worden hypotheses opgesteld, binnen diagnostisch
proces worden deze hypothesen grondig getoetst aan de hand van verschillende
instrumenten, is alles correct > wordt diagnose gesteld
Begeleiding = alle methodieken de kunnen worden ingezet om een kind met een
ontwikkelingsstoornis te ondersteunen
ZIN EN ONZIN VAN DIAGNOSES
Nadelen:
Hokjes denken
Gedragen naar zijn label
Label als excuus
Voordelen:
Toegang tot gepast ondersteuning
Meer begrip en erkenning
Vermakelijk de communicatie
Conclusie:
Diagnose geen doel op zich, maar richtinggevend voor ondersteuning
Ook oog voor sterktes
Centrale focus is kind achter label!
2 SOORTEN DIAGNOSTIEK
2 verschillende indelingen:
1) Onderkennende, verklarende en handelingsgerichte diagnostiek
( op basis van gedrag dat we zien)
2) Screening, ( categoriaal classificerende) diagnostisch
onderzoek, assessment
ONDERKENNEN, VERKLARENDE EN HANDELINGSGERICHTE
DIAGNOSTIEK
Onderkennende/classificerende diagnostiek: antwoord op de vraag “wat is er met dit kind aan de hand”
adhv screening en diagnostisch onderzoek
Verklarende/etiologische diagnostiek: antwoord op de vraag “wat is de oorzaak van dit probleem”, het
antwoord is de verklarende diagnose, maar ook de vraag “wat zijn de beïnvloedende factoren die een
rol spelen in het functioneren van dit kind”
Handelingsgerichte/indicerende diagnostiek: antwoord op de vraag “hoe kunnen we dit kind het best
begeleiden”
Bij diagnose van ontwikkelingsstoornis vooral de handelingsgerichte diagnostiek waarbij de
onderkennende een belangrijke rol speelt Zie
dia PowerPoint oefeningen