psychologie
DEEL 1 PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1 wetenschappelijkheid van de psychologie
verschil psychologie en mensenkennis = de wetenschappelijkheid van de psychologie
overeenkomst = interesse in het menselijk gedrag
1.1 een definitie van psychologie
psychologie = de wetenschappelijke studie van het gedrag en de onderliggende mentale processen
1.2 wat maakt psychologie tot een wetenschap?
criteria wetenschappelijkheid:
objectief waarneembaar = iedereen moet tot de dezelfde bevindingen komen als dezelfde
onderzoeksmethode zou gebruikt worden
resultaat van een systematische observatie = de methode van observatie vastleggen, beschrijven →
iemand anders de observatie kan herhalen
uitspraken moeten éénduidig zijn = andere verklaringen moeten uitgesloten worden
wetenschappelijke methode:
5 stappen om een psychologische theorie te toetsen
1. het ontwikkelen van een hypothese
2. een verband onderzoeken in een experiment
onafhankelijke variabele = dat wat onderzoekers manipuleren, variatie in aanbrengen
afhankelijke variabele = datgeen dat je gaat meten
3. verzamelen van de onderzoeksresultaten op een objectieve manier
4. analyse van de gegevens
5. bekendmaken en bediscussiëren van de resultaten
representativiteit = is de groep die betrokken is bij het onderzoek wel een goede
vertegenwoordiging van de hele groep waarover een uitspraak wordt gedaan
significantie = is de mate waarin de onafhankelijke variabele de afhankelijke beïnvloedt wel
voldoende? Is het verband niet alleen te verklaren door toeval?
betrouwbaarheid = bekom je dezelfde resultaten als je het onderzoek op dezelfde manier maar
later of bij een andere steekproef herhaalt
validiteit = mate waarin een test meet wat deze zou moeten meten
doelstellingen van de psychologie:
theoretische psychologie = men heeft als doel algemene
uitspraken of wetmatigheden over gedragingen te formuleren.
3 doelstellingen
beschrijven = fenomenen eerst nauwkeurig omschrijven
psychologie 1
, verklaren = oorzaken van verschijnselen opzoeken
voorspellen = oorzaak gekend → fenomeen opnieuw zal optreden als deze oorzaak nog eens
optreedt. Maar menselijk gedrag is niet volledig in wetmatigheden samen te brengen → want mens
is uniek
waterdichte voorspellingen zijn uitgesloten
toegepaste psychologie = in de toegepaste psychologie wil men vooral het gedrag gaan beïnvloeden
1.3 een definitie van gedrag
gedrag = een zinvolle reactie op een zinvolle stimulus
1.3.1 onderscheid betekenisloze en zinvolle stimulus en reactie
We maken een onderscheid tussen een betekenisloze stimulus en een zinvolle stimulus, wat wil zeggen
dat de persoon betekenis heeft gegeven aan de stimulus.
Voorbeeld:
Er is veel wind (betekenisloos, zinloos)
Ik vind veel wind onaangenaam (betekenisvol, zinvol)
Anderzijds maken we ook een onderscheid tussen een automatische fysiologische reactie en de zinvolle
reactie of een reactie die de persoon bewust of onbewust gekozen heeft
Voorbeeld:
Ik krijg kippenvel van de sensatie van de wind op mijn huid (fysiologische reactie)
Ik blijf niet stilstaan in die wind, ik wandel naar een aangenamere plek. (zinvolle reactie)
1.3.2 onderscheid objectief waarneembaar en interpretatie
stimulus en fysiologische reactie = objectief waarneembare aspecten
interne processen die een zinvolle stimulus omzetten in een zinvolle reactie = interpretatie
1.4 wat zijn interne processen?
niet waarneembaar
interne processen maken dat een stimulus een zinvolle situatie wordt en dat er een zinvolle reactie volgt
1.5 wanneer nemen we dan iets voor “waar” aan?
psychologie 2
, resultaat van een onderzoek → voorlopige conclusies
het herhalen van onderzoek door verschillende onderzoekers over de hele wereld → dichter bij de
werkelijkheid
convergerende evidentie: hoe meer de verschillende onderzoeksresultaten in dezelfde richting wijzen hoe
dichter we bij de waarheid denken te komen
orthopedagoog gebruikt zowel mensenkennis en psychologie → middenweg
zoeken
2 korte geschiedenis van de psychologie
begin: 1860-1870
2.1 de vroege psychologie
structuralisme
functionalisme
nu veel meer visies
2.1.1 structuralisme
begin wetenschappelijke psychologie: 1879 door Wundt
eerste psychologisch laboratorium
structuralisten = wetenschappers die opzoek gingen naar de bouwstenen, structuur van de menselijke
psyche
2.1.2 functionalisme
Dewey → hoe het bewustzijn ons zou kunnen helpen om de problemen van alledag beter te hanteren
2.2 verschillende invalshoeken (5)
biologische
evolutionaire
cognitieve
psychodynamische
humanistische
2.2.1 biologische invalshoek
rol van de erfelijkheid, zenuwstelsel en het endocriene stelstel in ons gedrag
2.2.2 evolutionaire invalshoek
navolging Darwin
individuen met psychische en lichamelijke kenmerken, die een antwoord zijn op de uitdagingen van de
omgeving, worden bevoordeeld
natuurlijke selectie
2.2.3 cognitieve invalshoek
hoe we onze ervaringen interpreteren is belangrijk voor de verklaring van ons gedrag
mentale processen
psychologie 3
, externe stimuli expliciet bestuderen
2.2.4 psychodynamische invalshoek
Freud
verdrongen herinneringen, traumata, verborgen agressie, onderdrukte seksuele verlangens veroorzaken
sterke impulsen die ons gedrag vanuit het onbewuste beïnvloeden.
psychotherapie of gesprekstherapie nu
2.2.5 humanistische invalshoek
Rogers en Maslow
tegenhanger psychogynamische theorie en koele wetenschappelijke denken
nadruk op het belang van de vrije wil
3 hedendaagse psychologie
belangrijkste evoluties in de psychologie (4)
eclectisch werken = gebruik maken van inzichten uit verschillende stromingen
belang van de biologie
ontdekkingen in geneeskunde, neurologie en biologie zijn belangrijk voor de psychologie
erfelijkheid als oorzaak voor bepaalde eigenschappen bevestigd door tweelingenonderzoeken
inprenting = aangeboren eigenschappen die zich gedurende bepaalde periodes tonen
belang van de lichamelijke toestand voor de conditie van de geest
onmisbaarheid van cognitieve processen
mensen leren constant (verwerven informatie, combineren het met het geheugen)
vroeger enkel uiterlijk waarneembaar gedrag, nu ook interne processen
de mens als deel van een groep zien
4 terreinen in de psychologie
4.1 theoretische psychologie
algemene psychologie
werking en het functioneren van gedragsprocessen
experimenteel
voorbeelden: werking geheugen, verbeelding, leerproces, motivatie, …
differentiële, persoonlijkheids- en individuele psychologie
bestudeert verschillen tussen mensen voor relatief constante persoonlijkheidskenmerken
(karakter, vaardigheden)
verschillen worden vastgesteld, beschreven en verklaard door het belang van milieu en erfelijkheid
als oorzaken
psychopathologie
studie van afwijkende gedragingen, van het gedrag van de psychisch gestoorde mens
sociale psychologie
psychologie 4
DEEL 1 PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
1 wetenschappelijkheid van de psychologie
verschil psychologie en mensenkennis = de wetenschappelijkheid van de psychologie
overeenkomst = interesse in het menselijk gedrag
1.1 een definitie van psychologie
psychologie = de wetenschappelijke studie van het gedrag en de onderliggende mentale processen
1.2 wat maakt psychologie tot een wetenschap?
criteria wetenschappelijkheid:
objectief waarneembaar = iedereen moet tot de dezelfde bevindingen komen als dezelfde
onderzoeksmethode zou gebruikt worden
resultaat van een systematische observatie = de methode van observatie vastleggen, beschrijven →
iemand anders de observatie kan herhalen
uitspraken moeten éénduidig zijn = andere verklaringen moeten uitgesloten worden
wetenschappelijke methode:
5 stappen om een psychologische theorie te toetsen
1. het ontwikkelen van een hypothese
2. een verband onderzoeken in een experiment
onafhankelijke variabele = dat wat onderzoekers manipuleren, variatie in aanbrengen
afhankelijke variabele = datgeen dat je gaat meten
3. verzamelen van de onderzoeksresultaten op een objectieve manier
4. analyse van de gegevens
5. bekendmaken en bediscussiëren van de resultaten
representativiteit = is de groep die betrokken is bij het onderzoek wel een goede
vertegenwoordiging van de hele groep waarover een uitspraak wordt gedaan
significantie = is de mate waarin de onafhankelijke variabele de afhankelijke beïnvloedt wel
voldoende? Is het verband niet alleen te verklaren door toeval?
betrouwbaarheid = bekom je dezelfde resultaten als je het onderzoek op dezelfde manier maar
later of bij een andere steekproef herhaalt
validiteit = mate waarin een test meet wat deze zou moeten meten
doelstellingen van de psychologie:
theoretische psychologie = men heeft als doel algemene
uitspraken of wetmatigheden over gedragingen te formuleren.
3 doelstellingen
beschrijven = fenomenen eerst nauwkeurig omschrijven
psychologie 1
, verklaren = oorzaken van verschijnselen opzoeken
voorspellen = oorzaak gekend → fenomeen opnieuw zal optreden als deze oorzaak nog eens
optreedt. Maar menselijk gedrag is niet volledig in wetmatigheden samen te brengen → want mens
is uniek
waterdichte voorspellingen zijn uitgesloten
toegepaste psychologie = in de toegepaste psychologie wil men vooral het gedrag gaan beïnvloeden
1.3 een definitie van gedrag
gedrag = een zinvolle reactie op een zinvolle stimulus
1.3.1 onderscheid betekenisloze en zinvolle stimulus en reactie
We maken een onderscheid tussen een betekenisloze stimulus en een zinvolle stimulus, wat wil zeggen
dat de persoon betekenis heeft gegeven aan de stimulus.
Voorbeeld:
Er is veel wind (betekenisloos, zinloos)
Ik vind veel wind onaangenaam (betekenisvol, zinvol)
Anderzijds maken we ook een onderscheid tussen een automatische fysiologische reactie en de zinvolle
reactie of een reactie die de persoon bewust of onbewust gekozen heeft
Voorbeeld:
Ik krijg kippenvel van de sensatie van de wind op mijn huid (fysiologische reactie)
Ik blijf niet stilstaan in die wind, ik wandel naar een aangenamere plek. (zinvolle reactie)
1.3.2 onderscheid objectief waarneembaar en interpretatie
stimulus en fysiologische reactie = objectief waarneembare aspecten
interne processen die een zinvolle stimulus omzetten in een zinvolle reactie = interpretatie
1.4 wat zijn interne processen?
niet waarneembaar
interne processen maken dat een stimulus een zinvolle situatie wordt en dat er een zinvolle reactie volgt
1.5 wanneer nemen we dan iets voor “waar” aan?
psychologie 2
, resultaat van een onderzoek → voorlopige conclusies
het herhalen van onderzoek door verschillende onderzoekers over de hele wereld → dichter bij de
werkelijkheid
convergerende evidentie: hoe meer de verschillende onderzoeksresultaten in dezelfde richting wijzen hoe
dichter we bij de waarheid denken te komen
orthopedagoog gebruikt zowel mensenkennis en psychologie → middenweg
zoeken
2 korte geschiedenis van de psychologie
begin: 1860-1870
2.1 de vroege psychologie
structuralisme
functionalisme
nu veel meer visies
2.1.1 structuralisme
begin wetenschappelijke psychologie: 1879 door Wundt
eerste psychologisch laboratorium
structuralisten = wetenschappers die opzoek gingen naar de bouwstenen, structuur van de menselijke
psyche
2.1.2 functionalisme
Dewey → hoe het bewustzijn ons zou kunnen helpen om de problemen van alledag beter te hanteren
2.2 verschillende invalshoeken (5)
biologische
evolutionaire
cognitieve
psychodynamische
humanistische
2.2.1 biologische invalshoek
rol van de erfelijkheid, zenuwstelsel en het endocriene stelstel in ons gedrag
2.2.2 evolutionaire invalshoek
navolging Darwin
individuen met psychische en lichamelijke kenmerken, die een antwoord zijn op de uitdagingen van de
omgeving, worden bevoordeeld
natuurlijke selectie
2.2.3 cognitieve invalshoek
hoe we onze ervaringen interpreteren is belangrijk voor de verklaring van ons gedrag
mentale processen
psychologie 3
, externe stimuli expliciet bestuderen
2.2.4 psychodynamische invalshoek
Freud
verdrongen herinneringen, traumata, verborgen agressie, onderdrukte seksuele verlangens veroorzaken
sterke impulsen die ons gedrag vanuit het onbewuste beïnvloeden.
psychotherapie of gesprekstherapie nu
2.2.5 humanistische invalshoek
Rogers en Maslow
tegenhanger psychogynamische theorie en koele wetenschappelijke denken
nadruk op het belang van de vrije wil
3 hedendaagse psychologie
belangrijkste evoluties in de psychologie (4)
eclectisch werken = gebruik maken van inzichten uit verschillende stromingen
belang van de biologie
ontdekkingen in geneeskunde, neurologie en biologie zijn belangrijk voor de psychologie
erfelijkheid als oorzaak voor bepaalde eigenschappen bevestigd door tweelingenonderzoeken
inprenting = aangeboren eigenschappen die zich gedurende bepaalde periodes tonen
belang van de lichamelijke toestand voor de conditie van de geest
onmisbaarheid van cognitieve processen
mensen leren constant (verwerven informatie, combineren het met het geheugen)
vroeger enkel uiterlijk waarneembaar gedrag, nu ook interne processen
de mens als deel van een groep zien
4 terreinen in de psychologie
4.1 theoretische psychologie
algemene psychologie
werking en het functioneren van gedragsprocessen
experimenteel
voorbeelden: werking geheugen, verbeelding, leerproces, motivatie, …
differentiële, persoonlijkheids- en individuele psychologie
bestudeert verschillen tussen mensen voor relatief constante persoonlijkheidskenmerken
(karakter, vaardigheden)
verschillen worden vastgesteld, beschreven en verklaard door het belang van milieu en erfelijkheid
als oorzaken
psychopathologie
studie van afwijkende gedragingen, van het gedrag van de psychisch gestoorde mens
sociale psychologie
psychologie 4