I. Staat en Recht
II. Het moderne staatsbegrip
II.1 Inleiding
- Oorsprong v.h. begrip “de staat”:
o 17de eeuw:
Wetgeverssoevereiniteit: liberale staat als opvolger v.d. gedecentraliseerde monarchale staat
Uitschakeling concurrerende machtscentra door vorst: kerk, adel en steden verliezen macht
Afnemende band staat - paus/supranationale Kerk: daling macht v.d. paus
Protestantisme: invraagstelling katholicisme met de 95 stellingen (Maarten Luther)
Katholieke vorsten: miskent macht paus en kerkelijke rechtbanken (Henry VIII)
Europees machtsevenwicht: Europese staten spannen samen tegen grote/machtige staten
Oorzaak: religieuze diversiteit
Gevolgen:
o Overlevingsgarantie voor kleinere staten (Mulhouse, Venetië, Genua)
o Machtsversnippering: mogelijkheid voor juristen om, … uit te werken
Interne soevereiniteit: Hobbes met Leviathan
Externe soevereiniteit: zelfverdedigingsrecht van elke staat
o Waarom niet later?: 17de eeuw als essentiële tussenstap/overgangsfase naar de 19 de eeuw
19de -eeuwse liberale staat: meest gebruikte alternatief v.h. begrip
Democratisch verkozen heersers
SDM
Rechtsstaat: staat zelf ook onderworpen a.h. recht
Onvervreemdbare individuele rechten (les droits de l’homme)
o Waarom niet vroeger?: parlem. constit. democr. stamt af van standenvertegenwoordiging en charters
Standenvertegenwoordiging: Quod tangit ad omnes, ab omnibus approbari debet
Wat allen raakt, moet door allen worden goedgekeurd: belastingen
Charters: Mediëvisten die beweren dat er vroeger ook machtsbeperking was
Charter van Kortenberg: constitutioneel document in Brabant 1356
Paix de Fexhe in Luik
Magna Carta in England
Weerstandsrecht/Ius Resistendi: vorst in contract t.a.v. zijn onderdanen die hem kunnen
afzetten als hij zijn taak niet doet
- Leenrecht:
o Wanneer: 10de – 18de eeuw
o Werking: leenheer -> stuk grond aan leenman & Leenman -> trouw aan leenheer
o Onderscheid:
Privaatrecht: leenheer en leenman beide eigenaar (bv. Duitsland)
Leenheer/Keizer: tenietdoen/vervreemden van goederen
Leenman/lokale vorst: (vrucht)gebruik van goederen
Publiekrecht: afhankelijke, versnipperde en kleine vorstendommen (Zuidelijke Nederlanden)
Hertogdom Brabant ≠ Heerlijkheid Mechelen
Hoe zichtbaar?: titels v.d. vorsten (Graaf van …, Hertog van …, Koning van …)
o Conclusies:
Vorst als bron van soevereiniteit, maar
Gebieden zijn enkel door hun persoon verenigd: niets anders gemeensch. met elkaar
, II.2 Staat en Soevereiniteit
- Begrip staat: status/toestand uit het Latijn (natie en republiek als synoniemen)
- Hedendaags internationaal recht:
o Interne soevereiniteit:
Grondgebied
Bevolking
Overheidsinstellingen
o Externe soevereiniteit: capaciteit om buitenlands betrekkingen aan te gaan
- Geweldmonopolie:
o Wat: geweldmonopolie als middel i.d. exclusieve handen v.d. overheid (machtscentralisatie)
Aanvaard door burgers en overheid wel nog onderworpen a.h. recht
Algemeen belang > Individueel belang:
Van rechtswege uitvoerbaarheid: beslissing v.d. overheid direct uitvoerbaar
o <->: geschillen tussen particulieren moeten eerst naar de rechter
Ontstaan van corruptie
o Historisch gegroeid: geweldsmonopolie pas gekomen na strijd
Fronde parlementaire: verslaan v.d. machtige magistraten/edelen door de koning in FR
Bonnets rouges: militaire aanpak van opstandige Bretons die tegen de belastingen v.d. Franse
koning waren
o Compromis: onderwerping in ruil voor ind. vrijheden (bevestiging van onze privileges/voorrechten)
o Conclusie: staat als juridische constructie o.b.v. het compromis en autoriteit/gezag v.d. overheid
II.3 Types Staten
II.3.1 Personele unies
- Meerdere soevereine staten onder gemeenschappelijk staatshoofd (versch. besturen + staatshoofd gem.)
o Bv: Commonwealth met Charles III als staatshoofd van al die landen
o Bv: August II als hertog/keurvorst van Saksen en koning van Polen
II.3.2 Reële unies
- Meerdere staten met éenzelfde staatshoofd, regering en parlement (zelfde bestuur + zelfde staatshoofd)
o Bv: menging van Schots en Engels parlement in 1707, waardoor Schotland verdwijnt
III. Gecentraliseerde staten
- Frankrijk: verlies autonomie deelgebieden tijdens Franse Revolutie
IV. Confederatie vs. Federatie
- Confederatie: gem. afhandeling v beperkt atl. aangelegenheden door onafh. staten
o Soevereiniteit ligt bij de deelstaten
o Beslissingen genomen via grote meerderheid of unanimiteit
o Bv: Republiek der Verenigde Provinciën (1576-1795) + VS bij ontstaan
Staten-Generaal: gemeenschappelijke belangen (gelijk vr. alle prov.)
Provincies: apart intern privaatrecht (verschilt per provincie)
- Federatie: gem. afhandeling alle aangelegenheden via vermenging onafh. deelstaten
o Centraal niveau: soevereiniteit + essentiële bevoegdheden (leger, justitie, …)
o Deelstaten: eigen verkozen instellingen + auton. uitoefening andere bev.
o Bv: Duitsland + VS nu
- Nuance: vage scheidingslijn tussen de 2 vormen (Zwitserland)
o Officieel: confederatie (1648-1815)
1648: onafhankelijkheid Zwitserse kantons van HRR
1815: toevoeging Genève + eeuwige neutraliteit
, o Praktijk: gezien als federatie (Grondwet 1848; overheveling bev. deelstaten naar centraal niveau)
V. Monarchie vs. Republiek
- Monarchie:
o Erfelijke monarchieën: koning volheid van bevoegdheid (tot 19 de eeuw)
o Constitutionele monarchieën:
Grondwet: toegewezen bevoegdheden koning (beperking)
Parlement: residuaire bevoegdheden + controle o.d. koning
- Republiek:
o Verenigde Provinciën:
Wanneer: 1579/1585 (Unie van Utrecht) – 1795 (vroegmoderne tijd)
Wat: provincies grote autonomie en centraal beperkte autonomie
Buitenlandse zaken, leger en financiën
Gemeenschappelijke wetgeving en Geschillen tss. gewesten
Generaliteitslanden: gebieden bestuurd door de prov. samen
o Staats-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht, …
Instellingen:
Staten-Generaal: 1ste en 2de kamers v.h. parlement
Provinciale Staten: vergaderingen in elke provincie
Stadhouder per Provincie: legeraanvoerder (familie v Oranje)
o Venetië:
Wanneer: tot 1797
Wat: handelsaristocratie met navigatie richting het Ottomaanse Rijk
Instellingen: bevoegdheidsverdeling om macht v.d. doge te beperken
Doge: staatshoofd
o Benoemd voor het leven, maar is afzetbaar
o Initiatiefrecht, gn. beslissingsrecht (niks alleen)
Maggior Consiglio: grote raad
o Wat: wetgeving stemmen en startpunt verkiezingen
o Wie: vanaf 1297 enkel adellijke fam. tot 1800 pers.
Collegio:
o Wie:
16 Savii: wijzen
Quaranti: mag. burgerlijk recht en strafrecht
o Wat: inleiden dossiers en uitvoeren besluiten Senato
Consiglio dei Dieci:
o Wie: 10 magistraten
o Wat: afzetten doge
Senato: wetgeving bepreken en bev. vr. buitenlandse zaken
- Conclusie: geen duidelijke afbakening WM, UM en RM i.h. Ancien Régime
, V.1.1 Verkiezingen
A. Stemmen na 1789
- Nut van verkiezingen: zorgt voor legitimiteit van heersers i.d. liberale staat
- Rol van juristen:
o Wie: rechters, wetgevers en professoren
o Wat: monopolie op gespecialiseerde kennis die het besturen v.e. politiek entiteit mogelijk maken
o Bv: ENA in Frankrijk (plek waar ambtenaren worden opgeleid)
II. Meerderheidssysteem vs. Evenredigheidsysteem
- Meerderheidssysteem: partij/kandidaat zetels indien meer stemmen dan tegenstander
o Bv: VK en Frankrijk
- Evenredigheidssysteem: partij evenveel zetels als procent behaalde stemmen (5% kiesdrempel in België)
o Bv: België, Nederland en Duitsland (Zweitstimme als mengeling v.d. 2)
III. Vertegenwoordigde democratie vs. Directe democratie
- Vertegenwoordigde democratie: door natie verkozen vert. met mandaat die wetten stemmen en UM control.
o Abbé Sieyès: voorvader (toegepast in België)
- Directe democratie: natie voert zelf beleid via bv. referendums of rechtstreekse presidentsverkiezingen
o Jean-Jacques Rousseau: voorvader (volonté générale toegepast i.d. Zwitserse kantons)
IV. Stemmen voor 1789
- Ancien Régime:
o Electieve monarchie: vaak verkozen vorsten (vorst verkiezen gezien als een zwakte)
Polen/HRR: koning aangeduid door assemblee van keurvorsten
Hongarije: Habsburgers pas in 1687 erin gelukt kroon erfelijk te maken (VK/FR al vroeger)
o Kwalitatief, niet kwantitatief o.b.v. unanimiteit
Kwantitatief: stemmen optellen en zo zetels verdelen
Kwalitatief:
Wat: stemmen als bevestiging v.e. vooraf vaststaand hogere/goddelijke oordeel
Gevolg: unanimiteit (iedereen moet voor stemmen, 1 stem tegen is het einde)
Bv:
Prinsbisschop Luik: verkozen door het kapittel (hebben geen kinderen, daarom)
Abten en grote kloosterordes: ernstige zaak, want gaat om leidinggevende functies
II. Het moderne staatsbegrip
II.1 Inleiding
- Oorsprong v.h. begrip “de staat”:
o 17de eeuw:
Wetgeverssoevereiniteit: liberale staat als opvolger v.d. gedecentraliseerde monarchale staat
Uitschakeling concurrerende machtscentra door vorst: kerk, adel en steden verliezen macht
Afnemende band staat - paus/supranationale Kerk: daling macht v.d. paus
Protestantisme: invraagstelling katholicisme met de 95 stellingen (Maarten Luther)
Katholieke vorsten: miskent macht paus en kerkelijke rechtbanken (Henry VIII)
Europees machtsevenwicht: Europese staten spannen samen tegen grote/machtige staten
Oorzaak: religieuze diversiteit
Gevolgen:
o Overlevingsgarantie voor kleinere staten (Mulhouse, Venetië, Genua)
o Machtsversnippering: mogelijkheid voor juristen om, … uit te werken
Interne soevereiniteit: Hobbes met Leviathan
Externe soevereiniteit: zelfverdedigingsrecht van elke staat
o Waarom niet later?: 17de eeuw als essentiële tussenstap/overgangsfase naar de 19 de eeuw
19de -eeuwse liberale staat: meest gebruikte alternatief v.h. begrip
Democratisch verkozen heersers
SDM
Rechtsstaat: staat zelf ook onderworpen a.h. recht
Onvervreemdbare individuele rechten (les droits de l’homme)
o Waarom niet vroeger?: parlem. constit. democr. stamt af van standenvertegenwoordiging en charters
Standenvertegenwoordiging: Quod tangit ad omnes, ab omnibus approbari debet
Wat allen raakt, moet door allen worden goedgekeurd: belastingen
Charters: Mediëvisten die beweren dat er vroeger ook machtsbeperking was
Charter van Kortenberg: constitutioneel document in Brabant 1356
Paix de Fexhe in Luik
Magna Carta in England
Weerstandsrecht/Ius Resistendi: vorst in contract t.a.v. zijn onderdanen die hem kunnen
afzetten als hij zijn taak niet doet
- Leenrecht:
o Wanneer: 10de – 18de eeuw
o Werking: leenheer -> stuk grond aan leenman & Leenman -> trouw aan leenheer
o Onderscheid:
Privaatrecht: leenheer en leenman beide eigenaar (bv. Duitsland)
Leenheer/Keizer: tenietdoen/vervreemden van goederen
Leenman/lokale vorst: (vrucht)gebruik van goederen
Publiekrecht: afhankelijke, versnipperde en kleine vorstendommen (Zuidelijke Nederlanden)
Hertogdom Brabant ≠ Heerlijkheid Mechelen
Hoe zichtbaar?: titels v.d. vorsten (Graaf van …, Hertog van …, Koning van …)
o Conclusies:
Vorst als bron van soevereiniteit, maar
Gebieden zijn enkel door hun persoon verenigd: niets anders gemeensch. met elkaar
, II.2 Staat en Soevereiniteit
- Begrip staat: status/toestand uit het Latijn (natie en republiek als synoniemen)
- Hedendaags internationaal recht:
o Interne soevereiniteit:
Grondgebied
Bevolking
Overheidsinstellingen
o Externe soevereiniteit: capaciteit om buitenlands betrekkingen aan te gaan
- Geweldmonopolie:
o Wat: geweldmonopolie als middel i.d. exclusieve handen v.d. overheid (machtscentralisatie)
Aanvaard door burgers en overheid wel nog onderworpen a.h. recht
Algemeen belang > Individueel belang:
Van rechtswege uitvoerbaarheid: beslissing v.d. overheid direct uitvoerbaar
o <->: geschillen tussen particulieren moeten eerst naar de rechter
Ontstaan van corruptie
o Historisch gegroeid: geweldsmonopolie pas gekomen na strijd
Fronde parlementaire: verslaan v.d. machtige magistraten/edelen door de koning in FR
Bonnets rouges: militaire aanpak van opstandige Bretons die tegen de belastingen v.d. Franse
koning waren
o Compromis: onderwerping in ruil voor ind. vrijheden (bevestiging van onze privileges/voorrechten)
o Conclusie: staat als juridische constructie o.b.v. het compromis en autoriteit/gezag v.d. overheid
II.3 Types Staten
II.3.1 Personele unies
- Meerdere soevereine staten onder gemeenschappelijk staatshoofd (versch. besturen + staatshoofd gem.)
o Bv: Commonwealth met Charles III als staatshoofd van al die landen
o Bv: August II als hertog/keurvorst van Saksen en koning van Polen
II.3.2 Reële unies
- Meerdere staten met éenzelfde staatshoofd, regering en parlement (zelfde bestuur + zelfde staatshoofd)
o Bv: menging van Schots en Engels parlement in 1707, waardoor Schotland verdwijnt
III. Gecentraliseerde staten
- Frankrijk: verlies autonomie deelgebieden tijdens Franse Revolutie
IV. Confederatie vs. Federatie
- Confederatie: gem. afhandeling v beperkt atl. aangelegenheden door onafh. staten
o Soevereiniteit ligt bij de deelstaten
o Beslissingen genomen via grote meerderheid of unanimiteit
o Bv: Republiek der Verenigde Provinciën (1576-1795) + VS bij ontstaan
Staten-Generaal: gemeenschappelijke belangen (gelijk vr. alle prov.)
Provincies: apart intern privaatrecht (verschilt per provincie)
- Federatie: gem. afhandeling alle aangelegenheden via vermenging onafh. deelstaten
o Centraal niveau: soevereiniteit + essentiële bevoegdheden (leger, justitie, …)
o Deelstaten: eigen verkozen instellingen + auton. uitoefening andere bev.
o Bv: Duitsland + VS nu
- Nuance: vage scheidingslijn tussen de 2 vormen (Zwitserland)
o Officieel: confederatie (1648-1815)
1648: onafhankelijkheid Zwitserse kantons van HRR
1815: toevoeging Genève + eeuwige neutraliteit
, o Praktijk: gezien als federatie (Grondwet 1848; overheveling bev. deelstaten naar centraal niveau)
V. Monarchie vs. Republiek
- Monarchie:
o Erfelijke monarchieën: koning volheid van bevoegdheid (tot 19 de eeuw)
o Constitutionele monarchieën:
Grondwet: toegewezen bevoegdheden koning (beperking)
Parlement: residuaire bevoegdheden + controle o.d. koning
- Republiek:
o Verenigde Provinciën:
Wanneer: 1579/1585 (Unie van Utrecht) – 1795 (vroegmoderne tijd)
Wat: provincies grote autonomie en centraal beperkte autonomie
Buitenlandse zaken, leger en financiën
Gemeenschappelijke wetgeving en Geschillen tss. gewesten
Generaliteitslanden: gebieden bestuurd door de prov. samen
o Staats-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht, …
Instellingen:
Staten-Generaal: 1ste en 2de kamers v.h. parlement
Provinciale Staten: vergaderingen in elke provincie
Stadhouder per Provincie: legeraanvoerder (familie v Oranje)
o Venetië:
Wanneer: tot 1797
Wat: handelsaristocratie met navigatie richting het Ottomaanse Rijk
Instellingen: bevoegdheidsverdeling om macht v.d. doge te beperken
Doge: staatshoofd
o Benoemd voor het leven, maar is afzetbaar
o Initiatiefrecht, gn. beslissingsrecht (niks alleen)
Maggior Consiglio: grote raad
o Wat: wetgeving stemmen en startpunt verkiezingen
o Wie: vanaf 1297 enkel adellijke fam. tot 1800 pers.
Collegio:
o Wie:
16 Savii: wijzen
Quaranti: mag. burgerlijk recht en strafrecht
o Wat: inleiden dossiers en uitvoeren besluiten Senato
Consiglio dei Dieci:
o Wie: 10 magistraten
o Wat: afzetten doge
Senato: wetgeving bepreken en bev. vr. buitenlandse zaken
- Conclusie: geen duidelijke afbakening WM, UM en RM i.h. Ancien Régime
, V.1.1 Verkiezingen
A. Stemmen na 1789
- Nut van verkiezingen: zorgt voor legitimiteit van heersers i.d. liberale staat
- Rol van juristen:
o Wie: rechters, wetgevers en professoren
o Wat: monopolie op gespecialiseerde kennis die het besturen v.e. politiek entiteit mogelijk maken
o Bv: ENA in Frankrijk (plek waar ambtenaren worden opgeleid)
II. Meerderheidssysteem vs. Evenredigheidsysteem
- Meerderheidssysteem: partij/kandidaat zetels indien meer stemmen dan tegenstander
o Bv: VK en Frankrijk
- Evenredigheidssysteem: partij evenveel zetels als procent behaalde stemmen (5% kiesdrempel in België)
o Bv: België, Nederland en Duitsland (Zweitstimme als mengeling v.d. 2)
III. Vertegenwoordigde democratie vs. Directe democratie
- Vertegenwoordigde democratie: door natie verkozen vert. met mandaat die wetten stemmen en UM control.
o Abbé Sieyès: voorvader (toegepast in België)
- Directe democratie: natie voert zelf beleid via bv. referendums of rechtstreekse presidentsverkiezingen
o Jean-Jacques Rousseau: voorvader (volonté générale toegepast i.d. Zwitserse kantons)
IV. Stemmen voor 1789
- Ancien Régime:
o Electieve monarchie: vaak verkozen vorsten (vorst verkiezen gezien als een zwakte)
Polen/HRR: koning aangeduid door assemblee van keurvorsten
Hongarije: Habsburgers pas in 1687 erin gelukt kroon erfelijk te maken (VK/FR al vroeger)
o Kwalitatief, niet kwantitatief o.b.v. unanimiteit
Kwantitatief: stemmen optellen en zo zetels verdelen
Kwalitatief:
Wat: stemmen als bevestiging v.e. vooraf vaststaand hogere/goddelijke oordeel
Gevolg: unanimiteit (iedereen moet voor stemmen, 1 stem tegen is het einde)
Bv:
Prinsbisschop Luik: verkozen door het kapittel (hebben geen kinderen, daarom)
Abten en grote kloosterordes: ernstige zaak, want gaat om leidinggevende functies