Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 73 pages
Other

Opgeloste examenvragen algemene weefselleer met tekeningen

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 73 pages

De opgeloste examenvragen van het vak algemene weefselleer voor het eerste jaar tandheelkunde en biomedische wetenschappen. Uitgewerkt met tekeningen, gemaakt door 2 studenten.

Content preview

Methoden en technieken
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie (TEM). Wat kan je met beide
technieken onderzoeken? Hoe moet het te onderzoeken weefsel voorbewerkt worden voor deze methoden en
waarom?


We gebruiken microscopen om objecten te bestuderen die te klein zijn om met het blote oog te zien.


De lichtmicroscoop maakt voor de vergrote afbeelding gebruik van zichtbaar licht. We maken gebruik van licht dat op het
object zelf valt en weerkaatst wordt (stereomicroscoop). Of met doorvallend licht (microscoop met oculairen en een objectief).
Vooral gebruikt om eerder het geheel van de cel te zien, bijvoorbeeld waarnemen van de mitose/meiose tot 0.2 micrometer.


Om cellen te kunnen zien zonder kleurstof te gebruiken, wordt ‘faze contrast’ microscopie gebruikt. Objecten worden
weergegeven door donkere en lichtere banden door meer of minder verstrooiing van licht.


Indien we wel kleurstof gebruiken spreken we van uorescentie microscopie. Licht van een speci eke gol engte wordt
gebruikt om uorescente moleculen te laten oplichten. Hiervoor worden uorescente eiwitten gebruikt.


Weefselpreparatie:
De cellulaire structuur moet eerst een aantal bewerkingen doorlopen.
1. Bewaren en xeren van weefsel ( invriezen of xeren)
2. Vervaardigen van weefselcoupes —> via paraf ne, dan versnijden
3. Kleuren van de weefselsnedes



Bij TEM worden elektronen door een preparaat geschoten en opgevangen door een gevoelige plaat. Waar weefsel dikker,
meeste verstrooiing van elektronen.
We bestuderen hier intracellulaire structuren mee tot minder dan 0.1nm, dit is dan ultrastructuur. Virussen, DNA, afzonderlijke
moleculen, …


Weefselpreparatie:
Er moeten zeer dunnen coupes gemaakt worden (0.1 micrometer). De ge xeerde weefsels worden ingebed door epoxyhars
en moeten gesneden worden met een diamant-/glasmes.


Een tweede xatie zorgt voor de ‘kleuring’ van het weefsel. Oso4 maakt het weefsel zwaarder waardoor een donkerdere kleur
bij meer massa weefsel (er is meer verstrooiing van elektronen).


Waarom voorbewerking?
Het weefsel moet bewaard worden opdat de oorspronkelijke toestand zoveel mogelijk bewaard blijft (zowel chemisch als
structureel). Afbraak processen moeten worden afgeremd. Macromoleculaire structuur moet intact worden gehouden.
LICHT ELEKTRON
BRON
BRON




CONDENSATOR CONDENSATOR
LENS LENS
&
LICHT S
STAAL STAAL
&
S
TEM
I I
I I
OBJECTIEVE OBJECTIEVE
LENS
/
LENS


EYE PIECE
/ [
PROJECTIE
LENS LENS
-
& 7 BEELD BEELD
7


fl
fi fi fifl
fi fl fi

, 2. Bespreek de “ xatie” aan de hand van formaldehyde en glutaraldehyde bij de staalpreparatie voor histologie. Voor
welke histologische methoden worden deze gebruikt?


Om weefsel te xeren wordt het ondergedompeld in een xatievloeistof (= xator) waardoor er covalente bindingen worden
gevormd met de N-terminale groepen van eiwitten, volgens crosslinking.
De eiwitten worden aan het cytoskelet en hun interagerende eiwitten vastgehecht waardoor de structuur zoveel mogelijk
bewaard blijft. De meeste enzymen verliezen ook hun werking.
Duurt 2 tot 24 uur. De hoeveelheid xator moet minimaal 5X het volume zijn van het weefsel.



Voor lichtmicroscopie:
Meest gebruikte xator is formol, een waterige oplossing op basis van formaldhyde. De nadelen hieraan zijn dat DNA en RNA
ook gecrosslinked kunnen worden. Dit is omkeerbaar maar de nucleïnezuren worden dan vaak gefragmenteerd en dan is
genetische analyse vaak niet meer mogelijk.


Het ge xeerde weefsel is zacht en kan niet aangesneden worden dus wordt ingebed in paraf ne. (Paraf ne heeft hydrofobe
eigenschappen dus dit mag niet zomaar worden gemengd. Het weefsel wordt eerst ontdaan van water, dan uitgespoeld met
tolueen of xyleen). Door paraf ne is het een harde blok geworden die we kunnen aansnijden met een microtoom.
Fragmenten zijn 5-10 micrometer
11
coupes


Voor elektronenmicroscopie:
Nadat de cellen zijn gescheiden van hun bloedvoorziening zal er osmotische zwelling optreden dus moeten we snel en goed
xeren. De xatie gebeurt in gekoelde glutaaraldehyde (4°) en wordt gevolgd door een tweede xatie in OsO4 om vetten te
bewaren en gewicht toe te voegen waardoor bepaalde plaatsen in het weefsel beter zichtbaar zijn.
Fragmenten zijn max. 1-2mm groot.


Voor TEM moeten dunne coupes gesneden worden (1 micrometer), hiervoor worden de ge xeerde weefsels nog eens
ingebed in epoxyhars. Nu kunnen de coupes gesneden worden door een diamant of glasmes.



FORMALDEHYDE :




HzC = 0 + H20 >
HOCHzOH


GLUTAARALDEHYDE :




W W


11




fi fi fi fi fifi fi fi fi fi

,3. Geef de gelijkenissen en verschillen tussen immunohistochemie en immuno uorescentie.


Immunochemische kleuringen maken gebruik van de speci eke binding van antistoffen en antigenen.
Antigenen = lichaamsvreemde/-eigen stoffen
Antistoffen = afweerproducten tegen antigenen gemaakt door het immunologisch afweersysteem
● af niteit van een antistof
● Speci citeit
● Sensitiviteit


Wanneer een bepaald antigeen in de weefselcoupe aanwezig is, zal een antistof een immuuncomplex vormen thv dit
antigeen. De antistof wordt gebonden aan een uorescerende molecule, enzym, biotisch of goudpartikel.


Immunohistochemie:
In het weefsel brengen we primaire/secundaire antistoffen en geven de tijd om zich te binden aan het antigeen die we willen
bestuderen. Een actief enzym zal reageren en omgezet worden naar een bruin precipitaat op de plaats waar het antigen
gebonden is. Zo kan er bepaald worden waar het antigen zich bevindt. Er kan maar 1 antigeen worden gevisualiseerd.
Met biotine: antistof gelabeld ,daarna uorofoor complex toegevoegd met hoge af niteit voor biotine
Met goud: = zwaar ==> TEM


Immunohisto uorescentie:
De antigenen worden herkend doordat de primaire/secundaire antistoffen zijn gekoppeld aan een uorofoor (geeft licht bij
beschijnen). Er kunnen verschillende antigenen worden gevisualiseerd omdat we meerdere uoroforen kunnen gebruiken.


Doel beide: aantonen en lokaliseren van een antigeen met behulp van speci eke antistoffen in weefselcoupes. Onderzoek op
eiwitniveau.


* ⑧ variabel
antigen bindt hier



constant




fi fi fl fl fl fi

, 4. Bespreek directe, indirecte en geampi ceerde immunohistochemie en immuno uorescentie. Waarom bestaan
deze verschillende afgeleide methoden?


Direct: het primaire antistof is zelf gelabeld. Techniek is snel, eenvoudig maar weinig signaalversterking en lage hoeveelheden
antigeen worden moeilijk gedetecteerd.
Meest gebruikt om immuunglobuline en complementdeposities op te sporen in huid- en nierpuncties.
Beste resultaat is in virescoupes met uoresceïne.


Indirect: primaire antistof is niet gelabeld. Tweede antistof is wel gelabeld en bindt met zijn variabele deel aan het constante
deel van de antistof, dit leidt tot een kleuring of uorescent signaal.
Gevoeliger want meerdere bindingsplaatsen voor het secundaire op het primaire.
Meer signaal per bindingsplaats van het primair antilichaam met antigeen.
Speci eker, exibel. Ef ciënter.


Ampli catie: secundaire antistof bindt met zijn variabel deel aan het variabel deel van een primair antistof.
Door streptavidin kunnen veel uorescente eiwitten binden wat zorgt voor signaalversterking.
Twee antistoffen kunnen zeer sterk met elkaar interageren en vormen grote complexen.


5. Welke verwerkingsstappen doorloopt een weefselstukje tussen resectie tijdens operatie en diagnostiek middels
lichtmicroscopie? Licht iedere stap toe.


1) Fixatie. Meteen na resectie moet het stukje weefsel snel en goed worden ge xeerd. Het wordt ondergedompeld in een
xator om de macromoleculaire structuur zo intact mogelijk te houden.
De meest gebruikte xator is formol.


2) Inbedding. Het weefsel is nu nog zacht dus wordt ingebed in paraf ne. De xator mag niet zomaar gemengd worden met
paraf ne en daarom wordt het weefsel eerst ontdaan van water en nadien gespoeld met tolueen/xyleen. Als de paraf ne is
opgesteven is het een harde blok die aangesneden kan worden.


3) Snijden. Het weefsel wordt gesneden met een microtoom. Ze zijn 5-10 micrometer dik.


4) Kleuren. De weefselcoupes kunnen nu gekleurd worden zodat bepaalde celbestanddelen speci ek aan te tonen zijn.
Voorbeeld van kleuring is de Haematoxyline-Eosine kleuring.


5) Microscopische analyse. De weefselcoupes worden onderzocht onder de lichtmicroscoop.


(Of invriezen. Het weefsel wordt dan in een OCT-oplossing ingevroren aan de hand van onderkoeld isopentaan. Nadien wordt
het aangesneden met een gekoeld microtoom in vriescoupes. Heeft dus geen inbedding nodig en kan meteen gekleurd
worden.)




fi

fifi fl fi fi fl fl fi fl fi

Document information

Study
Uploaded on
February 14, 2025
Number of pages
73
Written in
2023/2024
Type
Other
Person
Unknown
$24.42

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
1
Last sold
1 year ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions