Varken
De prevalentie en het belang van de parasieten is in de laatste decennia veranderd, door
intensifiëring van de varkenshouderij. Sommige parasieten zijn verdwenen zoals Metastrongylus
maar andere zijn belangrijk(er) gebleven/geworden zoals (Cyto)isospora, Ascaris, Sarcoptes
Bij biovarkens kunnen er weer sommige parasitaire infecties opkomen die vandaag verdwenen zijn
(vb longworm, heeft regenworm nodig als tussengastheer), maar de hoeveelheid biobedrijven is zeer
klein.
De parasitaire ziektes zijn vaak van weinig klinisch belang maar toch belangrijk bij onze
varkenssector. Varkenssector heeft een zeer kleine winstsector, dus elk parasiet die zorgt voor een
productiedaling is zeer belangrijk. De varkenshouder is zich vaak niet bewust van de gevolgen van de
parasiet doordat hij visueel niks mis ziet aan het dier.
Er zijn vaak verborgen schades en productieverliezen zoals :
- Verminderde gewichtsaanzet
- Gestegen voederconversie
- Repercussie op slachtwaarde
Echter is de prioriteit laag bij dierenartsen en varkenshouders, onderzoek wordt weinig gedaan +
weinig aandacht voor controleprogramma’s.
Maagparasieten:
- Hyostrongylus rubidus
Darmparasieten
- Cryptosporidium spp.
- (Cysto)isospora suis, Eimeria spp
- Ascaris suis
- Strongyloides ransomi
- Oesophagostomum dentatum
- Trichuris suis
Longwormen :
- Metastrongylus elongatus
Spieren, organen :
- Toxoplasma gondii
- Trichinella spp.
- Taenia solium (cysticercose)
1
, PARASIETEN VAN HET MAAGDARM-STELSEL
Coccidiose of Isospora suis
INLEIDING
Coccidia bij het varken :
- Isospora suis
- (Eimeria spp.) niet pathogeen bij het varken, de oöcysten lijken wel goed op elkaar
- (Crytosporidium)
o C. suis
o C. srofarum (pig genotype II)
o C. parvum
Enkel Isospora suis wordt als pathogeen beschouwd bij het varken en klinische cocciciose wordt
vooral veroorzaakt bij biggen < 2 à 3 weken. Dit is dus op het moment dat de biggen nog bij de
zeugen zijn (biggen worden gespeend op 4 weken).
Isospora is de belangrijkste oorzaak van neonatale diarree.
LEVENSCYCLUS.
Het is een rechtstreekse cyclus, dus zonder tussengastheren. De
oöcysten worden uitgescheiden in de faeces en deze zijn na enkele
dagen infectieus en resistent.
De transmissie vindt feco-oraal plaats met 3 opeenvolgende fases :
- Shizogonie
- Gametogonie Endogeen
- Sporogonie : Exogeen
Exogeen vindt er dus de sporogonie of dus het sporuleren plaats van
de oocyst in de omgeving.
De PP = 5-7 dagen waarbij de ei-uitscheiding het grootste is bij 12 dagen oude biggen. Ze gaan vrij
snel stoppen met uitscheiden door snelle immuniteitsopbouw.
De exogene ontwikkeling of dus de sporogonie vindt plaats in enkele dagen. Oöcysten zijn zeer
resistent in de omgeving waardoor de hele omgeving gecontamineerd is bij de uitscheiding.
EPIDEMIOLOGIE
Isospora suis heeft een verspreid voorkomen in Europa. De bron van de infectie is niet de zeug omdat
immuniteit snel opgebouwd wordt! Het is vooral de omgeving die de belangrijkste bron is van de
infectie. Geïnfecteerde biggen kunnen > 100.000 oöcysten uitscheiden per gram feces, waardoor er
een massale besmetting is van de omgeving. Deze oöcysten zijn zeer resistent in de omgeving maar
2
, zijn wel gevoelig aan hoge temperaturen (> 37°C à 40°C) waardoor ze zullen afsterven. Infectie vindt
plaats door het opnemen van de oöcysten in het kraamhok, afkomstig van vorige tomen.
Biggen blijven in de kraamstal tot de leeftijd van 3 weken Biggenbaterij tot 10-12 weken
Vetmest. Een jonge zeug kan de kraamstal wel gaan contamineren, wat vervolgens de biggen kan
contamineren. Afhankelijk van de infectiedruk zullen wel of geen symptomen gaan ontwikkelen bij
de biggen. Bij een hoog infectieniveau zijn er ernstige klinische symptomen. Hygiëne in de stal is dus
zeer belangrijk! In de biggenbatterij zijn er geen klinische symptomen door het opbouwen van
immuniteit.
Er bestaan een aantal predisponerende factoren aan de infectie, Isospora wordt daarom vooral
gezien :
- Op alle type bedrijven
- Meer op grote bedrijven
- Meer op volle vloer
IMMUNTEIT
Er is bij de biggen geen maternale immuniteit tegen Isospora. Isopora is sterk immunogeen
waardoor alleen jonge biggen ziek worden en zeugen immuun zijn. Besmette biggen bouwen heel
snel resistentie op. Isopora suis komt daarom vooral voor bij jonge biggen. Bij oudere varkens ziet
men vooral Eimeria spp. Die niet pathogeen is.
- Licht infectie druk immuniteitsopbouw.
- Zware infectiedruk immuniteit verliest en big krijgt diarree rond de 10 dagen. Je ziet
enteritis, de ziekte is na een week verdwenen. De darm zal wel beschadigd zijn, de vili zijn
verkort dus er is minder resorptie van voedingsstoffen wat zorgt voor een groeivermindering
en wat dus langer duurt dan de klinische symptomen.
PATHOGENESE EN PATHOLOGIE.
Isospora is primair pathogeen bij jonge biggen en zal ziekte veroorzaken op 8-15 dagen leeftijd. Het
heeft een hoge morbiditeit en een lage mortaliteit (±4%). De meeste letsels worden gezien bij het
aseksueel vermeerderen van de kiem (= tijdens de PP), dus de schizogonie, met als gevolg
vilusatrofie. Je hebt dan nog geen oöcysten (kan je dus niet terug vinden in faeces).
Een uitgesproken enteritis (soms necrotisch) zal gaan ontwikkelen ter hoogte van de dunne darm,
voornamelijk jejunum en ileum. Een co-infectie met het rota-virus of E.coli zal de symptomen gaan
verergeren. De patho-morfologische veranderingen in de gastheer persisteren aanzienlijk langer dan
de periode van klinische ziekte : subklinisch belang.
3
De prevalentie en het belang van de parasieten is in de laatste decennia veranderd, door
intensifiëring van de varkenshouderij. Sommige parasieten zijn verdwenen zoals Metastrongylus
maar andere zijn belangrijk(er) gebleven/geworden zoals (Cyto)isospora, Ascaris, Sarcoptes
Bij biovarkens kunnen er weer sommige parasitaire infecties opkomen die vandaag verdwenen zijn
(vb longworm, heeft regenworm nodig als tussengastheer), maar de hoeveelheid biobedrijven is zeer
klein.
De parasitaire ziektes zijn vaak van weinig klinisch belang maar toch belangrijk bij onze
varkenssector. Varkenssector heeft een zeer kleine winstsector, dus elk parasiet die zorgt voor een
productiedaling is zeer belangrijk. De varkenshouder is zich vaak niet bewust van de gevolgen van de
parasiet doordat hij visueel niks mis ziet aan het dier.
Er zijn vaak verborgen schades en productieverliezen zoals :
- Verminderde gewichtsaanzet
- Gestegen voederconversie
- Repercussie op slachtwaarde
Echter is de prioriteit laag bij dierenartsen en varkenshouders, onderzoek wordt weinig gedaan +
weinig aandacht voor controleprogramma’s.
Maagparasieten:
- Hyostrongylus rubidus
Darmparasieten
- Cryptosporidium spp.
- (Cysto)isospora suis, Eimeria spp
- Ascaris suis
- Strongyloides ransomi
- Oesophagostomum dentatum
- Trichuris suis
Longwormen :
- Metastrongylus elongatus
Spieren, organen :
- Toxoplasma gondii
- Trichinella spp.
- Taenia solium (cysticercose)
1
, PARASIETEN VAN HET MAAGDARM-STELSEL
Coccidiose of Isospora suis
INLEIDING
Coccidia bij het varken :
- Isospora suis
- (Eimeria spp.) niet pathogeen bij het varken, de oöcysten lijken wel goed op elkaar
- (Crytosporidium)
o C. suis
o C. srofarum (pig genotype II)
o C. parvum
Enkel Isospora suis wordt als pathogeen beschouwd bij het varken en klinische cocciciose wordt
vooral veroorzaakt bij biggen < 2 à 3 weken. Dit is dus op het moment dat de biggen nog bij de
zeugen zijn (biggen worden gespeend op 4 weken).
Isospora is de belangrijkste oorzaak van neonatale diarree.
LEVENSCYCLUS.
Het is een rechtstreekse cyclus, dus zonder tussengastheren. De
oöcysten worden uitgescheiden in de faeces en deze zijn na enkele
dagen infectieus en resistent.
De transmissie vindt feco-oraal plaats met 3 opeenvolgende fases :
- Shizogonie
- Gametogonie Endogeen
- Sporogonie : Exogeen
Exogeen vindt er dus de sporogonie of dus het sporuleren plaats van
de oocyst in de omgeving.
De PP = 5-7 dagen waarbij de ei-uitscheiding het grootste is bij 12 dagen oude biggen. Ze gaan vrij
snel stoppen met uitscheiden door snelle immuniteitsopbouw.
De exogene ontwikkeling of dus de sporogonie vindt plaats in enkele dagen. Oöcysten zijn zeer
resistent in de omgeving waardoor de hele omgeving gecontamineerd is bij de uitscheiding.
EPIDEMIOLOGIE
Isospora suis heeft een verspreid voorkomen in Europa. De bron van de infectie is niet de zeug omdat
immuniteit snel opgebouwd wordt! Het is vooral de omgeving die de belangrijkste bron is van de
infectie. Geïnfecteerde biggen kunnen > 100.000 oöcysten uitscheiden per gram feces, waardoor er
een massale besmetting is van de omgeving. Deze oöcysten zijn zeer resistent in de omgeving maar
2
, zijn wel gevoelig aan hoge temperaturen (> 37°C à 40°C) waardoor ze zullen afsterven. Infectie vindt
plaats door het opnemen van de oöcysten in het kraamhok, afkomstig van vorige tomen.
Biggen blijven in de kraamstal tot de leeftijd van 3 weken Biggenbaterij tot 10-12 weken
Vetmest. Een jonge zeug kan de kraamstal wel gaan contamineren, wat vervolgens de biggen kan
contamineren. Afhankelijk van de infectiedruk zullen wel of geen symptomen gaan ontwikkelen bij
de biggen. Bij een hoog infectieniveau zijn er ernstige klinische symptomen. Hygiëne in de stal is dus
zeer belangrijk! In de biggenbatterij zijn er geen klinische symptomen door het opbouwen van
immuniteit.
Er bestaan een aantal predisponerende factoren aan de infectie, Isospora wordt daarom vooral
gezien :
- Op alle type bedrijven
- Meer op grote bedrijven
- Meer op volle vloer
IMMUNTEIT
Er is bij de biggen geen maternale immuniteit tegen Isospora. Isopora is sterk immunogeen
waardoor alleen jonge biggen ziek worden en zeugen immuun zijn. Besmette biggen bouwen heel
snel resistentie op. Isopora suis komt daarom vooral voor bij jonge biggen. Bij oudere varkens ziet
men vooral Eimeria spp. Die niet pathogeen is.
- Licht infectie druk immuniteitsopbouw.
- Zware infectiedruk immuniteit verliest en big krijgt diarree rond de 10 dagen. Je ziet
enteritis, de ziekte is na een week verdwenen. De darm zal wel beschadigd zijn, de vili zijn
verkort dus er is minder resorptie van voedingsstoffen wat zorgt voor een groeivermindering
en wat dus langer duurt dan de klinische symptomen.
PATHOGENESE EN PATHOLOGIE.
Isospora is primair pathogeen bij jonge biggen en zal ziekte veroorzaken op 8-15 dagen leeftijd. Het
heeft een hoge morbiditeit en een lage mortaliteit (±4%). De meeste letsels worden gezien bij het
aseksueel vermeerderen van de kiem (= tijdens de PP), dus de schizogonie, met als gevolg
vilusatrofie. Je hebt dan nog geen oöcysten (kan je dus niet terug vinden in faeces).
Een uitgesproken enteritis (soms necrotisch) zal gaan ontwikkelen ter hoogte van de dunne darm,
voornamelijk jejunum en ileum. Een co-infectie met het rota-virus of E.coli zal de symptomen gaan
verergeren. De patho-morfologische veranderingen in de gastheer persisteren aanzienlijk langer dan
de periode van klinische ziekte : subklinisch belang.
3