1. Algemene begrippen
In menselijk lichaam: 1014 cellen als bouwstenen voor weefsels, organen … 1011 hersenen
Voedsel en drank brandstof voor lichaamsmechanisme
Eiwitten = proteïnen
o Aaneenschakeling van aminozuren (20 az 10 000 verschillende proteïnen)
o Complexe structuur vorm kan veranderen en dus ook van functie
Vetten
o Triglyceriden = meest voorkomend
o In lever cholesterol
Mineralen
Vitaminen …
Stoornissen = programmatie (genetica), omgeving (infecties, verkeerde voeding) & slijtage
(ouderdom)
Cellen gevormd volgens hun functie
Samenstelling organisme
- 18% proteïnen
- 7% mineralen
- 15% vet
- 60% water
40% intracellulair (ICV)
20% extracellulair (ECV) (opname zuurstof & nutriënten door cellen en afgifte
afvalstoffen)
15% interstitiële vloeistof (ISV) tussen weefsels
5% vasculair plasma
Plasma & ISV: nagenoeg identiek buiten eiwitten plasma meer dan ISV
Verschillen tussen ECV & ICV:
ECV: Na+ en Cl- ionen
ICV: K+, fosfaten & eiwitten
Ca2+ concentratie: groter in ECV
Homeostase van samenstelling lichaamsvloeistoffen is essentieel toename K+ kan leiden tot
hartritmestoornissen
Meten van lichaamsvloeistof
Theoretisch: toediening bepaalde hoeveelheid van molecule die zich enkel homogeen
verdeelt over het bewuste compartiment daarna meten concentratie; berekenen over
welk volume molecule zich heeft verdeeld (=distributievolume)
Distributievolume = totale hoeveelheid toegediend/concentratie
Totale volume lichaamswater: distributievolume van D2O (deuteriumoxide/zwaar water) of
aminopyrine (gedraagt zich als water)
Plasmavocht: moleculen die in bloedbaan blijven (kleurstoffen) bv. Albumine -> radioactief
Volume ECV: weinig stoffen bevinden zich enkel in ECV (zeer moeilijk) -> beste: insuline
Volume ISV: onmogelijk rechtstreeks bepalen, want moleculen in ISV ook in plasma
Bereken door ECV – plasmavolume
Volume ICV: onmogelijk rechtstreeks bepalen totale lichaamswater - ECV
,Celmembraan (cytoplasma & celkern (nucleus))
Structuur: lipiden + proteïnen
o Dubbele laag fosfolipiden -> vetzuurketens: apolair/hydrofoob + gericht naar midden
membraan
o Fosfaatgroepen: polair/hydrofiel + gericht naar waterig milieu
o Eiwitten: onderbreken laag fosfolipiden & hebben diverse functies
Structureel bouwelement
Transportproteïnen (carriers) : transport van moleculen door membraan
Ionenkanalen: transport van ionen door membraan
Receptoren: binding met neurotransmitters, hormonen & geneesmiddelen
Intracellulaire processen -> leiden tot bepaald fysiologisch effect
Enzymen: katalyseren omzettingen bij celmembraan (reacties versnellen)
Transport doorheen celmembraan:
1. Passieve diffusie (volgens concentratiegradiënt moleculen lopen van plaats met veel naar
plaats met weinig moleculen)
- Afhankelijk van grootte, lading, vetoplosbaarheid … enkel kleine moleculen kunnen
a.d.h.v. diffusie door celmembraan
- O2 en N2: klein + ongeladen + apolair goed doorlaatbaar
H20: polair maar klein nog doorlaatbaar
Glucose: groot + polair beperkt doorlaatbaar
Ionen: geladen niet doorlaatbaar
2. Gespecialiseerde mechanismen
KLEINE MOLECULEN
Volgens concentratiegradiënt:
- Gefaciliteerde diffusie met transporteiwit
- Openen van ionenkanalen
Ligand bindt op receptor (ligand-gated kanalen)
Wijziging van membraanpotentiaal (voltage-gated kanalen)
Tegen concentratiegradiënt in:
- Actief transport vereist energie door ATP (adenosinetrifosfaat) afbraak door
enzymen
Na+ / K+-ATP-ase membraanpotentiaal
H+ / K+-ATP-ase maagmucosa
Maag -> heel zuur; willen dat zo houden (bescherming tegen
indringers) protonen pompen in maag (zuur blijven)
2+
Ca -ATP-ase spiercellen
- Transport van transporteiwitten (ATP-asen) pompen
- Verschillende types transporteiwitten:
Uniports: transport van 1 substantie
Symports: transport van verschillende substanties in dezelfde richting
Antiports: uitwisseling van substanties tussen ICV en ECV
Actief Na+ transport via Na+/K+-ATP-ase naar ECV leidt vaak tot transport van andere moleculen (=
SECUNDAIR ACTIEF TRANSPORT)
, GROTE MOLECULEN
Exocytose (ICV -> ECV):
- Samensmelting van secretiegranule met celmembraan
- Vereist energie & aanwezigheid van Ca2+
Endocytose (ECV -> ICV):
- Celmembraan invagineert & omsluit molecule
vorming vesikel/vacuole
- Endocytose van opgelost materiaal = pinocytose
(geheugensteun: pintjes = opgelost)
- Endocytose van niet-opgelost materiaal = fagocytose
Membraanpotentiaal (Em) (-9 tot -100 mV)
Tussen ICV en ECV
Varieert naargelang celtype en berust op 3 factoren
1) Na+/K+-ATP-ase pompactiviteit (drijvende kracht)
Na+ van ICV -> ECV actieve wijze want tegen concentratiegradiënt in
K+ van ECV -> ICV vereist dus energie
MAAR 3 Na+ -> ECV voor 2K+ -> ICV potentiaalverschil ontstaat door onevenwicht
ICV is negatief geladen tov EVC
Omdat Na+/K+-ATP-ase pomp aanleiding geeft tot potentiaalverschil elektrogeen
Na+/K+-ATP-ase pomp wordt geblokkeerd/geïnhibeerd door digitalis glycosiden (bloem)
Geneesmiddel gebruikt bij hartfalen
Overdosering = fataal -> overmatige blokkering van membraanpotentiaal (essentieel voor spier- en
zenuwcellen)
2) Verschil in membraanpermeabiliteit voor ionen (= doorlaatbaarheid van ionen)
Membraanpermeabiliteit Na+ en K+ = zeer beperkt (K+ > Na+ door K+-lek kanaal)
Verplaatsing van K+ ionen volgens concentratiegradiënt van ICV -> ECV ICV nog negatiever
Lekken van K+ ionen beperkt door elektrische gradiënt
3) Verschil in samenstelling tussen ECV en ICV
Ladingen in ICV: van proteïnen & fosfaten (membraan impermeabel -> kunnen niet zomaar door cel)
in ECV: van Cl- ionen door elektrische gradiënt ionen van ICV -> ECV
Cl- efflux om membraanpotentiaal volledig te compenseren
ICV blijft dus negatief tov. van EVC Em is dus lichtjes negatief (spontaan transport)
Em: in meeste cellen stabiel => niet stabiel in exciteerbare cellen (zenuw-, spier- en kliercellen) door
actiepotentialen