• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 73 pages
Summary

Samenvatting diversiteit - 2de bachelor orthopedagogie '24-'25 (S. Van Leuvenhaege)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 73 pages

Hoi! Dit is mijn samenvatting voor het vak Diversiteit, gegeven door prof Van Leuvenhaege Sarah in de tweede bachelor orthopedagogie aan de AP Hogeschool. De samenvatting telt iets meer dan 70 blz, waarbij ik veelvuldig gebruik heb gemaakt van duidelijke schema's, afbeeldingen, een gestructureerde lay-out en waar zowel de theorie van in het boek van Hoffman, als de syllabus als mijn notities en aantekeningen aan toe zijn gevoegd. Alles zit er dus in verwerkt! Heel veel succes en als je vragen hebt, stel ze gerust. Luna

Content preview

DIVERSITEIT SAMENVATTING LUNA BOUDEWYN




H1 INTRO & ACTUELE DIVERSITEITSDENKEN
→ Kruispuntdenken/ intersectioneel denken/ caleidoscopisch denken

→ soms te veel focus op één bepaalde deelidentiteit (bv. enkel religie of beperking)



Inleiding
Diversiteit gaat over (omgaan met) verschillen tussen mensen

Mogelijke diversiteitsthema’s (onderwerpen die in de lessen aan bod gaan komen)

- inzoomen op verschillende vormen van diversiteit
- identiteitsconflicten
- meerderheids- en minderheidsposities in de samenleving en in organisaties
- diversiteitsbeleid
- machtsmechanismen
- uitsluitingsmechanismen/discriminatie/racisme ...

 Relevantie voor de praktijkgerichte orthopedagoog




Diversiteit is niet iets positiefs of negatiefs, het is een feit/gegeven. De uitdaging voor ons als samenleving is hoe kan de
omgeving zo aangepast mogelijk geraken aan die feitelijkheid van diversiteit.

• In de media komt diversiteit eerder ‘negatief’ in beeld, zo getuigt iemand: “Het gaat te vaak alleen over onze
beperking, maar niet over ons.”

• Je kan zelf divers zijn omwille van een maatje meer en daar trots op zijn, maar je omgeving bekijkt je daarom
niet op die manier. Vaak via historische processen (zoals koloniaal verleden). Intersectioneel denken (=
kruispuntdenken): je bent niet 1 kenmerk, bv. boeddhist of je handicap. Je hebt een meervoudige identiteit,
dat kan het ‘stereotiepe’ kijken naar mensen verbreken. Luxepositie: je deelidentiteiten beantwoorden aan
door wat door de samenleving als norm opgelegd wordt.




1

,DIVERSITEIT SAMENVATTING LUNA BOUDEWYN




H2 DIVERSITEIT EN SOCIALE IDENTITEIT
 THEMA 1 SYLLABUS: kruispuntdenken of intersectioneel denken




Ieder individu = ‘sociale identiteit’

- heeft betrekking op de vraag hoe iemand in relatie tot de sociale omgeving wordt gedefinieerd.
o Bv: je bent ‘jong’ omdat er mensen zijn die ‘oud’er zijn; je bent een man, geen vrouw (binair?); je
bent een ‘zus’ omdat je een broer of een zus hebt en geen enig kind bent ....
 Identiteit heel hard geindividualiseerd: grote verantwoordelijkheid over onszelf
 We vertrekken vanuit het idee dat identiteit altijd iets sociaal is → in interactie met sociale omgeving (wie je
bent in verhouding tot anderen)
o Voorbeeld: als ortho student beweeg je u tussen andere studenten
o Voorbeeld: je voelt je oud omdat mede studenten jonger zijn
o Voorbeeld: je voelt je meer moslima omdat in de ruimte waarin je je bevindt meer mensen zijn die
geen moslima zijn




Diversiteit gaat over (omgaan met) verschillen tussen mensen

→ relevantie voor de ortho: in HV kom je diversiteit en alle bijhorende thema’s tegen (voorbeeld: identiteitsconflicten,
minderheidsposities i/d SL…)




Het kruispuntdenken/intersectioneel denken/ caleidoscopisch denken = het actuele denken rond diversiteit en
bepaalde kijk op sociale identiteit

< zwarte feministen

Intersectioneel denken = je wordt het in de idee dat wij op # identiteitsassen een # positie innemen, assen kruisen elkaar,
soms meer chance om extra priviliges te hebben

- Voorbeeld: heteronormativiteit is dominanter als het gaat over seksuele identiteit  biseksueel zijn
 je ervaart een heel andere beleving




Intersectionaliteit = verschillende aspecten van onze identiteit (privilege  discriminatie)

- Voorbeeld: iemand die op kruispunt staat op die identiteitsassen – heeft kans om meer benadeeld te worden
(bv. de minderheidsgroep)

→ We zitten allemaal op verschillende identiteitsassen en nemen daar een eigen positie in. Al die assen kruisen
elkaar. Door die bepaalde kruisingen kan je te maken krijgen met meer of minder privileges of discriminatie, bv.
heteronormativiteit op vlak van seksuele identiteit. Je kan ook op verschillende vlakken gediscrimineerd worden
(dus meervoudig)

→ Gaat ook over machtsrelaties (positie, kruispunt geeft je macht weer: sommige posities versterken dit, anderen
hollen dit meer uit/maken dit zwakker)

Kruispuntendenken vs. vroegere diversiteitsdenken




2

,DIVERSITEIT SAMENVATTING LUNA BOUDEWYN



Verschil = die machtsgeladenheid / machtsverschillen

- Vroeger werd diversiteit gezien als een ‘platte mozaïek’: erkenning van macht was er niet
o Spreken over ‘platte’ diversiteitsdenken
- Elke dimensie is machtsgeladen (meer- en mindermachtigen)
o Mindermachtige posities zijn vaak kwetsbare kruispunten!

Term is ontstaan in een tijd van maatschappelijke tegenstellingen, feminisme en antiracismebewegingen

→ Intersectionele analyse is hier ontstaan om maatschappelijke ongelijkheid, in- en uitsluitingsmechanismen en
machtsverhoudingen te beschrijven en analyseren




Wat is intersectionaliteit?

Verschillende niveaus van onderscheiden van mensen: jong, oud, man, vrouw, hetero, homo, ...

- Verbonden met machtsposities in de SL
o Sommige posities = structureel voordeel, anderen hebben een structureel nadeel
o Gender, etniciteit, religie, levensfase, ... = ordeningsprincipes
- Verschillende ordeningsprincipes kruisen elkaar: intersecties



Denken over intersectionaliteit gaat in tegen het gangbare denken over verschillen




Het gangbare denken

= het gescheiden benaderen van ordeningsprincipes

- Geeft vaak een vertekend beeld van de werkelijkheid: identiteit in aparte stukjes opgesplitst
o Iemand lijkt maar 1 identiteit te hebben wat leidt tot stereotypering (bv. de homo, de moslim)
- Neiging tot eendimensionaal denken: er is maar 1 waarheid
- Gelijkheidsideaal komt hier in beeld (iedereen is gelijk) maar iedere mens is uniek en verschillend

Of-of denken (bv. man of vrouw) en binair denken (verschillen staan tegenover elkaar: man tegenover vrouw)

→ Dit of-of denken is machtsgeladen: er is altijd 1 optie die de norm is en meer waardering krijgt




Het intersectionele denken

= iemand bestaat uit verschillende deelidentiteiten, je ziet hen in de totaliteit

- En-en perspectief toepassen: je bekijkt de identiteiten omdat ze co-construeren met elkaar
- Iedereen bevindt zich op een kruispunt van assen van betekenis: voor iedereen uniek
o Sommigen zijn machtiger dan anderen



Intersectionaliteit = manier van denken/handelen die gekenmerkt wordt door volgende termen

1. Dynamisch denken
o Beeld van de caleidoscoop: geen statisch beeld, geen voorgeschreven hokjes

2. Inclusiviteit




3

, DIVERSITEIT SAMENVATTING LUNA BOUDEWYN



o Het gevoel van erbij horen, het gevoel van ‘belonging’

o Nieuwe waarden nodig om voorbij de hiërarchie te gaan, mensen als geheel accepteren

3. Verwevenheid en gelijktijdigheid van ordeningsmechanismen

o Bv. door negatieve beeldvorming sluiten ‘hoogopgeleid’ en ‘zwart’ elkaar uit

o Als je niet behoort tot man-vrouw, jong-oud, zwart-wit (of-of) wordt je uitgesloten

4. Meervoudigheid

o Iedereen heeft een meervoudige samengestelde identiteit

o Er wordt gedacht vanuit een meervoudig perspectief




2.1 Collectieven
Ieder individu kenmerkt zich door een meervoudige identiteit bestaande uit verschillende sociale deelidentiteiten omdat
hij/zij tot verschillende ‘collectieven’ (= sociale groepen die ons vormen) behoort. Die ‘collectieven’ kenmerken zich
door een zekere cultuur. We kunnen spreken over de multicollectiviteit of multiculturaliteit (meervoudig)van een
individu.

Voorbeelden collectieven: jeugdbeweging, ortho studenten, sociale klasse, zus zijn, sportvereniging

 Elk van die collectieven (gemeenschappelijke waarden, normen, betekenissen, gewoonten) bepalen mee
onze cultuur
 Probleem: als mens soms te eenzijdig wordt bekeken (bv. scheef bekeken omwille van achtergrond, ergens
niet binnen omwille van een beperking) → weinig meervoudig bekeken en gefocused op één deelidentiteit
 BELANGRIJK: kijk meervoudig/breed naar mensen ipv te reduceren tot 1 specifiek stuk van zijn deelidentiteit




Verschillende definities van cultuur.

 Gemeenschappelijk: een kenmerk van een sociale groep en niet van een individu.
 Wij hanteren de definitie waar Hoffman (2018, p. 6) van uitgaat: “Cultuur is de gemeenschappelijke wereld van
betekenissen en gewoonten die een bepaalde sociale groep kenmerkt.”

o Je bent zus en je bent dochter, je bent vriendin en je bent een lief. Je bent een lief en je bent student.
Die rollen liggen soms met elkaar in conflict.
o Collectieven: jeugdbeweging, orthostudenten, de sociale klasse, zus, nicht, je gezin, je familie, ... Elk
van die collectieven geeft ons een stukje cultuur. En je past je ook aan aan de cultuur van die
collectieven, bv. bij je familie gedraag je je anders dan bij je medestudenten.
o Het probleem is dat je vaak op een van die deelidentiteiten wordt afgereken. Bv. je wordt genegeerd
omwille van je leeftijd.
o Oplossing: meervoudig kijken naar cliënten en collega’s!




2.1.1 Overeenkomst en verschil binnen collectieven



4

Table of contents

  1. 01 Inleiding 1
  2. 02 2.1 Collectieven 4
    1. 2.1.1 Overeenkomst en verschil binnen collectieven 4
  3. 03 2.2 Sociale deelidentiteiten 5
    1. 2.2.1 oefening caleidoscopia 5
  4. 04 2.3 verhouding persoon – cultuur (blz. 21) (examenvraag) 7
  5. 05 2.4 SAMENVATTING PROF: kruispuntdenken / intersectionaliteit 8
  6. 06 2.5 ORDE VAN PRAKTIJKTOOLS 9
    1. 2.5.1 methodiek ‘GLASSWERFF’ 9
  7. 07 2.6 Matrix of domination 10
  8. 08 2.7 Kruispuntdenken of intersectionaliteit 10
  9. 09 2.8 INZOOMEN OP SOCIALE IDENTITEIT 12
    1. 2.8.1 HIËRARCHIE VAN SOCIALE DEELIDENTITEITEN 12
    2. 2.8.2 DIVERSITEIT, COMMUNICATIE EN SOCIALE DIALOOG 13
    3. 2.8.3 SOCIALE DIALOOG EN SOCIALE REPRESENTATIES 14
  10. 10 2.9 PRAKTIJKTOOLS 15
  11. 11 2.10 SOCIALE IDENTITEITSCONFLICTEN 15
    1. 2.10.1 DRIE SOORTEN SOCIALE IDENTITEITSCONFLICTEN 15
    2. 2.10.2 OEFENING LEERINHOUDEN TOT NU TOE 17
  12. 12 2.11 ‘HET VREEMDE’ EN ‘DE VREEMDE’ ONTMOETEN 18
    1. 2.11.1 HOFFMAN – 2018 (BLZ. XI-XIII) 18
    2. 2.11.2 HET VREEMDE ONTMOETEN SAMENGEVAT 19
    3. 2.11.3 PRAKTIJKTOOLS 19
  13. 13 3.1 REFLECTIE OP ACTUELE SITUATIES I.V.M. TAALGEBRUIK 21
  14. 14 3.2 INCLUSIEF TAALGEBRUIK: EEN VOORAFJE 21
  15. 15 3.3 UITGANGSPUNTEN INCLUSIEF TAALGEBRUIK 21
    1. 3.3.1 TAALGEBRUIK: GENDER 21
    2. 3.3.2 BEROEPEN EN PERSOONSNAMEN 22
    3. 3.3.3 GENDER: VOORNAAMWOORDEN 22
    4. 3.3.4 TAALGEBRUIK: SEKSUELE ORIËNTATIE 22
    5. 3.3.5 TAALGEBRUIK: LEEFTIJD 22
    6. 3.3.6 TAALGEBRUIK: AL DAN NIET BEPERKING, KWETSBAARHEID, ARMOEDE 22
    7. 3.3.7 TAALGEBRUIK: ETNISCHE EN NATIONALE CULTUUR, MIGRATIE 22
  16. 16 3.4 OEFENING 23
  17. 17 4.1 INTERCULTURELE COMMUNICATIE EN INTERCULTURELE GESPREKSVOERING 24
  18. 18 4.2 Intercultureel 24
  19. 19 4.3 CULTUUR 24
    1. 4.3.1 CULTUUR IN HET DAGELIJKS TAALGEBRUIK EN IN DE LITERATUUR 24
    2. 4.3.2 VERWERVING VAN CULTUUR 25
    3. 4.3.3 CULTUUR IN DE BREDE BETEKENIS VAN HET WOORD 25
    4. 4.3.4 CULTUUR IN DE ENGE BETEKENIS VAN HET WOORD 26
    5. 4.3.5 CULTUREN CATEGORISEREN 27
  20. 20 4.4 TWEE BENADERINGEN VAN INTERCULTURELE COMMUNICATIE/ GESPREKSVOERING 31
    1. 4.4.1 Cultuurbenadering of culturalistische benadering: 31
    2. 4.4.2 Systeemtheoretische benadering: 32
  21. 21 4.5 SOCIALE DIALOOG ALS NIVEAU VAN COMMUNICATIE (examenvraag) 35
  22. 22 4.6 INCLUSIEF DENKEN EN HANDELEN 35
  23. 23 4.7 HET TOPOI-MODEL VAN HOFFMAN ALS REFLECTIE- EN INTERVENTIEMODEL 35
    1. 4.7.1 VIJF VERSCHILLENDE ZOEKDOMEINEN 36
  24. 24 4.8 PRAKTIJKTOOLS 36
    1. 4.8.1 PRAKTIJKTOOL HET TOPOI-MODEL 37
  25. 25 4.9 VAN ‘INTERCULTUREEL’ NAAR ‘DIVERS-SENSITIEF’ 37
  26. 26 5.1 INLEIDING 38
  27. 27 5.2 GENDER IN DE SAMENLEVING 38
  28. 28 5.3 GENDERNORMEN 39
  29. 29 5.4 GENDER EN SEKSUELE DIVERSITEIT EN INTERSECTIONALITEIT 40
    1. 5.4.1 GESLACHT 40
    2. 5.4.2 CIS- EN TRANSGENDER 40
    3. 5.4.3 Genderexpressie en genderrol 41
    4. 5.4.4 Seksuele identiteit/voorkeur-geaardheid-gerichtheid 41
    5. 5.4.5 DE GENDERKOEK 41
  30. 30 5.5 DE ROL VAN EEN PRAKTIJKGERICHT ORTHOPEDAGOOG 42
    1. 5.5.1 KENNIS + EIGEN REFERENTIEKADER 42
    2. 5.5.2 + INTERACTIE 42
  31. 31 5.6 PRAKTIJKTOOLS 42
  32. 32 5.7 PROBLEMEN IVM GENDER & SEKSUELE IDENTITEIT KUNNEN ZICH SITUEREN OP 3 NIVEAUS 43
  33. 33 5.8 ANDERE BELANGRIJKE BEGRIPPEN 43
  34. 34 6.1 VOORSTELLING dOT 44
    1. 6.1.1 ONZE MISSIE 44
    2. 6.1.2 KERNTAKEN 44
  35. 35 6.2 DEFINITIES VAN RACISME 45
  36. 36 6.3 Microkwetsingen 45
  37. 37 6.4 Stereotypen en vooroordelen 45
  38. 38 6.5 DE IMPACT VAN RACISME 46
    1. 6.5.1 VIER METAFOREN 46
    2. 6.5.2 COPINGSTRATEGIEËN 48
    3. 6.5.3 UITDAGINGEN VOOR IDENTITEITSONTWIKKELING 49
    4. 6.5.4 IMPACT OP OPVOEDING 49
    5. 6.5.5 HULPVERLENING 49
  39. 39 6.6 REAGEREN OP VERHALEN VAN RACISME 50
    1. 6.6.1 HOE REAGEREN OP RACISTISCHE UITSPRAKEN? (VOLGENS UIT DE MARGE) 50
    2. 6.6.2 HOE REAGEREN ALS GETUIGE? 50
  40. 40 7.1 BEELDFRAGMENT ‘TALK’ 51
  41. 41 7.2 DISABILITY STUDIES 51
  42. 42 7.3 ABLEISM 52
  43. 43 7.4 INTERSECTIONEEL KIJKEN 52
  44. 44 7.5 REDELIJKE AANPASSINGEN (ANTI-DISCRIMINATIEWET) 53
    1. 7.5.1 TOEPASSING REDELIJKE AANPASSINGEN 54
  45. 45 7.6 VOORBEELDEN VAN IN- EN UITSLUITING 54
  46. 46 7.7 VERHELDERING (VERWANTE) BEGRIPPEN 54
  47. 47 7.8 DIVERSITEIT EN IN- EN UITSLUITINGGSMECHANISMEN 55
    1. 7.8.1 STRUCTUREEL – SOCIAAL – VERINNERLIJKT 55
    2. 7.8.2 MACHT 56
  48. 48 8.1 INLEIDING 58
  49. 49 8.2 STEREOTYPEN EN VOOROORDELEN 59
  50. 50 8.3 WAT IS DISCRIMINATIE? 59
    1. 8.3.1 STAPPENPLAN (examenvraag) 59
  51. 51 8.4 BURGERLIJK RECHT ( STRAFRECHT (welke rechtbank bij discriminatie?) 63
  52. 52 8.5 PRAKTIJKTOOLS 65
    1. 8.5.1 UITSMIJTER HOOFDDOEKENDEBAT 65
  53. 53 9.1 IN- EN UITSLUITINGSMECHANISMEN OP ORGANISATIENIVEAU 66
    1. 9.1.1 THE TALE OF O 66
    2. 9.1.2 TOKENISME 66
  54. 54 9.2 DIVERSITEITSBELEID 68
    1. 9.2.1 PRAKTIJKTOOLS 69
    2. 9.2.2 DIVERSITEITSBENADERING 69
  55. 55 10.1 TRANSITIES 72
  56. 56 10.2 CONCRETE TOOLS 72
  57. 57 10.3 PARADOX VAN SUPERDIVERSITEIT 73
    1. 10.3.1 VAN ‘VOOR’ NAAR ‘MET’ EN ‘DOOR’ 73

Connected book
 image
Publisher: Unknown ISBN: 9789036821209 Edition: 4

Document information

Study
Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Topoi model & leerstof voor het examen
Uploaded on
December 23, 2024
Number of pages
73
Written in
2024/2025
Type
Summary
$9.19

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
lunaboudewyn
4.4
(14)
Sold
104
Followers
30
Items
18
Last sold
3 weeks ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions