Thema 4 Sensibiliteit en dermatomen
HC15 An somatosensorisch, auditoir en vestibulair systeem
Zintuigsysteem
Stimulus -> sensor receptor (signaal transductie) -> 1e -> 2e -> 3e doorgeefneuron -> corticale neuron
Bij 2e en 3e doorgeefneuronen -> ook bewerking
1e relayneuron
- In spinaal ganglion
- Pseudo-unipolair
e
2 relayneuron
- In ruggenmerg of hersenstam
- Sensatie -> reflex reactie
e
3 relayneuron
- In thalamus
- Cortex -> perceptie -> kunnen reageren met bewustzijn
Receptoren in de periferie (sensor) (pseudo-unipolaire
ganglioncellen
- Receptoren sensitief voor een specifieke soort stimulus
binnen een relatief smal spectrum
- Licht, druk, chemisch, warmte, kou etc
- Signaaltransductie -> omzetten energie stimulus naar
signaal voor CSN
- Reageren door
o Verandering eigen membraanpotentiaal
o (Meer/minder) actiepotentialen genereren
- Neuronen of gespecialiseerd epitheel
- Zie plaatje
Pseudo-unipolair ganglioncel reageert op actiepotentiaal
- Tast -> actiepotentialen bij door stimulus
o On/off
o Stil bij off, AP bij on
- Geluid -> geluidsgolven gaan naar boven en naar
beneden (twee richtingen in het signaal) ->
ganglioncellen geluidsgolf omhoog -> afname in
frequentie, geluidsgolf naar beneden -> toename in
frequentie
o Meer/minder
o Kost wel meer energie -> continu AP
,Van receptoren naar de cortex
- Combinatie van signalen (bewerken) (tussen receptoren en 1e ganglioncel,
dan tussen 2e en 3e etc)
o Convergentie -> meerdere receptoren beïnvloeden één eerste
neuron
o Divergentie -> een receptor staat met verschillende neuronen in
verbinding
o Laterale inhibitie -> invloed receptoren aan buitenkant (inhiberen)
en centrum (stimuleren) anders
- Verhouding receptoren en ganglioncellen en relayneuronen
o Een hoge ratio (veel receptoren voor weinig neuronen)
▪ Heel gevoelig
▪ Minder precies
o Een lage ratio (één receptor per neuron)
▪ Heel precies
▪ Minder gevoelig
Receptieve veld (van een receptor)
- Gebied huid (in het geval van tast) wat een
verandering van membraanpotentiaal genereert
bij de receptor bij aanraking
Receptieve veld wordt gekarakteriseerd door
- Het soort stimulus
- De grootte van het receptieve veld
o In huid twee typen die een groot
receptief veld hebben
o En twee typen die een klein receptief
veld hebben
- Hoe ze reageren
o Tonisch -> zolang er een stimulus is, geven ze een signaal af
o Fasisch -> reageren op de verandering
Receptieve veld (van een corticaal neuron)
- 1e relayneuron -> door convergentie/divergentie/laterale inhibitie wordt
het receptieve veld anders
o Complexer receptieve veld
o Laterale inhibitie -> verhoogt contrast -> duidelijker waar de
stimulus precies vandaan komt
- Bij corticaal neuron -> ook gevoelig oriëntatie stimulus
- Neuronen in visuele schors
o Bewegingsgevoelig
o Richtingsgevoelig
▪ Meer respons bij een beweging in een
bepaalde richting dan een andere
o Orientatiegevoelig (complex cel)
▪ Respons het meeste bij beweging langs
een bepaalde axis
▪ Zo heel specifiek
, Receptor stimulatie -> AP
- Hoe weet je door wat voor stimulus een AP is gekomen (licht, druk, chemisch etc)
- Hierom -> een sensor geeft maar één soort energie door
o ‘’Law of specific nerve energies’’
- Waarom je sterretjes ziet bij een klap op je hoofd -> klap op je hoofd prikkelt de fotoreceptoren
-> prikkels van fotoreceptoren kan alleen als licht interpreteren
o Signaal van fotoreceptoren eindigt in primaire visuele schors
Labeled line principle -> verschillende eigenschappen van sensatie (pijn, aanraking, zien) hangen af van
het eindpunt in het CNS
- Zenuwvezels vervoeren slechts één soort van sensatie
- Het soort sensatie dat je waarneemt wanneer een zenuw wordt gestimuleerd hangt af van het
eindpunt in het CNS
- De AP coderen slechts voor de aanwezigheid en de grootte/duur van de stimulus
- Gevoeligheid voor stimulus -> verschillende receptoren hebben verschillende drempelwaarden
o Hangt ook af van het labeled line principle
▪ Bijvoorbeeld gevoelige/niet gevoelige
drukreceptoren hebben een eigen gebiedje
in de cortex
- Is in het perifeer zenuwstelsel extra goed te zien aan dikte
van axonen
o Dikste axonen voor proprioceptie (spierspoeltjes en
golgi-pees lichaampjes), hebben ook de grootste
geleidingssnelheid
o Ongemyeliniseerde, hele dunne axonen -> pijn en
temperatuur (zijn verwonderlijk de traagste
axonen!
o Zie plaatje!
Primaire somatosensibele cortex
- Heeft aparte laagjes voor verschillende soorten sensibele
informatie
- Verschillende Brodman area’s
- Deze gebieden zijn veel interverbonden
HC15 An somatosensorisch, auditoir en vestibulair systeem
Zintuigsysteem
Stimulus -> sensor receptor (signaal transductie) -> 1e -> 2e -> 3e doorgeefneuron -> corticale neuron
Bij 2e en 3e doorgeefneuronen -> ook bewerking
1e relayneuron
- In spinaal ganglion
- Pseudo-unipolair
e
2 relayneuron
- In ruggenmerg of hersenstam
- Sensatie -> reflex reactie
e
3 relayneuron
- In thalamus
- Cortex -> perceptie -> kunnen reageren met bewustzijn
Receptoren in de periferie (sensor) (pseudo-unipolaire
ganglioncellen
- Receptoren sensitief voor een specifieke soort stimulus
binnen een relatief smal spectrum
- Licht, druk, chemisch, warmte, kou etc
- Signaaltransductie -> omzetten energie stimulus naar
signaal voor CSN
- Reageren door
o Verandering eigen membraanpotentiaal
o (Meer/minder) actiepotentialen genereren
- Neuronen of gespecialiseerd epitheel
- Zie plaatje
Pseudo-unipolair ganglioncel reageert op actiepotentiaal
- Tast -> actiepotentialen bij door stimulus
o On/off
o Stil bij off, AP bij on
- Geluid -> geluidsgolven gaan naar boven en naar
beneden (twee richtingen in het signaal) ->
ganglioncellen geluidsgolf omhoog -> afname in
frequentie, geluidsgolf naar beneden -> toename in
frequentie
o Meer/minder
o Kost wel meer energie -> continu AP
,Van receptoren naar de cortex
- Combinatie van signalen (bewerken) (tussen receptoren en 1e ganglioncel,
dan tussen 2e en 3e etc)
o Convergentie -> meerdere receptoren beïnvloeden één eerste
neuron
o Divergentie -> een receptor staat met verschillende neuronen in
verbinding
o Laterale inhibitie -> invloed receptoren aan buitenkant (inhiberen)
en centrum (stimuleren) anders
- Verhouding receptoren en ganglioncellen en relayneuronen
o Een hoge ratio (veel receptoren voor weinig neuronen)
▪ Heel gevoelig
▪ Minder precies
o Een lage ratio (één receptor per neuron)
▪ Heel precies
▪ Minder gevoelig
Receptieve veld (van een receptor)
- Gebied huid (in het geval van tast) wat een
verandering van membraanpotentiaal genereert
bij de receptor bij aanraking
Receptieve veld wordt gekarakteriseerd door
- Het soort stimulus
- De grootte van het receptieve veld
o In huid twee typen die een groot
receptief veld hebben
o En twee typen die een klein receptief
veld hebben
- Hoe ze reageren
o Tonisch -> zolang er een stimulus is, geven ze een signaal af
o Fasisch -> reageren op de verandering
Receptieve veld (van een corticaal neuron)
- 1e relayneuron -> door convergentie/divergentie/laterale inhibitie wordt
het receptieve veld anders
o Complexer receptieve veld
o Laterale inhibitie -> verhoogt contrast -> duidelijker waar de
stimulus precies vandaan komt
- Bij corticaal neuron -> ook gevoelig oriëntatie stimulus
- Neuronen in visuele schors
o Bewegingsgevoelig
o Richtingsgevoelig
▪ Meer respons bij een beweging in een
bepaalde richting dan een andere
o Orientatiegevoelig (complex cel)
▪ Respons het meeste bij beweging langs
een bepaalde axis
▪ Zo heel specifiek
, Receptor stimulatie -> AP
- Hoe weet je door wat voor stimulus een AP is gekomen (licht, druk, chemisch etc)
- Hierom -> een sensor geeft maar één soort energie door
o ‘’Law of specific nerve energies’’
- Waarom je sterretjes ziet bij een klap op je hoofd -> klap op je hoofd prikkelt de fotoreceptoren
-> prikkels van fotoreceptoren kan alleen als licht interpreteren
o Signaal van fotoreceptoren eindigt in primaire visuele schors
Labeled line principle -> verschillende eigenschappen van sensatie (pijn, aanraking, zien) hangen af van
het eindpunt in het CNS
- Zenuwvezels vervoeren slechts één soort van sensatie
- Het soort sensatie dat je waarneemt wanneer een zenuw wordt gestimuleerd hangt af van het
eindpunt in het CNS
- De AP coderen slechts voor de aanwezigheid en de grootte/duur van de stimulus
- Gevoeligheid voor stimulus -> verschillende receptoren hebben verschillende drempelwaarden
o Hangt ook af van het labeled line principle
▪ Bijvoorbeeld gevoelige/niet gevoelige
drukreceptoren hebben een eigen gebiedje
in de cortex
- Is in het perifeer zenuwstelsel extra goed te zien aan dikte
van axonen
o Dikste axonen voor proprioceptie (spierspoeltjes en
golgi-pees lichaampjes), hebben ook de grootste
geleidingssnelheid
o Ongemyeliniseerde, hele dunne axonen -> pijn en
temperatuur (zijn verwonderlijk de traagste
axonen!
o Zie plaatje!
Primaire somatosensibele cortex
- Heeft aparte laagjes voor verschillende soorten sensibele
informatie
- Verschillende Brodman area’s
- Deze gebieden zijn veel interverbonden