SAMENVATTING OUDHEID
INHOUD
Deel II De Griekse wereld ....................................................................................................................... II
8 De vroege ijzertijd: de ‘donkere eeuwen’ ca. 1200-750 v.Chr. ............................................................ II
9 De archaïsche periode ca. 750-500 v.Chr. ............................................................................................ II
10 De klassieke periode ca. 500-330 v.Chr.............................................................................................. X
11 De hellenistische tijd ca. 330-30 v.Chr. .......................................................................................... XVII
Deel III Rome ...................................................................................................................................... XXVI
12 De vroege Romeinse geschiedenis ca. 753-265 v.Chr. .................................................................. XXVI
13 Verdere expansie en nieuwe sociale spanningen 264-121 v.Chr. ................................................ XXXII
14 De eeuw van de Romeinse burgeroorlogen 133-30 v.Chr. ......................................................... XXXVI
15 De vroege keizertijd 27 v.Chr.-193 n.Chr. ........................................................................................XLII
16 De crisis van de derde eeuw n.Chr. en de late oudheid ................................................................... LIII
Credit: Alexandriad op Tumblr
I
,DEEL II DE GRIEKSE WERELD
8 DE VROEGE IJZERTIJD: DE ‘DONKERE EEUWEN’ CA. 1200-750 V.CHR.
Ontwrichting en herstel
Toen de Myceense beschaving rond 1200 instortte stortte de strak georganiseerde paleiseconomie
onherroepelijk in, waarbij ook het schrift Lineair B vergeten werd. Sommige Grieken vertrokken naar
de westkust van Klein-Azië: de Ionische volksverhuizing. Deze Ioniërs hebben later ook bijgedragen aan
de heropleving van de Griekse cultuur.
Het meeste wat wij weten van de Griekse maatschappijopbouw komt van de archeologie en van
epische werken als de Ilias (ca. 750) en de Odyssee (ca. 725) van Homerus. In de maatschappij in
Homerus’ tijd was de koning geen leider in een paleiseconomie met een uitgebreid stedelijk leven,
maar een grote herenboer die in oorlogstijd de eerste onder zijns gelijken was.
De aristocratische elite werd geacht hun huishoudens te verdedigen en moesten dus steeds laten zien
dat zij sterke, gezonde en mooie mannen waren. Vandaar het competitie-element, de Olympische
Spelen.
Deze periode (1100-900) staat vooral bekend als de ‘donkere eeuwen’, omdat contemporaine
schriftelijke gegevens ontbreken en de materiële cultuur verarmd was, hoewel er dankzij de
archeologie steeds meer bekend wordt over deze periode.
9 DE ARCHAÏSCHE PERIODE CA. 750-500 V.CHR.
Inleiding
In de achtste eeuw werd de basis gelegd voor een nieuwe bloei van de Griekse samenleving en een
nieuwe Griekse cultuur. De archaïsche tijd valt samen met het tijdperk van de Voor-Aziatische
wereldrijken: het Nieuw-Assyrische, het Nieuw-Babylonische en het Perzische rijk. Door de vele
interregionale handel is het niet gek dat er in de Griekse godsdienst, kunst, wetenschap en materiële
cultuur oosterse invloeden te bekennen zijn.
Veranderingen op demografisch en economisch terrein
In de achtste eeuw vindt er een breed herstel van de materiële cultuur plaats, te zien in de
monumentalisering van de bebouwing. Gestage bevolkingsgroei tussen de tiende en vijfde eeuw
betekende vernieuwingen in de agrarische sector, zoals meer ontgonnen landbouwgrond en een
grotere variëteit aan gewassen. Het houden van vee werd minder belangrijk. Enkele Grieken waagden
zich aan de piraterij en handel, maar dit werd (ook voor latere Grieken en Romeinen) gezien als iets
van de lagere orde.
De polis Veel nederzettingen ontwikkelden zich tot zelfstandige, autonome, stadstaten. Zo’n stadstaat
(polis/poleis) was een politieke organisatievorm en een samenlevingseenheid. Bij ‘polis’ gaat het in
principe altijd om een (kleine) stad met ommeland. De polis is de gemeenschap van de politai, de
burgers. Kenmerkend voor een polis was een meestal stedelijk administratief centrum met een
centraal heiligdom en een agora, een verzamelplaats (later marktplein). De polis werd gekenmerkt
II
,door een bestuur met functionarissen die met specifieke taken belast waren, zoals legerleiding,
rechtspraak en godsdienstige taken, en die door een of andere vorm van verkiezing werden
aangewezen. Staatsvormen in poleis konden dus verschillen. Een aristocratie is een staatsvorm waarin
de adellijke grondbezitters (want voorrechten gebaseerd op afstamming) de functies voor zich
reserveren; dit was het geval in de meeste poleis. Een belangrijk streven van de polis was ‘vrijheid en
autonomie’: vrijheid van overheersing door een grote mogendheid of een andere polis, wat autonomie
– de mogelijkheid zelf wetten te maken – impliceerde. De polis was de meest ideale bestaanswijze.
Staatsvormen in het oude Griekenland
❖ Monarchie – alleenheerschappij. Regering door een (meestal erfelijke) koning, wiens bewind
als wettig ervaren wordt.
❖ Tyrannis – de regering van iemand die de macht naar zich toe heeft getrokken en wiens macht
niet zonder meer gelegitimeerd is.
❖ Aristocratie – ‘regering door de besten’. De besten zijn de adellijke geslachten. Geboorte is het
criterium.
❖ Oligarchie – ‘regering van weinigen’. Regering van een kleine groep machthebbers, niet per se
van adellijke afkomst. Vermogen is het criterium.
❖ Timocratie – regeringsvorm waarbij voor het bekleden van regeringsfuncties
vermogenscriteria aangelegd worden.
❖ Democratie – regering door de dèmos (=mannen met burgerrecht). In een democratie heeft
de volksvergadering het laatste woord.
In minder ontwikkelde gebieden bestonden ethnè (/ethnos, volk) in plaats van poleis. Het ethnos is
een samenwerkingsverband van een aantal kleinere gemeenschappen, die vooral op militair terrein
gezamenlijk optraden. Binnen het ethnos konden steden ontstaan, die zich tot poleis ontwikkelden.
Griekenland was dus nooit een politieke eenheid, maar wel een culturele (taal, godsdienst, tradities).
Er zijn ook enkele overeenkomsten met de Feniciërs te benoemen: zelfstandige, autonome staten in
competitie met elkaar, een gemeenschappelijke taal en godsdienst en Fenicische kolonisatie.
Kolonisatie De achtste tot de zesde eeuw is de periode van de tweede Griekse migratie (de eerste was
rond 1100): de befaamde Griekse kolonisatie. De belangrijkste steden die Griekse kolonisten uitzonden
waren poleis in Klein-Azië (vooral Phocaea en Milete) en Korinthe.
De Griekse ‘kolonie’ was echter geen wingewest van de stad die een kolonie gesticht had, maar een
nieuwe onafhankelijke polis, die slechts morele en religieuze banden met de moederstad had.
Verscheidene van deze poleis hebben de handel bevorderd, met name de import van graan. Nu
voedsel overzee aangevoerd kon worden werd de behoefte aan verdere kolonisatie minder, bovendien
stuitte de kolonisatie op sterkere tegenstand van perzen, Carthagers en Etrusken, waardoor er rond
550 v.Chr. een einde aan kwam.
De Grieken begonnen meer gewassen, vooral olijven, te verbouwen, waarvan de producten, olijfolie,
konden worden verpakt in aardewerken kruiken en worden geëxporteerd. De handel bevorderde de
nijverheid in de steden en ze bouwden steeds grotere tempels. Dit leidde echter niet tot een
tegenstelling stad-platteland, daar de stadsbewoners in de meeste poleis boeren waren met land
buiten de stad.
III
, Veranderingen op sociaal terrein
Deze nieuwe economische en demografische ontwikkelingen brachten een groep ‘nouveau riches’ tot
stand. Deze ontstonden door investeringen in de handel en/of in grond. Hierdoor kregen kleine en
ouderwetse, naar autarkie strevende boeren het moeilijk. Door de groeiende bevolking werd het land
door de erfdelingen steeds kleiner, tot het te klein was om van te leven. Dit dwong kleine boeren ertoe
om te lenen, maar doordat de oogst niet groter werd en ze naast graan geen andere gewassen konden
verbouwen, raakten ze vrijwel onvermijdelijk in schuldgebondenheid.
Veranderingen op militair terrein
In de donkere eeuwen stond de oorlogvoering volledig onder leiding van de adellijke elite, geholpen
door lichtgewapende volgelingen. Het bezit van paarden en wagens was van belang voor vervoer naar
het slagveld en voor prestige. Het monopolie van de edelen ging in de loop van de archaïsche periode
echter verloren, omdat nieuwe rijken en middelgrote boeren in staat waren ook een wapenrusting aan
te schaffen (een schild, een helm, borstpantser, scheenbeschermers en een speer). De soldaten
werden later ‘hoplieten’ genoemd, naar het Griekse woord voor het schild: hoplon. Oorlogen waren
in de archaïsche tijd beperkte grensconflicten. Het hoofddoel was meestal plunderen en na een of
twee gevechten was het weer over.
Veranderingen op cultureel terrein
Het alfabet De bevruchting uit het Nabije Oosten was van grote invloed op verschillende culturele
terreinen, in de eerste plaats bij de introductie van het schrift. De Grieken hebben in de tiende of
negende eeuw het alfabet van de Feniciërs overgenomen, met aanvulling van klinkers en enkele
tekens.
De literatuur De literatuur was niet om te lezen, maar werd voorgelezen en gememoriseerd, vandaar
dat de oudste teksten allemaal in de vorm van poëzie geschreven zijn, ook politieke pamfletten en
werken van de vroegste filosofen.
De epen van Homerus waren als een soort bijbel voor de Grieken en behoorden tot in de late oudheid
tot verplichte stof in het onderwijs. Zijn weergave heeft grote invloed gehad op het Griekse denken en
geloven. Het werk van Homerus doet ook sterk denken aan het Gilgameš-epos. Beide zijn grote epen
die na een lange mondelinge overlevering tot één compositie zijn gemaakt, over een mythisch verleden
met een historische kern, avontuur, en direct contact tussen goden en mensen. Beide (de drie) epen
genoten een eeuwenlange populariteit en waren verplichte lesstof op school.
Hesodius (dichter uit de archaïsche periode, schreef Werken en dagen over het boerenleven en
Theogenie over het ontstaan van de godenwereld) geeft ons enig inzicht in een andere klasse in de
maatschappij. In Werken en dagen krijgen we een kijk op het landleven tegenover het stadse leven,
waard e edelen van hielden. Zijn Theogenie is voor de systematiek van het Griekse goden van belang.
In de literatuur is een steeds grotere tendens naar individualiteit te merken. De in de zevende eeuw
opkomende lyriek was al veel persoonlijker dan wat Hesodius verteld over zijn eigen
leefomstandigheden. Hier vinden wij in korte gedichten echt persoonlijke uitingen van dichters over
hun eigen gemoedstoestand (bv liefdespoëzie) en reflecties over de maatschappij.
IV
INHOUD
Deel II De Griekse wereld ....................................................................................................................... II
8 De vroege ijzertijd: de ‘donkere eeuwen’ ca. 1200-750 v.Chr. ............................................................ II
9 De archaïsche periode ca. 750-500 v.Chr. ............................................................................................ II
10 De klassieke periode ca. 500-330 v.Chr.............................................................................................. X
11 De hellenistische tijd ca. 330-30 v.Chr. .......................................................................................... XVII
Deel III Rome ...................................................................................................................................... XXVI
12 De vroege Romeinse geschiedenis ca. 753-265 v.Chr. .................................................................. XXVI
13 Verdere expansie en nieuwe sociale spanningen 264-121 v.Chr. ................................................ XXXII
14 De eeuw van de Romeinse burgeroorlogen 133-30 v.Chr. ......................................................... XXXVI
15 De vroege keizertijd 27 v.Chr.-193 n.Chr. ........................................................................................XLII
16 De crisis van de derde eeuw n.Chr. en de late oudheid ................................................................... LIII
Credit: Alexandriad op Tumblr
I
,DEEL II DE GRIEKSE WERELD
8 DE VROEGE IJZERTIJD: DE ‘DONKERE EEUWEN’ CA. 1200-750 V.CHR.
Ontwrichting en herstel
Toen de Myceense beschaving rond 1200 instortte stortte de strak georganiseerde paleiseconomie
onherroepelijk in, waarbij ook het schrift Lineair B vergeten werd. Sommige Grieken vertrokken naar
de westkust van Klein-Azië: de Ionische volksverhuizing. Deze Ioniërs hebben later ook bijgedragen aan
de heropleving van de Griekse cultuur.
Het meeste wat wij weten van de Griekse maatschappijopbouw komt van de archeologie en van
epische werken als de Ilias (ca. 750) en de Odyssee (ca. 725) van Homerus. In de maatschappij in
Homerus’ tijd was de koning geen leider in een paleiseconomie met een uitgebreid stedelijk leven,
maar een grote herenboer die in oorlogstijd de eerste onder zijns gelijken was.
De aristocratische elite werd geacht hun huishoudens te verdedigen en moesten dus steeds laten zien
dat zij sterke, gezonde en mooie mannen waren. Vandaar het competitie-element, de Olympische
Spelen.
Deze periode (1100-900) staat vooral bekend als de ‘donkere eeuwen’, omdat contemporaine
schriftelijke gegevens ontbreken en de materiële cultuur verarmd was, hoewel er dankzij de
archeologie steeds meer bekend wordt over deze periode.
9 DE ARCHAÏSCHE PERIODE CA. 750-500 V.CHR.
Inleiding
In de achtste eeuw werd de basis gelegd voor een nieuwe bloei van de Griekse samenleving en een
nieuwe Griekse cultuur. De archaïsche tijd valt samen met het tijdperk van de Voor-Aziatische
wereldrijken: het Nieuw-Assyrische, het Nieuw-Babylonische en het Perzische rijk. Door de vele
interregionale handel is het niet gek dat er in de Griekse godsdienst, kunst, wetenschap en materiële
cultuur oosterse invloeden te bekennen zijn.
Veranderingen op demografisch en economisch terrein
In de achtste eeuw vindt er een breed herstel van de materiële cultuur plaats, te zien in de
monumentalisering van de bebouwing. Gestage bevolkingsgroei tussen de tiende en vijfde eeuw
betekende vernieuwingen in de agrarische sector, zoals meer ontgonnen landbouwgrond en een
grotere variëteit aan gewassen. Het houden van vee werd minder belangrijk. Enkele Grieken waagden
zich aan de piraterij en handel, maar dit werd (ook voor latere Grieken en Romeinen) gezien als iets
van de lagere orde.
De polis Veel nederzettingen ontwikkelden zich tot zelfstandige, autonome, stadstaten. Zo’n stadstaat
(polis/poleis) was een politieke organisatievorm en een samenlevingseenheid. Bij ‘polis’ gaat het in
principe altijd om een (kleine) stad met ommeland. De polis is de gemeenschap van de politai, de
burgers. Kenmerkend voor een polis was een meestal stedelijk administratief centrum met een
centraal heiligdom en een agora, een verzamelplaats (later marktplein). De polis werd gekenmerkt
II
,door een bestuur met functionarissen die met specifieke taken belast waren, zoals legerleiding,
rechtspraak en godsdienstige taken, en die door een of andere vorm van verkiezing werden
aangewezen. Staatsvormen in poleis konden dus verschillen. Een aristocratie is een staatsvorm waarin
de adellijke grondbezitters (want voorrechten gebaseerd op afstamming) de functies voor zich
reserveren; dit was het geval in de meeste poleis. Een belangrijk streven van de polis was ‘vrijheid en
autonomie’: vrijheid van overheersing door een grote mogendheid of een andere polis, wat autonomie
– de mogelijkheid zelf wetten te maken – impliceerde. De polis was de meest ideale bestaanswijze.
Staatsvormen in het oude Griekenland
❖ Monarchie – alleenheerschappij. Regering door een (meestal erfelijke) koning, wiens bewind
als wettig ervaren wordt.
❖ Tyrannis – de regering van iemand die de macht naar zich toe heeft getrokken en wiens macht
niet zonder meer gelegitimeerd is.
❖ Aristocratie – ‘regering door de besten’. De besten zijn de adellijke geslachten. Geboorte is het
criterium.
❖ Oligarchie – ‘regering van weinigen’. Regering van een kleine groep machthebbers, niet per se
van adellijke afkomst. Vermogen is het criterium.
❖ Timocratie – regeringsvorm waarbij voor het bekleden van regeringsfuncties
vermogenscriteria aangelegd worden.
❖ Democratie – regering door de dèmos (=mannen met burgerrecht). In een democratie heeft
de volksvergadering het laatste woord.
In minder ontwikkelde gebieden bestonden ethnè (/ethnos, volk) in plaats van poleis. Het ethnos is
een samenwerkingsverband van een aantal kleinere gemeenschappen, die vooral op militair terrein
gezamenlijk optraden. Binnen het ethnos konden steden ontstaan, die zich tot poleis ontwikkelden.
Griekenland was dus nooit een politieke eenheid, maar wel een culturele (taal, godsdienst, tradities).
Er zijn ook enkele overeenkomsten met de Feniciërs te benoemen: zelfstandige, autonome staten in
competitie met elkaar, een gemeenschappelijke taal en godsdienst en Fenicische kolonisatie.
Kolonisatie De achtste tot de zesde eeuw is de periode van de tweede Griekse migratie (de eerste was
rond 1100): de befaamde Griekse kolonisatie. De belangrijkste steden die Griekse kolonisten uitzonden
waren poleis in Klein-Azië (vooral Phocaea en Milete) en Korinthe.
De Griekse ‘kolonie’ was echter geen wingewest van de stad die een kolonie gesticht had, maar een
nieuwe onafhankelijke polis, die slechts morele en religieuze banden met de moederstad had.
Verscheidene van deze poleis hebben de handel bevorderd, met name de import van graan. Nu
voedsel overzee aangevoerd kon worden werd de behoefte aan verdere kolonisatie minder, bovendien
stuitte de kolonisatie op sterkere tegenstand van perzen, Carthagers en Etrusken, waardoor er rond
550 v.Chr. een einde aan kwam.
De Grieken begonnen meer gewassen, vooral olijven, te verbouwen, waarvan de producten, olijfolie,
konden worden verpakt in aardewerken kruiken en worden geëxporteerd. De handel bevorderde de
nijverheid in de steden en ze bouwden steeds grotere tempels. Dit leidde echter niet tot een
tegenstelling stad-platteland, daar de stadsbewoners in de meeste poleis boeren waren met land
buiten de stad.
III
, Veranderingen op sociaal terrein
Deze nieuwe economische en demografische ontwikkelingen brachten een groep ‘nouveau riches’ tot
stand. Deze ontstonden door investeringen in de handel en/of in grond. Hierdoor kregen kleine en
ouderwetse, naar autarkie strevende boeren het moeilijk. Door de groeiende bevolking werd het land
door de erfdelingen steeds kleiner, tot het te klein was om van te leven. Dit dwong kleine boeren ertoe
om te lenen, maar doordat de oogst niet groter werd en ze naast graan geen andere gewassen konden
verbouwen, raakten ze vrijwel onvermijdelijk in schuldgebondenheid.
Veranderingen op militair terrein
In de donkere eeuwen stond de oorlogvoering volledig onder leiding van de adellijke elite, geholpen
door lichtgewapende volgelingen. Het bezit van paarden en wagens was van belang voor vervoer naar
het slagveld en voor prestige. Het monopolie van de edelen ging in de loop van de archaïsche periode
echter verloren, omdat nieuwe rijken en middelgrote boeren in staat waren ook een wapenrusting aan
te schaffen (een schild, een helm, borstpantser, scheenbeschermers en een speer). De soldaten
werden later ‘hoplieten’ genoemd, naar het Griekse woord voor het schild: hoplon. Oorlogen waren
in de archaïsche tijd beperkte grensconflicten. Het hoofddoel was meestal plunderen en na een of
twee gevechten was het weer over.
Veranderingen op cultureel terrein
Het alfabet De bevruchting uit het Nabije Oosten was van grote invloed op verschillende culturele
terreinen, in de eerste plaats bij de introductie van het schrift. De Grieken hebben in de tiende of
negende eeuw het alfabet van de Feniciërs overgenomen, met aanvulling van klinkers en enkele
tekens.
De literatuur De literatuur was niet om te lezen, maar werd voorgelezen en gememoriseerd, vandaar
dat de oudste teksten allemaal in de vorm van poëzie geschreven zijn, ook politieke pamfletten en
werken van de vroegste filosofen.
De epen van Homerus waren als een soort bijbel voor de Grieken en behoorden tot in de late oudheid
tot verplichte stof in het onderwijs. Zijn weergave heeft grote invloed gehad op het Griekse denken en
geloven. Het werk van Homerus doet ook sterk denken aan het Gilgameš-epos. Beide zijn grote epen
die na een lange mondelinge overlevering tot één compositie zijn gemaakt, over een mythisch verleden
met een historische kern, avontuur, en direct contact tussen goden en mensen. Beide (de drie) epen
genoten een eeuwenlange populariteit en waren verplichte lesstof op school.
Hesodius (dichter uit de archaïsche periode, schreef Werken en dagen over het boerenleven en
Theogenie over het ontstaan van de godenwereld) geeft ons enig inzicht in een andere klasse in de
maatschappij. In Werken en dagen krijgen we een kijk op het landleven tegenover het stadse leven,
waard e edelen van hielden. Zijn Theogenie is voor de systematiek van het Griekse goden van belang.
In de literatuur is een steeds grotere tendens naar individualiteit te merken. De in de zevende eeuw
opkomende lyriek was al veel persoonlijker dan wat Hesodius verteld over zijn eigen
leefomstandigheden. Hier vinden wij in korte gedichten echt persoonlijke uitingen van dichters over
hun eigen gemoedstoestand (bv liefdespoëzie) en reflecties over de maatschappij.
IV