Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 109 pages
Summary

Samenvatting heel Biologie voor Tandartsen

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 109 pages

samenvatting van heel biologie voor Tandartsen (gebaseerd op zowel slides als cursustekst), geslaagd in 1ste zittijd (16/20)

Content preview

1 Het ontstaan van leven op aarde: van
biomolecules tot cel

POPULATIE

• Biosfeer > ecosysteem > populatie > soort

ORGANISME

• Organisme > orgaansysteem > orgaan > weefsel

CEL

• Cel > organel > macromolecule > molecule > atomen

1.1 Koolstof als basisatoom
Koolstof = centrale atoom in alle biomoleculen

covalente bindingen met andere atomen : H, N, O, S en P (vormen:
kettingen of ringen)

Koolwaterstoffen, opgebouwd uit alleen koolstof en waterstof=
apolair(fossiele brandstoffen), veel andere biomoleculen polair door
andere atomen met verschillende EN

Types isomeren:

 structurele isomeren: hebben verschillende koolstofskelets
 stereoisomeren: dezelfde structuur maar verschillende ruimtelijke
plaatsing
o enantiomeren: elkaars spiegelbeeld en beïnvloeden
gepolariseerd licht, molecule dat spiegelbeeld versies heeft,
noemt men chiraal.

Levensprocessen maken vaak gebruik van slechts één van de twee
mogelijke enantiomeren, zoals D-suikers en L-aminozuren.

1.2 Biomoleculen
Naast water zijn de meeste cellulaire processen afhankelijk van
koolstofhoudende verbindingen:

 Eiwitten: Bieden structuur en fungeren als katalysatoren
(signaalmoleculen).

 Nucleïnezuren: Coderen en bewaren en geven genetische
informatie door.

1

,  Koolhydraten: Dienen als energiebron en als bouwstenen voor
celwanden.

 Lipiden: Vormen celmembranen en slaan energie op.

Deze biomoleculen zijn vaak grote polymeren, bestaande uit herhaalde
eenheden Eiwitten zijn polymeren van aminozuren, nucleïnezuren zijn
een aaneenschakeling van nucleotides, en koolhydraten zijn een
opeenvolging van eenvoudige suikers. De volgorde van deze eenheden
bepaalt hun functie, typisch is dat ze een volgorde en richting hebben.

Lipiden zijn vetzuurketens zijn aan mekaar verankerd door glycerol ter
vorming van triglyceriden.

1.2.1 Koolhydraten
Koolhydraten bestaan uit koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O), met
de algemene formule (CH2O)n.

De eenvoudigste vorm is monosacchariden, ze kunnen voorkomen als
lineair maar in een waterige omgeving vormen ze meestal ringstructuren.




isomeren

Monosacchariden kunnen combineren tot disacchariden (cyclische
vorm) dmv glycosidebindingen en daarna polysacchariden , die als
energievoorraden of structurele componenten functioneren in organismen.

Suikers met een aldehydegroep zijn aldose suikers, en suikers met een
ketongroep worden ketose (vb.fructose) suikers genoemd.




2

,1.2.2 Nucleïnezuren
Nucleïnezuren (DNA en RNA) zijn cruciale informatiedragers binnen cellen

opgebouwd uit deoxynucleotiden en ribonucleotiden, een suiker
(deoxyribose of ribose), een stikstofhoudende base (purines: guanine en
adenine; pyrimidines: cytosine, thymine in DNA en uracil in RNA) en een
fosfaatgroep

verbonden via fosfodiesterbindingen, wat een richting (5' naar 3') geeft.

De ontdekking van de dubbele helix werd gedaan in jaren 50, door deze 3
mensen (Krick, Watson en Wilkins). Rosalind Franklin (één van de eerste
vrouwen die dit onderzocht) maakte als eerste een foto dat duidelijk
maakte dat DNA een dubbele helix was. De nobelprijs is niet aan haar
gegeven (dood).

G&C 3 bruggen

A&T 2 bruggen  makkelijker splitsbaar

Nucleotiden vormen een dubbele helix door waterstofbruggen tussen
complementaire basen.

Helix +histonen  nucleosomenchromatine chromosoom

De structuur is zeer belangrijk, deze bepaalt of hij kan afgelezen worden of
niet (eu of hetero).



Verschillende types:

 mRNA: boodschapper voor eiwitsynthes
 rRNA: ribosomaal RNA (vertalen van mRNA)
 tRNA: transfer RNA (aminozuur translatie)
 snRNA: Klein nucleair RNA (splicing en polyadenylatie)
 verschillende regulerende RNAs
o microRNA (miRNA)
o korte interfererende RNAs (siRNA) die translatie inhiberen
o lange niet-coderende RNA's (lncRNA) transcriptie genen
o circulaire 10 RNAs (circRNA) die van proteine-coderend RNA
afgeleid zijn

Nucleotiden spelen ook een rol in energieprocessen, met ATP als het
belangrijkste energiemolecuul. NAD en FAD zijn electronencarriers. Het
centrale dogma van de biologie beschrijft de stroom van genetische
informatie van DNA naar RNA naar eiwit.



3

, 1.2.2.1 Transcriptie
Transcriptie omvat de omzetting van DNA naar RNA. Een gen bevat een
promoter, coderende exonen en niet-coderende intronen. Er is een
coderende streng, die complementair is aan de matrijsstreng. Bij
transcriptie zal de matrijsstreng overgeschreven worden. Transcriptie
wordt geregeld door transcriptiefactoren. Deze sequenties kunnen in de
promoter liggen, maar ook duizenden baseparen weg van het gen op
zogenaamde “enhancer” of “repressor” plaatsen. Transcriptiefactoren die
op een enhancer binden zullen transcriptie versterken, terwijl binding
op een repressor plaats leidt tot het stopzetten van transcriptie.

RNA-polymerase bindt aan de promoter en begint de transcriptie, waarbij
transcriptiefactoren de activiteit reguleren. Na transcriptie wordt het RNA
gespliced (“alternatieve splicing”, waardoor verschillende exonen
behouden blijven in de verschillende transcripten) om introns te
verwijderen en wordt het 5'-einde gecapped en krijgt het een poly-A-
staart, waardoor het mRNA klaar is voor translatie.

1.2.2.2 Translatie
Translatie vindt plaats op ribosomen, waar mRNA wordt omgezet in een
polypeptideketen in drie fasen: initiatie, elongatie en terminatie.
tRNA's brengen aminozuren naar het ribosoom, waarbij de genetische
code in triplets (codons, deze zijn degeneratief/ redundant) wordt
gelezen. Translatie start bij het START-codon (AUG) en eindigt bij STOP-
codons. Na translatie ondergaan eiwitten vaak post-translationele
modificaties, die hun functie beïnvloeden. Mutaties in het DNA kunnen
leiden tot verschillende soorten veranderingen in eiwitstructuur en functie.

 Puntmutaties: slechts 1 base gewijzigd
 synonym of stille (silent) mutaties: geen effect
 missense mutaties: mutatie leidt tot een ander aminozuur
 nonsense mutatie : een puntmutaties die leidt tot een STOP codon
 deletie: meer dan 1 basepaar wegvalt
 insertie: meer dan 1 basenpaar ingevoegd werd

 kan leiden tot het verschuiven van het leesraam (frameshift)




4

Document information

Study
Uploaded on
December 26, 2024
Number of pages
109
Written in
2024/2025
Type
Summary
$24.08

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
jdrTHK
3.0
(1)
Sold
3
Followers
0
Items
6
Last sold
10 months ago

Reviews from verified buyers




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions