Samenvatting orthopedagogische doelgroepen en werkvelden
1. Inleiding
Orthopedagogiek = Personen in problematische opvoedingssituaties
➔ De situatie waar het gewone opvoeden tekort schiet
➔ Definitie van handi (n)cap in brede zin van het woord
2 nieuwe paradigma’s:
1. Quality of life / het kwaliteit van het bestaan
- Onderzoeker: Schalock
- Gaat na hoe het ECHT met iemand gaat
- Het model bestaat uit 8 domeinen nl.
1. Emotioneel welbevinden
2. Interpersoonlijke relaties
3. Materieel welbevinden
4. Persoonlijke ontplooiing
5. Lichamelijk welbevinden
6. Zelfbepaling
7. Sociale inclusie
8. Rechten
2. Inclusie
= iedereen hoort erbij: onderwijs, de werkplek, de vrijetijdsbesteding
Richtlijnen:
- Zelf invulling geven aan het leven
- Deelnemen aan de samenleving
- Ontplooien, leren, vaardigheden ontwikkelen
- Relaties onderhouden met degenen van eigen keuze
- Gerespecteerd worden als volwaardig persoon
Hoofdstuk 1: Personen met een verstandelijke beperking
2.1 Inleiding
Nederlands: personen met een verstandelijke beperking
Engels: (vs, Canada,..) → intellectual disabilities
(UK)→ learning disabilities
- oude benaming AAMR (= American Association on Mental Retardation)
- nieuwe benaming AAIDD (= American Association on Intellectual and Developmental Disabilties)
Het AIDD zorgde hierdoor voor een ware revolutie (1992!!), een paradigma-verandering:
- Een verstandelijke beperking werd niet meer gezien als een persoonskenmerk maar als een
gevolg van een complex samenspel tussen mogelijkheden en beperkingen van een persoon
met de eisen van een omgeving
, - Er word veel meer aandacht besteed aan de kwaliteit van de contexten waarin de personen
met een verstandelijke beperking vertoeven.
- Ondersteuning wordt als centraal concept geïntroduceerd.
2.2 Historiek
2.2.1 Van de oudheid tot 1992
- Oudheid: mochten blijven leven, desinteresse/ onzichtbaar
- Middeleeuwen: hofnar
- Begin 19e eeuw: Freakshow
2.2.2 Pioniers
Pinel (1745 – 1826) :
- ‘Nosographie des maladies mentales’
- Als eerste systematische beschrijving van psychiatrische ziektebeelden
Esquirol (lln van Pinel):
- Spreekt van ‘idiotie’ in 1820 (nl. de verwarden, de dementen en de idioten)
- Was directeur van het hospitaal, La Salpétrière, dat als doel had bedelaars en marginalen
verplicht te laten verblijven. Daarna werd dit een ziekenhuis waar
- neurologie ontwikkelde en werd het bijhuis, Bicêtre, de verblijfplaats voor krankzinnigen.
Itard (1774 – 1838):
Medisch-pedagogische benadering + eerste introductie natuurwetenschappelijke methode
- L’enfant Sauvage / de wilde van Aveyron
- Ondanks Itards behandeling niet ‘genezend’ bleek te zijn, is zijn invloed op de theorievorming
en de praktijk van de zorg voor personen met een verstandelijke beperking enorm geweest.
Seguin (1812 – 1880):
- Zet het werk van Itard verder en richtte een school op voor ‘idioten’
- Hij werkte een onderwijsmethode uit op basis van het stimuleren van zintuiglijke functies.
- Kritiek op Itard: Itard heeft enkel de voorloper van de opvoeding uitgewerkt, ‘ de morele
training’ moest het eindpunt zijn.
- Hij verplaatste de nadruk van het individuele onderricht naar de groep. Dit moest helpen om
een negatieve wil in een affirmatieve (bevestigende) wil om te zetten en om eenzaamheid in
sociabiliteit om te zetten.
Pioniers in Vlaanderen:
- Kannunik Triest ( 1760 – 1836): Oprichter van Broeders van Liefde en Zusters van Liefde
- Dr. Guislain (1797 – 1860): Hoofdgeneesheer, was er van overtuigd dat psychiatrische
problemen veroorzaakt werden door stoornissen in het gemoed.
→goed klimaat, regelmaat, gezonde voeding,..
2.2.3 Eerste inrichtingen: 1850
Een Zwitserse arts Guggenbühl richtte een instelling op in Interlaken, hij liet zich inspireren door de
Duitse natuurfilosofie: Het voornaamste principe is dat de mens in zijn wezenlijke kern nooit
gehandicapt kan zijn. Het instrument waar de mens gebruik van maakt (namelijk de lichamelijkheid
,en de ziel) kan wel onvolkomenheden vertonen. Deze onvolkomenheden zijn niet alleen een
hindernis, ze verbergen ook een mogelijkheid tot verdere ontwikkeling.
Ook nu nog voorzieningen met een natuurfilosofische en/of antroposofische visie (= denkwijze
waarin de geestelijke wereld en het innerlijk erg belangrijk zijn) vb. vzw WIDAR
➔ Medewerkers met hun families wonen in de voorziening en vormen
samen met de opgenomen personen met een beperking een
woongemeenschap.
2.2.4 Evolutie van filantropie naar positivisme: donkere periode!
filantropie = menslievendheid
positivisme = ervaringsgericht, ervaring staat centraal
kenmerken:
- Groeiende belangstelling voor het lichaam en hersenen
- De wetenschap zoekt verklaringen, verschijningsvormen, gradaties (vb. Langdon Down:
‘mongolisme’)
- Stamboomonderzoek
- psychometrie
Gevolg: uitstoting van personen met een beperking, ze verblijven in inrichtingen ter bescherming van
de maatschappij.
2.2.5 De psychometrie
= een wetenschap die zich bezighoudt met de technieken van het meten van psychologische
fenomenen zoals kennis, vaardigheden, attituden, eigenschappen en persoonskenmerken.
1. Binet en Simon voerde onderzoek, de test die ze uitvoerde werd geïnterpreteerd als een test die
de ‘natuurlijke intelligentie’ (= erfelijke intelligentie, los van opvoeding) zou meten.
2. Goddard concludeerde hier uit dat mensen met een verstandelijke beperking wel trainbaar waren,
maar dat dit alles steeds gezien moest worden in functie van hun aangeboren – verminderde –
mogelijkheden.
3. Terman maakte deze test makkelijker hanteerbaar, hij voerde het intelligentiequotiënt in. Hij
beschouwde het IQ als erfelijk en onveranderlijk.
4. Hieruit is het Buitengewoon Onderwijs ontstaan. Dit gelde vooral voor de mensen uit lagere
sociale klassen, die als verderfelijke invloed werden beschouwt.
Het IQ bepaalt vanaf dan veel, De vraag is wel : hoe laag moet je IQ zijn om het als probleem te
mogen/moeten zien? m.a.w. wanneer labelen we iemand als ‘persoon met een verstandelijke
beperking’?
➔ Belangrijke Amerikaanse organisatie van wetenschappers
(interdisciplinair) die sinds 1876 al nadenkt en standpunten publiceert
over verstandelijke beperking : worden wereldwijd gerespecteerd,
aanvaard en gevolgd….
, 2.2.6 Na 1950 – instituutgericht denken vs integratie
- vanaf 1925 : nature-nurture debat woedde volop
→ Fernald, directeur van een inrichting, had cliënten van uit zijn inrichting ontslagen omdat zij
zich vrij goed konden handhaven in de maatschappij.
→ Ook de IOWA-studies hadden een grote invloed: Skeels, Oye, Skodak brachten de nature-
nurture discussie terug op gang. Skeels vond nl. bij een groep kinderen met een laag IQ dat
ze na een verblijf in een pedagogisch stimulerende omgeving bij hertesting een normaal IQ
scoorden.
- Aanklacht tegen instellingen:
➔ Goffman, Bowlby en Spitz, Wolfensberger, … keren zich tegen het totaalinstituut
➔ Normalisatiedenken
➔ Verklaring van de Rechten van Mentaal Gehandicapte Personen
➔ Meer en meer geloof in de mogelijkheden van mensen met een verstandelijke beperking
- Normalisatiedenken = alle personen met een verstandelijke beperking moeten in
levensomstandigheden worden gebracht die zo dicht mogelijk de gewone levensomstandigheden
van de maatschappij benaderen. Het word als een instrument tot integratie beschouwd. Geloven in
hun mogelijkheden.
2.2.7 De paradigma-omslag vanaf de jaren 1990
Paradigma’s 20e en 21e eeuw
Omslag als gevolg van kritiek om instituten, geeft aanleiding tot paradigmashift + nieuwe definitie
AAID.
1. Normalisatiedenken en integratie (jaren 70-80)
→ Zo normaal mogelijk leven. Dicht aansluiten bij maatschappij.
2. Emancipatie: empowerment en inclusie (jaren 90)
• Verlenen van kracht en macht.
• 3 R’s: rights, responsabilities en risks.
• Om empowerment te kunnen realiseren: nieuw theoretisch kader nodig.
Nieuwe denken vindt theoretische inbedding in sociale modellen van fenomeen. Handicap met
volgende kenmerken:
- Disability moet worden gezien in termen van sociale structuren.
- Secundaire preventie ipv primaire preventie.
- Disability geen verschil.
- Interactie individu – samenleving centraal.
- Inclusie publiek verantwoordelijk.
→ Dit alles leidt tot ‘disability studies”. Van Hove beschrijft enkele fundamentele uitgangspunten:
a. Komaf maken met biomedisch model: zien van personen met handicap als mindere.
b. Maakt gebruik van MDM.
1. Inleiding
Orthopedagogiek = Personen in problematische opvoedingssituaties
➔ De situatie waar het gewone opvoeden tekort schiet
➔ Definitie van handi (n)cap in brede zin van het woord
2 nieuwe paradigma’s:
1. Quality of life / het kwaliteit van het bestaan
- Onderzoeker: Schalock
- Gaat na hoe het ECHT met iemand gaat
- Het model bestaat uit 8 domeinen nl.
1. Emotioneel welbevinden
2. Interpersoonlijke relaties
3. Materieel welbevinden
4. Persoonlijke ontplooiing
5. Lichamelijk welbevinden
6. Zelfbepaling
7. Sociale inclusie
8. Rechten
2. Inclusie
= iedereen hoort erbij: onderwijs, de werkplek, de vrijetijdsbesteding
Richtlijnen:
- Zelf invulling geven aan het leven
- Deelnemen aan de samenleving
- Ontplooien, leren, vaardigheden ontwikkelen
- Relaties onderhouden met degenen van eigen keuze
- Gerespecteerd worden als volwaardig persoon
Hoofdstuk 1: Personen met een verstandelijke beperking
2.1 Inleiding
Nederlands: personen met een verstandelijke beperking
Engels: (vs, Canada,..) → intellectual disabilities
(UK)→ learning disabilities
- oude benaming AAMR (= American Association on Mental Retardation)
- nieuwe benaming AAIDD (= American Association on Intellectual and Developmental Disabilties)
Het AIDD zorgde hierdoor voor een ware revolutie (1992!!), een paradigma-verandering:
- Een verstandelijke beperking werd niet meer gezien als een persoonskenmerk maar als een
gevolg van een complex samenspel tussen mogelijkheden en beperkingen van een persoon
met de eisen van een omgeving
, - Er word veel meer aandacht besteed aan de kwaliteit van de contexten waarin de personen
met een verstandelijke beperking vertoeven.
- Ondersteuning wordt als centraal concept geïntroduceerd.
2.2 Historiek
2.2.1 Van de oudheid tot 1992
- Oudheid: mochten blijven leven, desinteresse/ onzichtbaar
- Middeleeuwen: hofnar
- Begin 19e eeuw: Freakshow
2.2.2 Pioniers
Pinel (1745 – 1826) :
- ‘Nosographie des maladies mentales’
- Als eerste systematische beschrijving van psychiatrische ziektebeelden
Esquirol (lln van Pinel):
- Spreekt van ‘idiotie’ in 1820 (nl. de verwarden, de dementen en de idioten)
- Was directeur van het hospitaal, La Salpétrière, dat als doel had bedelaars en marginalen
verplicht te laten verblijven. Daarna werd dit een ziekenhuis waar
- neurologie ontwikkelde en werd het bijhuis, Bicêtre, de verblijfplaats voor krankzinnigen.
Itard (1774 – 1838):
Medisch-pedagogische benadering + eerste introductie natuurwetenschappelijke methode
- L’enfant Sauvage / de wilde van Aveyron
- Ondanks Itards behandeling niet ‘genezend’ bleek te zijn, is zijn invloed op de theorievorming
en de praktijk van de zorg voor personen met een verstandelijke beperking enorm geweest.
Seguin (1812 – 1880):
- Zet het werk van Itard verder en richtte een school op voor ‘idioten’
- Hij werkte een onderwijsmethode uit op basis van het stimuleren van zintuiglijke functies.
- Kritiek op Itard: Itard heeft enkel de voorloper van de opvoeding uitgewerkt, ‘ de morele
training’ moest het eindpunt zijn.
- Hij verplaatste de nadruk van het individuele onderricht naar de groep. Dit moest helpen om
een negatieve wil in een affirmatieve (bevestigende) wil om te zetten en om eenzaamheid in
sociabiliteit om te zetten.
Pioniers in Vlaanderen:
- Kannunik Triest ( 1760 – 1836): Oprichter van Broeders van Liefde en Zusters van Liefde
- Dr. Guislain (1797 – 1860): Hoofdgeneesheer, was er van overtuigd dat psychiatrische
problemen veroorzaakt werden door stoornissen in het gemoed.
→goed klimaat, regelmaat, gezonde voeding,..
2.2.3 Eerste inrichtingen: 1850
Een Zwitserse arts Guggenbühl richtte een instelling op in Interlaken, hij liet zich inspireren door de
Duitse natuurfilosofie: Het voornaamste principe is dat de mens in zijn wezenlijke kern nooit
gehandicapt kan zijn. Het instrument waar de mens gebruik van maakt (namelijk de lichamelijkheid
,en de ziel) kan wel onvolkomenheden vertonen. Deze onvolkomenheden zijn niet alleen een
hindernis, ze verbergen ook een mogelijkheid tot verdere ontwikkeling.
Ook nu nog voorzieningen met een natuurfilosofische en/of antroposofische visie (= denkwijze
waarin de geestelijke wereld en het innerlijk erg belangrijk zijn) vb. vzw WIDAR
➔ Medewerkers met hun families wonen in de voorziening en vormen
samen met de opgenomen personen met een beperking een
woongemeenschap.
2.2.4 Evolutie van filantropie naar positivisme: donkere periode!
filantropie = menslievendheid
positivisme = ervaringsgericht, ervaring staat centraal
kenmerken:
- Groeiende belangstelling voor het lichaam en hersenen
- De wetenschap zoekt verklaringen, verschijningsvormen, gradaties (vb. Langdon Down:
‘mongolisme’)
- Stamboomonderzoek
- psychometrie
Gevolg: uitstoting van personen met een beperking, ze verblijven in inrichtingen ter bescherming van
de maatschappij.
2.2.5 De psychometrie
= een wetenschap die zich bezighoudt met de technieken van het meten van psychologische
fenomenen zoals kennis, vaardigheden, attituden, eigenschappen en persoonskenmerken.
1. Binet en Simon voerde onderzoek, de test die ze uitvoerde werd geïnterpreteerd als een test die
de ‘natuurlijke intelligentie’ (= erfelijke intelligentie, los van opvoeding) zou meten.
2. Goddard concludeerde hier uit dat mensen met een verstandelijke beperking wel trainbaar waren,
maar dat dit alles steeds gezien moest worden in functie van hun aangeboren – verminderde –
mogelijkheden.
3. Terman maakte deze test makkelijker hanteerbaar, hij voerde het intelligentiequotiënt in. Hij
beschouwde het IQ als erfelijk en onveranderlijk.
4. Hieruit is het Buitengewoon Onderwijs ontstaan. Dit gelde vooral voor de mensen uit lagere
sociale klassen, die als verderfelijke invloed werden beschouwt.
Het IQ bepaalt vanaf dan veel, De vraag is wel : hoe laag moet je IQ zijn om het als probleem te
mogen/moeten zien? m.a.w. wanneer labelen we iemand als ‘persoon met een verstandelijke
beperking’?
➔ Belangrijke Amerikaanse organisatie van wetenschappers
(interdisciplinair) die sinds 1876 al nadenkt en standpunten publiceert
over verstandelijke beperking : worden wereldwijd gerespecteerd,
aanvaard en gevolgd….
, 2.2.6 Na 1950 – instituutgericht denken vs integratie
- vanaf 1925 : nature-nurture debat woedde volop
→ Fernald, directeur van een inrichting, had cliënten van uit zijn inrichting ontslagen omdat zij
zich vrij goed konden handhaven in de maatschappij.
→ Ook de IOWA-studies hadden een grote invloed: Skeels, Oye, Skodak brachten de nature-
nurture discussie terug op gang. Skeels vond nl. bij een groep kinderen met een laag IQ dat
ze na een verblijf in een pedagogisch stimulerende omgeving bij hertesting een normaal IQ
scoorden.
- Aanklacht tegen instellingen:
➔ Goffman, Bowlby en Spitz, Wolfensberger, … keren zich tegen het totaalinstituut
➔ Normalisatiedenken
➔ Verklaring van de Rechten van Mentaal Gehandicapte Personen
➔ Meer en meer geloof in de mogelijkheden van mensen met een verstandelijke beperking
- Normalisatiedenken = alle personen met een verstandelijke beperking moeten in
levensomstandigheden worden gebracht die zo dicht mogelijk de gewone levensomstandigheden
van de maatschappij benaderen. Het word als een instrument tot integratie beschouwd. Geloven in
hun mogelijkheden.
2.2.7 De paradigma-omslag vanaf de jaren 1990
Paradigma’s 20e en 21e eeuw
Omslag als gevolg van kritiek om instituten, geeft aanleiding tot paradigmashift + nieuwe definitie
AAID.
1. Normalisatiedenken en integratie (jaren 70-80)
→ Zo normaal mogelijk leven. Dicht aansluiten bij maatschappij.
2. Emancipatie: empowerment en inclusie (jaren 90)
• Verlenen van kracht en macht.
• 3 R’s: rights, responsabilities en risks.
• Om empowerment te kunnen realiseren: nieuw theoretisch kader nodig.
Nieuwe denken vindt theoretische inbedding in sociale modellen van fenomeen. Handicap met
volgende kenmerken:
- Disability moet worden gezien in termen van sociale structuren.
- Secundaire preventie ipv primaire preventie.
- Disability geen verschil.
- Interactie individu – samenleving centraal.
- Inclusie publiek verantwoordelijk.
→ Dit alles leidt tot ‘disability studies”. Van Hove beschrijft enkele fundamentele uitgangspunten:
a. Komaf maken met biomedisch model: zien van personen met handicap als mindere.
b. Maakt gebruik van MDM.