EXAMENVRAGEN
FYSIOPATHOLOGIE
3de jaar BMW Universiteit Antwerpen
2019‐2020
,Inhoudsopgave
1. Nierziekten .......................................................................................................................................... 6
1.1 Beschrijf het begrip klaring door de nieren. Hoe kun je dit begrip toepassen om de glomerulaire
filtratie te berekenen? Beschrijf de belangrijkste klinische laboratoriumtesten ter evaluatie van de
nierfunctie bij de mens........................................................................................................................ 6
1.2 Bespreek de belangrijkste nierfuncties bij de gezonde mens ....................................................... 6
1.3 Bespreek de voornaamste oorzaken en tevens de fysiopathologische gevolgen van acute
nierinsufficiëntie. Bespreek ook de symptomatologie. ...................................................................... 6
1.4 Bespreek de belangrijkste glomerulopathieën. ............................................................................ 7
1.5 Welke zijn de voornaamste oorzaken van prerenale nierinsufficiëntie? ...................................... 7
1.6 Welke zijn de voornaamste oorzaken van renale nierinsufficiëntie? ........................................... 7
1.7 Bespreek de voornaamste oorzaken van postrenale nierinsufficiëntie. ....................................... 7
1.8 Hoe ontstaat nefrolithiase? Bespreek de klinische symptomatologie en de belangrijkste
klinische complicaties. ......................................................................................................................... 8
1.9 Welke zijn de voornaamste oorzaken van chronische nierinsufficiëntie? Beschrijf de
symptomen en tekens van chronische nierinsufficiëntie. .................................................................. 8
1.10 Beschrijf het metabolisme van calcium, fosfor en vitamine D bij chronische nierinsufficiëntie.
Bespreek ook de hieruit voortvloeiende klinische symptomatologie. ................................................ 8
1.11 Bespreek renale osteodystrofie. ................................................................................................. 8
1.12 Beschrijf de belangrijkste verschillen tussen acute en chronische nierinsufficiëntie. ................ 9
2. Atherosclerose..................................................................................................................................... 9
2.1 Beschrijf het verloop van atherosclerose. ..................................................................................... 9
2.2 Hoe gaat een atheroomplaque over van een stabiele fase naar een vulnerabele fase, en wat
zijn hiervan de mogelijke klinische gevolgen? .................................................................................... 9
2.3 Beschrijf de endotheliale controle van de vaattonus. Welke rol speelt het endotheel in de
pathogenese van atherosclerose? ...................................................................................................... 9
2.4 Welke fysiopathologische rol spelen monocyten, macrofagen, T‐lymfocyten en dendritische
cellen en stamcellen in het proces van atherosclerose? .................................................................... 9
2.5 Welke fysiopathologische rol spelen bloedplaatjes en de hemostasecascade in het proces van
atherosclerose? Kader hierbij ook de belangrijkste antithrombotische behandelingen zoals
gebruikt bij atherosclerose................................................................................................................ 10
2.6 Beschrijf de belangrijkste risicofactoren voor atherosclerose bij de mens, en kader hun
fysiologisch aangrijpingspunt. ........................................................................................................... 10
3. Vaatziekten ........................................................................................................................................ 10
3.1 Bespreek de belangrijkste oorzaken en klinische presentatie van een aorta aneurysma en een
aortadissectie. ................................................................................................................................... 10
3.2 Wat is de fysiopathologische basis van varices, en bespreek de belangrijkste complicaties. .... 11
3.3 Bespreek de belangrijkste risicofactoren voor diep veneuze trombose, en de belangrijkste
complicaties van deze aandoening ................................................................................................... 11
1
,4. Ischemisch hartlijden......................................................................................................................... 12
4.1 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van stabiele angor pectoris. ......................... 12
4.2 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van onstabiele angor pectoris. ..................... 12
4.3 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van een acuut myocardinfarct. .................... 12
4.4 Beschrijf de belangrijkste complicaties, en hun fysiopathologisch mechanisme, van een acuut
myocardinfarct .................................................................................................................................. 13
4.5 Beschrijf de belangrijkste therapeutische aangrijpingspunten (medicamenteus en niet‐
medicamenteus) van coronair ischemisch hartlijden) ...................................................................... 13
5. Valvulopathie..................................................................................................................................... 13
5.1 Beschrijf de etiologie, fysiopathologie, kliniek en prognose van een aortaklepstenose. ........... 13
5.2 Beschrijf de belangrijkste fysiopathologische en klinische verschillen tussen een acute en een
chronische aortaklepinsufficiëntie. ................................................................................................... 14
5.3 Beschrijf de etiologie, fysiopathologie en kliniek van een mitralisklepstenose. ......................... 14
5.4 Beschrijf de belangrijkste fysiopathologische en klinische verschillen tussen een acute en een
chronische mitralisklepinsufficiëntie................................................................................................. 14
5.5 Bespreek druk‐ en volumeoverbelasting, en de voornaamste compensatiemechanismen bij
valvulopathieën. ................................................................................................................................ 15
5.6 Beschrijf de fysiopathologie en het klinisch beeld van endocarditis. ......................................... 15
5.7 Beschrijf de belangrijkste ziektebeelden van het pericard. ........................................................ 15
6. Cardiomyopathie ‐ hartfalen ............................................................................................................. 16
6.1 Wat is een gedilateerde cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van deze aandoening.
........................................................................................................................................................... 16
6.2 Wat zijn de belangrijkste oorzaken van een gedilateerde cardiomyopathie, en verklaar het
klinisch ziektebeeld. .......................................................................................................................... 16
6.3 Wat is een hypertrofe obstructieve cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van de
hypertrofe obstructieve cardiomyopathie. ....................................................................................... 16
6.4 Wat is een restrictieve cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van deze aandoening. 16
6.5 Bespreek de multi‐orgaanfysiopathologie van hartfalen ............................................................ 17
6.6 Op welke wijze speelt het RAAS een fysiopathologische rol bij hartfalen? ................................ 17
6.7 Beschrijf de verschillende farmacologische behandelingsvormen voor hartfalen, en plaats ze
tegenover hun aangrijpingspunt in de fysiopathologie van deze aandoening. ................................ 17
7. Longziekten ....................................................................................................................................... 17
Astma................................................................................................................................................. 17
7.1 Leg de hygiëne hypothese uit...................................................................................................... 17
7.2 Wat zijn de typische pathologische kenmerken van de luchtweg bij een astmapatiënt? .......... 18
7.3 Welke mediatoren spelen een rol in het genereren van inflammatie bij de astmapatiënt en hoe
brengen ze dit tot stand? .................................................................................................................. 18
COPD.................................................................................................................................................. 18
2
, 7.4 Wat zijn de typische pathologische bevindingen bij de luchtwegen van een COPD patiënt? .... 18
7.5 Leg de elastase‐anti‐elastase hypothese uit en de rol die deze kan spelen in het ontstaan van
COPD.................................................................................................................................................. 19
Longkanker ........................................................................................................................................ 19
7.6 Hoe werkt nivolumab (immunotherapie)?.................................................................................. 19
7.7 Hoe werkt pemetrexed en hoe verklaar je de verschillende respons hierop bij adenocarcinoom
vs spinocellulair carcinoom? ............................................................................................................. 19
Tuberculose ....................................................................................................................................... 19
7.8 Wat gebeurt er als er een Mycobacterium tuberculosis wordt ingeademd en welke rol speelt
het afweermechanisme van de gastheer hierin? .............................................................................. 19
8. Osteoporose ...................................................................................................................................... 20
8.1 Beschrijf het proces van de botombouw en leg het fysiologisch belang hiervan uit. ................. 20
8.2 Welke factoren bevorderen de botresorptie en wat is hierbij de rol van respectievelijk de
osteoclast en de osteoblast? ............................................................................................................. 20
8.3 Waarom is osteoporose vooral een probleem bij vrouwen? ...................................................... 21
8.4 Wat betekent het begrip calciumhomeostase en hoe wordt deze gerealiseerd? ...................... 21
8.5 Op welke wijze kan men bij een persoon het fractuurrisico inschatten? ................................... 21
8.6 Schets de grote behandelingsprincipes bij osteoporose............................................................. 22
9. Endocrinologie ................................................................................................................................... 22
Diabetes ............................................................................................................................................. 22
9.1 Hoe wordt insuline gesecreteerd? .............................................................................................. 22
9.2 Beschrijf alle acties van insuline en glucagon. ............................................................................ 22
9.3 Wat is type 1 diabetes? ............................................................................................................... 23
9.4 Wat zijn de verschillen tussen type 1 en type 2 diabetes, en leg de pathogenese van beide
types uit. ............................................................................................................................................ 23
9.5 Geef een overzicht van risicofactoren die bijdragen tot chronische diabetesverwikkelingen en
beschrijf in grote lijnen welke chronische complicaties voorkomen. ............................................... 23
9.6 Bespreek diabetische nefropathie en risicofactoren op chronische complicaties...................... 24
9.7 Wat zijn DPP‐4 inhibitoren, incretinemimetica en SGLT2‐inhibitoren, en hoe werken ze? ....... 24
Obesitas ............................................................................................................................................. 25
9.8 Beschrijf de pathologische consequenties van obesitas op minstens 3 orgaansystemen. ......... 25
9.9 Welke adipokines, gescreteerd door white en brown adipose tissue, ken je en beschrijf hun
acties. ................................................................................................................................................ 25
9.10 Wat zijn orlistat en liraglutide en beschrijf hun werking. ......................................................... 25
Schildklier .......................................................................................................................................... 25
9.11 TSH speelt een belangrijke rol in de schildklierhormoonsynthese. Leg uit welke stappen in de
hormoonsynthese beïnvloed worden. .............................................................................................. 25
9.12 Beschrijf de fysiologische acties van schildklierhormoon. ........................................................ 26
3
FYSIOPATHOLOGIE
3de jaar BMW Universiteit Antwerpen
2019‐2020
,Inhoudsopgave
1. Nierziekten .......................................................................................................................................... 6
1.1 Beschrijf het begrip klaring door de nieren. Hoe kun je dit begrip toepassen om de glomerulaire
filtratie te berekenen? Beschrijf de belangrijkste klinische laboratoriumtesten ter evaluatie van de
nierfunctie bij de mens........................................................................................................................ 6
1.2 Bespreek de belangrijkste nierfuncties bij de gezonde mens ....................................................... 6
1.3 Bespreek de voornaamste oorzaken en tevens de fysiopathologische gevolgen van acute
nierinsufficiëntie. Bespreek ook de symptomatologie. ...................................................................... 6
1.4 Bespreek de belangrijkste glomerulopathieën. ............................................................................ 7
1.5 Welke zijn de voornaamste oorzaken van prerenale nierinsufficiëntie? ...................................... 7
1.6 Welke zijn de voornaamste oorzaken van renale nierinsufficiëntie? ........................................... 7
1.7 Bespreek de voornaamste oorzaken van postrenale nierinsufficiëntie. ....................................... 7
1.8 Hoe ontstaat nefrolithiase? Bespreek de klinische symptomatologie en de belangrijkste
klinische complicaties. ......................................................................................................................... 8
1.9 Welke zijn de voornaamste oorzaken van chronische nierinsufficiëntie? Beschrijf de
symptomen en tekens van chronische nierinsufficiëntie. .................................................................. 8
1.10 Beschrijf het metabolisme van calcium, fosfor en vitamine D bij chronische nierinsufficiëntie.
Bespreek ook de hieruit voortvloeiende klinische symptomatologie. ................................................ 8
1.11 Bespreek renale osteodystrofie. ................................................................................................. 8
1.12 Beschrijf de belangrijkste verschillen tussen acute en chronische nierinsufficiëntie. ................ 9
2. Atherosclerose..................................................................................................................................... 9
2.1 Beschrijf het verloop van atherosclerose. ..................................................................................... 9
2.2 Hoe gaat een atheroomplaque over van een stabiele fase naar een vulnerabele fase, en wat
zijn hiervan de mogelijke klinische gevolgen? .................................................................................... 9
2.3 Beschrijf de endotheliale controle van de vaattonus. Welke rol speelt het endotheel in de
pathogenese van atherosclerose? ...................................................................................................... 9
2.4 Welke fysiopathologische rol spelen monocyten, macrofagen, T‐lymfocyten en dendritische
cellen en stamcellen in het proces van atherosclerose? .................................................................... 9
2.5 Welke fysiopathologische rol spelen bloedplaatjes en de hemostasecascade in het proces van
atherosclerose? Kader hierbij ook de belangrijkste antithrombotische behandelingen zoals
gebruikt bij atherosclerose................................................................................................................ 10
2.6 Beschrijf de belangrijkste risicofactoren voor atherosclerose bij de mens, en kader hun
fysiologisch aangrijpingspunt. ........................................................................................................... 10
3. Vaatziekten ........................................................................................................................................ 10
3.1 Bespreek de belangrijkste oorzaken en klinische presentatie van een aorta aneurysma en een
aortadissectie. ................................................................................................................................... 10
3.2 Wat is de fysiopathologische basis van varices, en bespreek de belangrijkste complicaties. .... 11
3.3 Bespreek de belangrijkste risicofactoren voor diep veneuze trombose, en de belangrijkste
complicaties van deze aandoening ................................................................................................... 11
1
,4. Ischemisch hartlijden......................................................................................................................... 12
4.1 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van stabiele angor pectoris. ......................... 12
4.2 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van onstabiele angor pectoris. ..................... 12
4.3 Beschrijf de fysiopathologie, kliniek en prognose van een acuut myocardinfarct. .................... 12
4.4 Beschrijf de belangrijkste complicaties, en hun fysiopathologisch mechanisme, van een acuut
myocardinfarct .................................................................................................................................. 13
4.5 Beschrijf de belangrijkste therapeutische aangrijpingspunten (medicamenteus en niet‐
medicamenteus) van coronair ischemisch hartlijden) ...................................................................... 13
5. Valvulopathie..................................................................................................................................... 13
5.1 Beschrijf de etiologie, fysiopathologie, kliniek en prognose van een aortaklepstenose. ........... 13
5.2 Beschrijf de belangrijkste fysiopathologische en klinische verschillen tussen een acute en een
chronische aortaklepinsufficiëntie. ................................................................................................... 14
5.3 Beschrijf de etiologie, fysiopathologie en kliniek van een mitralisklepstenose. ......................... 14
5.4 Beschrijf de belangrijkste fysiopathologische en klinische verschillen tussen een acute en een
chronische mitralisklepinsufficiëntie................................................................................................. 14
5.5 Bespreek druk‐ en volumeoverbelasting, en de voornaamste compensatiemechanismen bij
valvulopathieën. ................................................................................................................................ 15
5.6 Beschrijf de fysiopathologie en het klinisch beeld van endocarditis. ......................................... 15
5.7 Beschrijf de belangrijkste ziektebeelden van het pericard. ........................................................ 15
6. Cardiomyopathie ‐ hartfalen ............................................................................................................. 16
6.1 Wat is een gedilateerde cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van deze aandoening.
........................................................................................................................................................... 16
6.2 Wat zijn de belangrijkste oorzaken van een gedilateerde cardiomyopathie, en verklaar het
klinisch ziektebeeld. .......................................................................................................................... 16
6.3 Wat is een hypertrofe obstructieve cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van de
hypertrofe obstructieve cardiomyopathie. ....................................................................................... 16
6.4 Wat is een restrictieve cardiomyopathie? Beschrijf de fysiopathologie van deze aandoening. 16
6.5 Bespreek de multi‐orgaanfysiopathologie van hartfalen ............................................................ 17
6.6 Op welke wijze speelt het RAAS een fysiopathologische rol bij hartfalen? ................................ 17
6.7 Beschrijf de verschillende farmacologische behandelingsvormen voor hartfalen, en plaats ze
tegenover hun aangrijpingspunt in de fysiopathologie van deze aandoening. ................................ 17
7. Longziekten ....................................................................................................................................... 17
Astma................................................................................................................................................. 17
7.1 Leg de hygiëne hypothese uit...................................................................................................... 17
7.2 Wat zijn de typische pathologische kenmerken van de luchtweg bij een astmapatiënt? .......... 18
7.3 Welke mediatoren spelen een rol in het genereren van inflammatie bij de astmapatiënt en hoe
brengen ze dit tot stand? .................................................................................................................. 18
COPD.................................................................................................................................................. 18
2
, 7.4 Wat zijn de typische pathologische bevindingen bij de luchtwegen van een COPD patiënt? .... 18
7.5 Leg de elastase‐anti‐elastase hypothese uit en de rol die deze kan spelen in het ontstaan van
COPD.................................................................................................................................................. 19
Longkanker ........................................................................................................................................ 19
7.6 Hoe werkt nivolumab (immunotherapie)?.................................................................................. 19
7.7 Hoe werkt pemetrexed en hoe verklaar je de verschillende respons hierop bij adenocarcinoom
vs spinocellulair carcinoom? ............................................................................................................. 19
Tuberculose ....................................................................................................................................... 19
7.8 Wat gebeurt er als er een Mycobacterium tuberculosis wordt ingeademd en welke rol speelt
het afweermechanisme van de gastheer hierin? .............................................................................. 19
8. Osteoporose ...................................................................................................................................... 20
8.1 Beschrijf het proces van de botombouw en leg het fysiologisch belang hiervan uit. ................. 20
8.2 Welke factoren bevorderen de botresorptie en wat is hierbij de rol van respectievelijk de
osteoclast en de osteoblast? ............................................................................................................. 20
8.3 Waarom is osteoporose vooral een probleem bij vrouwen? ...................................................... 21
8.4 Wat betekent het begrip calciumhomeostase en hoe wordt deze gerealiseerd? ...................... 21
8.5 Op welke wijze kan men bij een persoon het fractuurrisico inschatten? ................................... 21
8.6 Schets de grote behandelingsprincipes bij osteoporose............................................................. 22
9. Endocrinologie ................................................................................................................................... 22
Diabetes ............................................................................................................................................. 22
9.1 Hoe wordt insuline gesecreteerd? .............................................................................................. 22
9.2 Beschrijf alle acties van insuline en glucagon. ............................................................................ 22
9.3 Wat is type 1 diabetes? ............................................................................................................... 23
9.4 Wat zijn de verschillen tussen type 1 en type 2 diabetes, en leg de pathogenese van beide
types uit. ............................................................................................................................................ 23
9.5 Geef een overzicht van risicofactoren die bijdragen tot chronische diabetesverwikkelingen en
beschrijf in grote lijnen welke chronische complicaties voorkomen. ............................................... 23
9.6 Bespreek diabetische nefropathie en risicofactoren op chronische complicaties...................... 24
9.7 Wat zijn DPP‐4 inhibitoren, incretinemimetica en SGLT2‐inhibitoren, en hoe werken ze? ....... 24
Obesitas ............................................................................................................................................. 25
9.8 Beschrijf de pathologische consequenties van obesitas op minstens 3 orgaansystemen. ......... 25
9.9 Welke adipokines, gescreteerd door white en brown adipose tissue, ken je en beschrijf hun
acties. ................................................................................................................................................ 25
9.10 Wat zijn orlistat en liraglutide en beschrijf hun werking. ......................................................... 25
Schildklier .......................................................................................................................................... 25
9.11 TSH speelt een belangrijke rol in de schildklierhormoonsynthese. Leg uit welke stappen in de
hormoonsynthese beïnvloed worden. .............................................................................................. 25
9.12 Beschrijf de fysiologische acties van schildklierhormoon. ........................................................ 26
3