Hoorcollege 2.1
Voor polymerisatie is er ATP en een katalysator nodig.
Suikers zijn polymeren, geen macromeren.
Alles wat gepolymeriseerd is zijn macromoleculen.
Monosacchariden
➢ Aantal koolstofatomen
➢ Locatie carbonylgroep (c=o)
➢ Lineaire of cyclische structuur
Glucose en ribose moet je weten
a-glucose (OH omlaag)(zetmeel) en b-glucose (OH omhoog)(cellulose), mensen kunnen alleen a-
glucose polymeren te verteren.
Binding tussen monomeren is een glycosidic binding (-O-).
Maltose = 2 glucose
Lactose = glucose en galactose
Sucrose = glucose en fructose
Di = 2; Oligo = 2-10; Poly = 10+
Sacchariden binden bij OH groep, waardoor vertakkingen mogelijk zijn.
Suiker
➢ Productie ATP
➢ Opslag energie in polymeren
➢ Mechanische ondersteuning vcellen
➢ Reguleren van eiwitfunctie, activiteit, vouwing
➢ Modificatie van lipiden
Vetzuur is amphipathisch (hydrofoob en -fiel)
Combinatie van vetzuren in een triglyceride kan invloed hebben op smeltpunt en vloeibaarheid.
Lipiden
➢ Fats/oils
➢ Fatty acids
➢ Triglyceriden
➢ Membranen
➢ Fosfolipiden
➢ Glycolipiden
➢ Steroïden – hormonen
Aminozuur = aminogroep + a-carbon + carbonxylgroep + R zijketen
De R zijketen bepaald welk aminozuur het is (20 verschillende), deze bepaald ook de eigenschappen.
Cellen gebruiken alleen L-aminozuren om eiwitten te maken, D-aminozuren gebruiken we niet.
R-zijketen
, ➢ Zuur- aspartic acid; glutamic acid
➢ – geladen
➢ hydrofiel
➢ ionbinding met basisch
➢ Basisch – lysine; arginine; histidine
➢ + geladen
➢ hydrofiel
➢ ionbinding met zure zijketens
➢ Ongeladen polair – aspargine; glutamine; serine; treonine; tyroisine
➢ hydrofiel
➢ h-bruggen vormen met andere polaire zijketens en water
➢ Apolair
Aminozuren worden gekoppeld dmv een peptide binding (covalent), peptide keten.
Eiwitten hebben net als DNA/RNA een polariteit (richting), door de N- en C-terminus. Van N naar C.
Lineaire polypeptideketens vouwen op basis van aminozuursequentie en physicochemische
eigenschappen van de zijketens. Dit gebeurd door de ionic, hydrogen en vdW bindingen.
Hydrofoob zit het liefst in het binnenste van een eiwit.
Nucleotide = triphosphate (phosphoanhydride binding)+ suikerring + base
Nucleotide heeft fosfaat, nucleoside niet.
Ribose(RNA) heeft 3 OH groepen, deoxyribose(DNA) heeft 2 OH groepen.
Pyrimidine: T C U, 1 ring
Purine: A G, 2 ringen – pure As Gold
CG 3 H-bruggen, TA 2 H-bruggen.
Hoorcollege 2.2
3,72 * 10^7 cellen
2 * 10^13 celdelingen per dag
M-fase duurt ~1h; S-fase duurt langer; G-fases zijn variabel
Checkpoints zijn remmen.
CDK: aan en uit knoppen, als ze aan staan stimuleren ze de overgang tussen de fases vd celcyclus
Cycline: eiwitten die de CDK’s aanzetten
Concentratie M-cycline is hoog als de cel de mitose in moet gegaan → veel actief M-cdk
Centrosoom → centrum van de microtubuli
Profase-premetafase-metafase-anafase-telofase-cytokinese
Hoorcollege 2.4
Voor polymerisatie is er ATP en een katalysator nodig.
Suikers zijn polymeren, geen macromeren.
Alles wat gepolymeriseerd is zijn macromoleculen.
Monosacchariden
➢ Aantal koolstofatomen
➢ Locatie carbonylgroep (c=o)
➢ Lineaire of cyclische structuur
Glucose en ribose moet je weten
a-glucose (OH omlaag)(zetmeel) en b-glucose (OH omhoog)(cellulose), mensen kunnen alleen a-
glucose polymeren te verteren.
Binding tussen monomeren is een glycosidic binding (-O-).
Maltose = 2 glucose
Lactose = glucose en galactose
Sucrose = glucose en fructose
Di = 2; Oligo = 2-10; Poly = 10+
Sacchariden binden bij OH groep, waardoor vertakkingen mogelijk zijn.
Suiker
➢ Productie ATP
➢ Opslag energie in polymeren
➢ Mechanische ondersteuning vcellen
➢ Reguleren van eiwitfunctie, activiteit, vouwing
➢ Modificatie van lipiden
Vetzuur is amphipathisch (hydrofoob en -fiel)
Combinatie van vetzuren in een triglyceride kan invloed hebben op smeltpunt en vloeibaarheid.
Lipiden
➢ Fats/oils
➢ Fatty acids
➢ Triglyceriden
➢ Membranen
➢ Fosfolipiden
➢ Glycolipiden
➢ Steroïden – hormonen
Aminozuur = aminogroep + a-carbon + carbonxylgroep + R zijketen
De R zijketen bepaald welk aminozuur het is (20 verschillende), deze bepaald ook de eigenschappen.
Cellen gebruiken alleen L-aminozuren om eiwitten te maken, D-aminozuren gebruiken we niet.
R-zijketen
, ➢ Zuur- aspartic acid; glutamic acid
➢ – geladen
➢ hydrofiel
➢ ionbinding met basisch
➢ Basisch – lysine; arginine; histidine
➢ + geladen
➢ hydrofiel
➢ ionbinding met zure zijketens
➢ Ongeladen polair – aspargine; glutamine; serine; treonine; tyroisine
➢ hydrofiel
➢ h-bruggen vormen met andere polaire zijketens en water
➢ Apolair
Aminozuren worden gekoppeld dmv een peptide binding (covalent), peptide keten.
Eiwitten hebben net als DNA/RNA een polariteit (richting), door de N- en C-terminus. Van N naar C.
Lineaire polypeptideketens vouwen op basis van aminozuursequentie en physicochemische
eigenschappen van de zijketens. Dit gebeurd door de ionic, hydrogen en vdW bindingen.
Hydrofoob zit het liefst in het binnenste van een eiwit.
Nucleotide = triphosphate (phosphoanhydride binding)+ suikerring + base
Nucleotide heeft fosfaat, nucleoside niet.
Ribose(RNA) heeft 3 OH groepen, deoxyribose(DNA) heeft 2 OH groepen.
Pyrimidine: T C U, 1 ring
Purine: A G, 2 ringen – pure As Gold
CG 3 H-bruggen, TA 2 H-bruggen.
Hoorcollege 2.2
3,72 * 10^7 cellen
2 * 10^13 celdelingen per dag
M-fase duurt ~1h; S-fase duurt langer; G-fases zijn variabel
Checkpoints zijn remmen.
CDK: aan en uit knoppen, als ze aan staan stimuleren ze de overgang tussen de fases vd celcyclus
Cycline: eiwitten die de CDK’s aanzetten
Concentratie M-cycline is hoog als de cel de mitose in moet gegaan → veel actief M-cdk
Centrosoom → centrum van de microtubuli
Profase-premetafase-metafase-anafase-telofase-cytokinese
Hoorcollege 2.4