Hoofdstuk 3: De cel
Inleiding
Cellen = bouwsteen menselijk lichaam
4 concepten: cellen zijn…
- Bouwstenen van alle levende wezens
- Kleinste functionerende eenheden van leven
- Gevormd door deling van eerder bestaande cellen
- In elke cel wordt de homeostase bewaard
Recept voor de mens:
- Cellen, hun producten, vloeistof
- 75 triljoenen cellen in samenwerking:
75 000 000 000 000 000 000
o Veel gemeenschappelijk
o Toch uitermate verscheiden in vorm en functie
Samengestelde cel
‘typische’ cel:
- Bestaat niet!
- Elke cellen heeft meeste – maar niet alle – onderdelen
- Verschillende aantallen van onderdelen
3 fundamentele celonderdelen:
- Celmembraan (omsluiten cel) = plasmamembraan
- Cytoplasma (organellen + vloeistof)
o Vloeistof = cytosol
o Interne structuren = organellen
- Kern (genetisch materiaal en controle celactiviteit)
Nodig rondom cellen:
- Waterig milieu = extracellulaire vloeistof ( =
interstitiële vloeistof)
Celmembraan (plasmamembraan)
- Fysieke isolatie (maar meer dan een passieve ‘mantel’)
- Ook actief functionerend onderdeel
o Regelt uitwisseling met omgeving (= verkeer
van stoffen in en uit de cel)
o Gevoeligheid voor de omgeving (=
communicatie)
o Structurele stevigheid (= vasthechten tot
stabiele structuren)
Algemene eigenschappen
- Zeer dun, flexibel, elastisch
, - Vetten, eiwitten, koolhydraten
- Complexe oppervlakte-eigenschappen
o Groot oppervlak door in- en uitstulpingen
- Selectief permeabel
VETTEN:
- Dubbele laag (bilayer) van fosfolipiden
o 1 water-oplosbare fosfaat-‘kop’ = oppervlak
o 2 water-onoplosbare vetzuur-‘staart’ = inwendige
- Inwendige bevat cholesterol
o Reductie waterdoorlaatbaarheid
o Stabiliserend door stijfheid
- Selectieve fysieke barrière
o Wel lipofiele stoffen + 02, CO2
o Niet hydrofiele stoffen: aminozuren, suikers, eiwitten, nucleïnezuren, ionen
- Isolatie (homeostase!)
EIWITTEN:
- Positie
o Transmembraan
o Perifeer (in <> uit)
- Vorm
o Bol, staaf, vezel
- Beweeglijk in ‘vloeibare mozaïek’ + veranderlijk
Types membraaneiwitten:
- Receptor
- Kanaal
- Drager
- Enzymen
- Verankering
- Herkenning
KOOLHYDRATEN
- Als onderdeel van vet of eiwit
- Glycolipiden, glycoproteïnen
o Lubrificatie ‘smeermiddel’
o Receptor voor extracellulaire verbindingen ‘adhesie’
o Herkenningssysteem
Cytoplasma
Gelachtige substantie:
- Lichtmicroscoop: heldere gelei met vlekken
- Elektronenmicroscoop: netwerk van organellen, cytosol (vloeistof) en cytoskelet
o Cytosol:
IC vloeistof (verschil ECV)
Oplosbare stoffen
Inleiding
Cellen = bouwsteen menselijk lichaam
4 concepten: cellen zijn…
- Bouwstenen van alle levende wezens
- Kleinste functionerende eenheden van leven
- Gevormd door deling van eerder bestaande cellen
- In elke cel wordt de homeostase bewaard
Recept voor de mens:
- Cellen, hun producten, vloeistof
- 75 triljoenen cellen in samenwerking:
75 000 000 000 000 000 000
o Veel gemeenschappelijk
o Toch uitermate verscheiden in vorm en functie
Samengestelde cel
‘typische’ cel:
- Bestaat niet!
- Elke cellen heeft meeste – maar niet alle – onderdelen
- Verschillende aantallen van onderdelen
3 fundamentele celonderdelen:
- Celmembraan (omsluiten cel) = plasmamembraan
- Cytoplasma (organellen + vloeistof)
o Vloeistof = cytosol
o Interne structuren = organellen
- Kern (genetisch materiaal en controle celactiviteit)
Nodig rondom cellen:
- Waterig milieu = extracellulaire vloeistof ( =
interstitiële vloeistof)
Celmembraan (plasmamembraan)
- Fysieke isolatie (maar meer dan een passieve ‘mantel’)
- Ook actief functionerend onderdeel
o Regelt uitwisseling met omgeving (= verkeer
van stoffen in en uit de cel)
o Gevoeligheid voor de omgeving (=
communicatie)
o Structurele stevigheid (= vasthechten tot
stabiele structuren)
Algemene eigenschappen
- Zeer dun, flexibel, elastisch
, - Vetten, eiwitten, koolhydraten
- Complexe oppervlakte-eigenschappen
o Groot oppervlak door in- en uitstulpingen
- Selectief permeabel
VETTEN:
- Dubbele laag (bilayer) van fosfolipiden
o 1 water-oplosbare fosfaat-‘kop’ = oppervlak
o 2 water-onoplosbare vetzuur-‘staart’ = inwendige
- Inwendige bevat cholesterol
o Reductie waterdoorlaatbaarheid
o Stabiliserend door stijfheid
- Selectieve fysieke barrière
o Wel lipofiele stoffen + 02, CO2
o Niet hydrofiele stoffen: aminozuren, suikers, eiwitten, nucleïnezuren, ionen
- Isolatie (homeostase!)
EIWITTEN:
- Positie
o Transmembraan
o Perifeer (in <> uit)
- Vorm
o Bol, staaf, vezel
- Beweeglijk in ‘vloeibare mozaïek’ + veranderlijk
Types membraaneiwitten:
- Receptor
- Kanaal
- Drager
- Enzymen
- Verankering
- Herkenning
KOOLHYDRATEN
- Als onderdeel van vet of eiwit
- Glycolipiden, glycoproteïnen
o Lubrificatie ‘smeermiddel’
o Receptor voor extracellulaire verbindingen ‘adhesie’
o Herkenningssysteem
Cytoplasma
Gelachtige substantie:
- Lichtmicroscoop: heldere gelei met vlekken
- Elektronenmicroscoop: netwerk van organellen, cytosol (vloeistof) en cytoskelet
o Cytosol:
IC vloeistof (verschil ECV)
Oplosbare stoffen