Juridische informatievaardigheden
Redenering
Wat is een redenering?
Onder een redenering verstaan we een verzameling beweringen, waarvan
er één, een conclusie is en de ander gebruikt worden om die ene conclusie
te verdedigen (in plaats van beweringen kan men in bovenstaande
definitie ook spreken over oordelen of proposities).
De beweringen die worden aangevoerd om een conclusie te verdedigen
noemen we premissen (argumenten).
Er zijn een aantal premissen (P1, P2) en er is een conclusie (C). De
premissen worden aangevoerd om de conclusie te verdedigen.
Redeneringen onderscheiden zich van een betoog. Een betoog kan
meerdere conclusies hebben. Maar een redenering kent een verzameling
premissen die gezamenlijk slechts één conclusie ondersteunen. Het is
natuurlijk wel mogelijk dat dezelfde conclusie ook door een verzameling
premissen ondersteund wordt.
Mathilde zal heus niet met Ptjor trouwen (C). In de eerste plaats is uit
alles duidelijk dat ze een gruwelijke hekel aan hem heeft (P1). Maar
bovendien heeft ze al een vaste relatie met Igor (P2)
Wat zijn de criteria die we moeten hanteren bij het beoordelen van
redeneringen?
We kunnen die criteria het best op spoor komen door te vragen wat we
eigenlijk met redeneren willen bereiken. Redeneren is een doelgerichte
menselijke activiteit. Wie redeneert, probeert iets te bereiken.
Het doel van het redeneren is dus het verdedigen van de conclusie. Dit
betekent dat we in de redenering de waarheid of de aanvaardbaarheid van
de conclusie aannemelijk proberen te maken.
Met de waarheid van een bewering bedoelen we dat de bewering klopt
met de werkelijkheid. De aanvaardbaarheid is een iets afgezwakte vorm
daarvan: we mogen redelijkerwijs aannemen dat de bewering klopt met de
werkelijkheid.
Geldigheid
Wanneer we ons afvragen of door deze redenering aangetoond wordt dat
de conclusie juist is dan zijn twee punten van belang:
1) Zijn de premissen die aangevoerd worden waar? In iedere
redenering worden premissen aangevoerd om de conclusie te
bewijzen, maar als minstens één van die premissen zelf onwaar is
dan wordt niets meer bewezen.
2) Volgt de conclusie uit de aangevoerde premissen? Is er een
zodanige relatie tussen premissen en conclusie dat als de premissen
waar zijn ook de conclusie waar is? Wil aangetoond worden dat een
conclusie waar is, dan moet de redenering geldig zijn.
, Dus, het publiek hoort de conclusie van een redenering te aanvaarden
(oftewel de redenering is geldig) wanneer ware premissen worden
uitgevoerd en de conclusie uit de premissen volgt.
Hieruit blijkt dat we twee beoordelingsdimensies kunnen onderscheiden:
de waarheid van de premissen en de geldigheid van de redenering. Als
aan beide voorwaarden voldaan is (de premissen zijn waar en de
redenering is geldig), dan spreken we van een deugdelijke redenering.
Met de twee beoordelingsdimensies corresponderen twee soorten kritiek
die je op een redenering kunt hebben:
1) Je kunt om te beginnen bestrijden dat de premissen waar zijn. Dan
lever je externe kritiek. Je let dan verder niet op de redenering,
maar bestrijdt dat de premissen overeenkomen met de
werkelijkheid.
2) Je kunt ook bestrijden dat de conclusie niet uit de premissen volgt.
Dan lever je interne kritiek. Je kijkt dan niet naar de werkelijkheid
buiten de redenering maar concentreert je op de geldigheid tussen
premissen en conclusie.
Logische geldigheid
Een redenering is geldig indien de conclusie van die redenering volgt uit
de premissen. Om vast te stellen of de conclusies uit de premissen volgt is
het niet van belang om te weten of de premissen waar zijn. Wel van
belang is of de eventuele waarheid van de premissen garant staan voor de
waarheid van de conclusie.
Alle tijgers zijn gestreept en kortharig (P1). Alle mensen zijn tijgers (P2).
Alle mensen zijn gestreept en kortharig (C).
De waarheid van de premissen staan niet garant voor de waarheid van de
conclusie. Hierdoor is de redenering ongeldig.
Men lette goed op het verschil tussen waarheid en geldigheid. Waarheid
is een eigenschap van beweringen, namelijk de eigenschap dat die
beweringen kloppen met de werkelijkheid. Geldigheid is een eigenschap
van redeneringen. Redeneringen zijn geldig als er tussen de beweringen
van zo’n redenering de genoemde relatie bestaat: als de premissen waar
zijn is altijd ook de conclusie waar.
Formele geldigheid
P1 Alle T zijn gestreept en kortharig
P2 Alle mensen zijn T
C Alle mensen zijn gestreept en kortharig
3Alle T zijn gestreept en kortharig’ is geen bewering zolang we niet
weten wat met T wordt bedoeld. Welnu is er met T helemaal niets
bedoeld. T duidt alleen op een lege plaats: als op die plaats iets ingevuld
wordt ontstaat er een bewering.
Bijvoorbeeld 3alle tijgers zijn gestreept en kortharig’ of 3alle peuters zijn
gestreept en kortharig’. De claim is nu dat, wat we ook invullen voor T, de
Redenering
Wat is een redenering?
Onder een redenering verstaan we een verzameling beweringen, waarvan
er één, een conclusie is en de ander gebruikt worden om die ene conclusie
te verdedigen (in plaats van beweringen kan men in bovenstaande
definitie ook spreken over oordelen of proposities).
De beweringen die worden aangevoerd om een conclusie te verdedigen
noemen we premissen (argumenten).
Er zijn een aantal premissen (P1, P2) en er is een conclusie (C). De
premissen worden aangevoerd om de conclusie te verdedigen.
Redeneringen onderscheiden zich van een betoog. Een betoog kan
meerdere conclusies hebben. Maar een redenering kent een verzameling
premissen die gezamenlijk slechts één conclusie ondersteunen. Het is
natuurlijk wel mogelijk dat dezelfde conclusie ook door een verzameling
premissen ondersteund wordt.
Mathilde zal heus niet met Ptjor trouwen (C). In de eerste plaats is uit
alles duidelijk dat ze een gruwelijke hekel aan hem heeft (P1). Maar
bovendien heeft ze al een vaste relatie met Igor (P2)
Wat zijn de criteria die we moeten hanteren bij het beoordelen van
redeneringen?
We kunnen die criteria het best op spoor komen door te vragen wat we
eigenlijk met redeneren willen bereiken. Redeneren is een doelgerichte
menselijke activiteit. Wie redeneert, probeert iets te bereiken.
Het doel van het redeneren is dus het verdedigen van de conclusie. Dit
betekent dat we in de redenering de waarheid of de aanvaardbaarheid van
de conclusie aannemelijk proberen te maken.
Met de waarheid van een bewering bedoelen we dat de bewering klopt
met de werkelijkheid. De aanvaardbaarheid is een iets afgezwakte vorm
daarvan: we mogen redelijkerwijs aannemen dat de bewering klopt met de
werkelijkheid.
Geldigheid
Wanneer we ons afvragen of door deze redenering aangetoond wordt dat
de conclusie juist is dan zijn twee punten van belang:
1) Zijn de premissen die aangevoerd worden waar? In iedere
redenering worden premissen aangevoerd om de conclusie te
bewijzen, maar als minstens één van die premissen zelf onwaar is
dan wordt niets meer bewezen.
2) Volgt de conclusie uit de aangevoerde premissen? Is er een
zodanige relatie tussen premissen en conclusie dat als de premissen
waar zijn ook de conclusie waar is? Wil aangetoond worden dat een
conclusie waar is, dan moet de redenering geldig zijn.
, Dus, het publiek hoort de conclusie van een redenering te aanvaarden
(oftewel de redenering is geldig) wanneer ware premissen worden
uitgevoerd en de conclusie uit de premissen volgt.
Hieruit blijkt dat we twee beoordelingsdimensies kunnen onderscheiden:
de waarheid van de premissen en de geldigheid van de redenering. Als
aan beide voorwaarden voldaan is (de premissen zijn waar en de
redenering is geldig), dan spreken we van een deugdelijke redenering.
Met de twee beoordelingsdimensies corresponderen twee soorten kritiek
die je op een redenering kunt hebben:
1) Je kunt om te beginnen bestrijden dat de premissen waar zijn. Dan
lever je externe kritiek. Je let dan verder niet op de redenering,
maar bestrijdt dat de premissen overeenkomen met de
werkelijkheid.
2) Je kunt ook bestrijden dat de conclusie niet uit de premissen volgt.
Dan lever je interne kritiek. Je kijkt dan niet naar de werkelijkheid
buiten de redenering maar concentreert je op de geldigheid tussen
premissen en conclusie.
Logische geldigheid
Een redenering is geldig indien de conclusie van die redenering volgt uit
de premissen. Om vast te stellen of de conclusies uit de premissen volgt is
het niet van belang om te weten of de premissen waar zijn. Wel van
belang is of de eventuele waarheid van de premissen garant staan voor de
waarheid van de conclusie.
Alle tijgers zijn gestreept en kortharig (P1). Alle mensen zijn tijgers (P2).
Alle mensen zijn gestreept en kortharig (C).
De waarheid van de premissen staan niet garant voor de waarheid van de
conclusie. Hierdoor is de redenering ongeldig.
Men lette goed op het verschil tussen waarheid en geldigheid. Waarheid
is een eigenschap van beweringen, namelijk de eigenschap dat die
beweringen kloppen met de werkelijkheid. Geldigheid is een eigenschap
van redeneringen. Redeneringen zijn geldig als er tussen de beweringen
van zo’n redenering de genoemde relatie bestaat: als de premissen waar
zijn is altijd ook de conclusie waar.
Formele geldigheid
P1 Alle T zijn gestreept en kortharig
P2 Alle mensen zijn T
C Alle mensen zijn gestreept en kortharig
3Alle T zijn gestreept en kortharig’ is geen bewering zolang we niet
weten wat met T wordt bedoeld. Welnu is er met T helemaal niets
bedoeld. T duidt alleen op een lege plaats: als op die plaats iets ingevuld
wordt ontstaat er een bewering.
Bijvoorbeeld 3alle tijgers zijn gestreept en kortharig’ of 3alle peuters zijn
gestreept en kortharig’. De claim is nu dat, wat we ook invullen voor T, de