De oudheid
Inhoudsopgave
De oudheid (Naerebout) ......................................................................................................................... 2
Maatschappij en individu: ................................................................................................................... 2
Mannen en vrouwen: .......................................................................................................................... 7
Religie, filosofie en wetenschap: ....................................................................................................... 11
PowerPoints: ......................................................................................................................................... 17
Tempels in de oudheid: ..................................................................................................................... 17
Klassieke verhalen ............................................................................................................................. 20
Theater in Griekse oudheid ............................................................................................................... 23
Rites de passage ................................................................................................................................ 26
Helleense cultuur .............................................................................................................................. 28
Griekse en Romeinse voorstellingen over de dood .......................................................................... 30
Keizerlijke propaganda ...................................................................................................................... 32
,De oudheid (Naerebout)
Maatschappij en individu:
Het maatschappelijk leven in Griekenland was hoofdzakelijk een aangelegenheid van de man:
feestmalen en literaire seances waren, een enkele uitzondering daargelaten, een mannenzaak, zoals
het hele leven van clubs en allerlei vormen van vermaak een mannenzaak was.
Tussen verschillende culturen bestaan op dit gebied duidelijke parallellen. Er is een duidelijk een
onderscheid te zien tussen hoogontwikkelde staten van Azië en Egypte en de culturen in Europa.
In de eerstgenoemde is de jacht praktisch een voorrecht van alleen de koningen en de aristocratie,
en zijn raids en plundertochten van particulieren eveneens aan banden gelegd.
In de Europese culturen daarentegen lijken, zeker in het ‘primitieve’ westen, al deze vormen van
vermaak open te staan voor alle vrije mannen van de gemeenschap, dus voor allen die wapens
dragen.
In Sparta wordt het maatschappelijk leven immers vrijwel geheel gedragen door de sussitia: de clubs
van de Gelijken, die samen eten en samen in het leger dienen. De sportbeoefening is hier duidelijk
een onderdeel van de gemeenschappelijke opvoeding van de jeugd en dus een
staatsaangelegenheid. Maar elders in Griekenland zijn in de Archaïsche Tijd sport en
gemeenschappelijke maaltijden allereerst het domein van de aristocratie.
De sportwedstrijden in het archaïsche Griekenland hadden altijd een sacraal of heilig karakter. In een
ander opzicht fungeerden wedstrijden bijna als vervanging voor reële gevechten: de overwinnaars
werden door hun vaderstad geëerd alsof zij een oorlog hadden gewonnen. Het is ook niet toevallig
dat de groei van een zeker gemeenschappelijk Grieks gevoel in de Archaïsche Tijd samenvalt met de
opkomst van spelen bij bepaalde heiligdommen, die voor deelnemers uit de hele Griekse wereld
openstonden.
Het gumnasion was een plaats van lichamelijke oefening. Hier konden burgers die daarvoor thuis
geen gelegenheid hadden, zich met sporten en vooral met training bezighouden. In zekere zin
betekende dit een vorm van democratisering van sport, want nu konden ook gewone, niet-
aristocratische, burgers zich in een door de staat onderhouden gebouw aan sportbeoefening wijden.
Het sumposion, letterlijk het ‘drinkgelag’, dat meestal na de maaltijd werd aangeheven en
opgeluisterd met liederen, gedichten of verhalen, raadsels of grappen, en seksueel aantrekkelijk
personeel van beiderlei kunne, nogal eens in dronkenschap en frivoliteit kon eindigen of in ruzies en
bloedige veten, maar dat tegelijk een voedingsbodem was voor heel nieuwe genres van de Griekse
literatuur.
In de 7e eeuw kwam uit Voor-Azië de mode om niet langer te zitten maar om aan te liggen op een
rustbed dat aan het hoofdeinde een stukje opliep, om zo steunend op een elleboog de spijzen en
dranken te nuttigen.
De Archaïsche Tijd was de tijd waarin het alfabet zich in de Griekse wereld verbreidde en waarin de
Griekse cultuur tot op zekere hoogte ‘geletterd’ werd. Maar het gebruik van het schrift was nog zeer
beperkt. Boeken waren dus altijd zeer kostbaar en soms werden ze aan tempels in bewaring gegeven
of op staatskosten aangeschaft om daar bewaard te worden.
De Spartaanse staatsopvoeding omvatte ook voor de jongste kinderen lezen, schrijven en
vermoedelijk rekenen op zeer elementair niveau: dans, zang en muziek waren belangrijker!
Rond elke inwoner van een Griekse polis kan men een aantal concentrische cirkels trekken: de
verbanden waarbinnen het leven van die persoon zich afspeelt. Van buiten naar binnen
onderscheiden we:
o De polis zelf
o De politiek-religieuze indeling van de burgerij
, o De familie
o De oikos, het huishouden
De politai waren, en voelden zich, een gemeenschap: dat is de essentie van de polis, het collectief
van de burgers is de polis. Groepsgevoel impliceert een zelfbeeld, een zelfbeeld impliceert een
vreemdenbeeld. Van de eigen identiteit wordt men zich bewust door de eigen groep te contrasteren
met ‘de anderen’. Ook onder dreiging van buitenaf, met name van de kant van Perzië, groeide de
panhelleense gedachte: een steeds sterkere afgrenzing van de Griekse identiteit tegenover de als
barbaars bestempelde niet-Griekse wereld.
Binnen het Atheense polis-bestel waren de burgers verdeeld over fratriai en fulai. De fratria had in
de klassieke periode taken in religieuze sfeer, maar vooral bepaalde de fratria wie voor burgerrecht
in aanmerking kwam: de eerder genoemde registratie van zonen van burgers vond plaats bij de
fratria.
In Sparta en in sommige andere Dorische poleis bestonden sussitia of andreia: letterlijk
‘eetgenootschappen’ en ‘mannenhuizen’. Dit is een organisatievorm van een primitief karakter,
vermoedelijk teruggaand op de mannenbond van Indo-Europese volken: een groep mannen die met
elkaar leven en tezamen ten strijde trekken.
Private genootschappen en verenigingen waren er meerdere, met name religieuze genootschappen,
die voor cultushandelingen samenkwamen. Naast strikt religieuze groeperingen vormde men
beroeps- en ‘gezelligheidsverenigingen’, hoewel ook daar het religieuze aspect vrijwel altijd een
grote rol speelde. De beroepsverenigingen hadden echter, naast de organisatie van rituelen, feesten
en het bieden van onderlinge steun wel degelijk economische doelstellingen, en vervulden een
zekere ‘gildenfunctie’.
In het leven van de Griekse burger stond de Oikos (huishouden) centraal. Concreet omvat een oikos
een bepaalde hoeveelheid grond met alle roerende en onroerende goederen en alle levende wezens
die daar thuishoren; dus niet alleen het hoofd van het huishouden, de kurios, met zijn vrouw en
kinderen, maar ook eventueel andere inwonende verwanten en personeel. Het zal duidelijk zijn dat
niet-burgers (metoiken) geen werkelijk volwaardige oikos konden vormen, want het bezit van een
stukje Attische bodem is daar een voorwaarde voor.
Een formele scholing omvatte drie hoofdgebieden:
o Literaire vorming
o Muzische vorming. Deze behelsde het leren bespelen van instrumenten.
o Fysieke vorming. Men beoefende sporten onder leiding van trainers in palaistrai, privé-
instellingen, en gumnasia, gebouwen opgericht door de polis.
Na de primaire scholing tussen het zevende en veertiende levensjaar konden de zonen van de rijken
deelnemen aan ‘voortgezet en hoger onderwijs’. In een later stadium ontstond in Athene ook een
soort ‘universiteiten’ waar het voorgezet onderwijs werd geconcentreerd: bijvoorbeeld de Akademia
geleid door Plato.
Het ging hierboven over jongens. Meisje leerde natuurlijk vele vaardigheden van hun moeder en van
eventueel vrouwelijk huispersoneel, en ook de waarden en normen van de gemeenschap, in de
eerste plaats wat daarin van een vrouw werd verwacht.
Socialisatie betekent initiatie in de normen en waarden van de gemeenschap. Het kernbegrip hier is
themis, ook gepersonifieerd als de godin Themis, ‘de orde van het universum en van het leven’, dus
ook het geheel van grenzen gesteld aan het menselijk gedrag. Themis is dus van zowel goddelijke als
menselijke origine en kwam tot uitdrukking in zowel ongeschreven als geschreven wetten. In de
Griekse wereld werd bij voortduring een debat gevoerd over goed en kwaad, vooral over de vraag of
er een absoluut goed en kwaad was, altijd en overal geldig (een kwestie van fusis: natuur, natuurlijke
realiteit), of dat de beoordeling van wat goed en kwaad is, kon verschillen van situatie tot situatie
(een kwestie van nomos: wet, gewoonte, conventie, norm, gebruik).
,Er is beweerd dat ‘hellenisme’ als bewuste spreiding van de Griekse cultuur dient te worden opgevat.
Het is echter de vraag of er wel sprake was van spreiding in een andere dan louter geografische zin.
Weliswaar werden er voor de afgedankte huurlingen van Alexander en diens opvolgers Griekse poleis
gesticht, maar die poleis vormden slechts kleine eilandjes van Griekse cultuur in een zeer grote zee
van inheemse culturen. De bewoners van deze eilandjes hadden in hun superioriteitsgevoel weinig
behoefte hun Griekse stadscultuur te delen met de omringende ‘barbaren’, en van de andere kant
stond de inheemse bevolking niet te dringen om de cultuur van de veroveraars te omarmen.
Waar twee verschillende culturen elkaar ontmoeten, op welke wijze dan ook, treden altijd
acculturatieprocessen op: alle veranderingen die door het contact in gang worden gezet. Deze
situatie waarin Grieks en niet-Grieks elkaar onvermijdelijk beïnvloeden, maar waarin bewuste
assimilatie grotendeels vermeden wordt, bestaat een grote uitzondering: Rome. Hoewel Griekse
invloeden in Rome, met name die op het vlak van de religie, dateerden van ver voor de Romeinse
veroveringen in het Griekse oosten, waren het die veroveringen die het acculturatieproces in een
stroomversnelling deden belanden. De Romeinen waren de militaire overwinnaars, maar moesten op
cultureel vlak in de Grieken hun meerdere erkennen.
In de hellenistische samenleving was de polis de vanzelfsprekende leefomgeving voor de Grieken
waar dan ook gevestigd, net als in de klassieke tijd. De poleis maakten nu echter deel uit van grote
monarchieën en werden vervolgens grotendeels opgenomen in een enkel rijk van ongekende
afmetingen. De politieke zelfstandigheid was in ieder geval de facto verloren gegaan.
De poleis richtten zich in de loop van de eeuwen na Alexander meer en meer naar binnen: de politiek
werd allengs zuiver lokale politiek. Hiermee gepaard ging nog een ander verlies: het
gemeenschapsgevoel, de koinonia. Wat waren dan alternatieven voor de koinonia? Om te beginnen
kenden de poleis een veelheid van clubs, verenigingen en ‘gilden’. Het gumnasion, in elke polis
aanwezig, was belangrijk als het centrum van Griekendom: een school voor ten minste de zonen,
soms ook de dochters van de elite, tevens fungerend als cultureel ‘gemeenschapscentrum’. Maar van
meer gewicht voor het creëren van een gemeenschapsleven waren de vele private genootschappen.
Veel van deze clubs, zowel genootschappen ter verering van een bepaalde godheid als niet-expliciet
religieuze verbanden, hadden sociale doelstellingen, zoals de onderlinge begrafenisverzekering.
Euergetein is Grieks voor ‘weldoen’, namelijk weldoen aan de gemeenschap door middel van
voedseluitdelingen, het bekostigen van festiviteiten, het verstrekken van leningen aan de stad, de
financiering van openbare gebouwen en infrastructurele werken, of het verrichten van allerlei
diensten, zoals een gezantschap, zonder daar betaling voor te vragen.
De mechanismen van het weldoen in de hellenistische polis zijn vergelijkbaar met wat eerder over de
Atheense weldoeners, de liturgiasten, gezegd is. Men toont zijn rijkdom aan mederijken en aan
medeburgers. Alleen krijgen we nu te maken met elites die in hun steden aan de touwtjes trekken,
zonder de controle van beneden af, en die veel welgestelder zijn dan de gemiddelde liturgiast in het
klassieke Athene. De polis profiteerde nog altijd van de giften, maar deze werden nu gunsten in
plaats van burgerplicht. De gulle gever handelde niet langer in dienst van de polis, maar vooral van
zichzelf en zijn familie.
Het liturgiestelsel bloeide als nooit tevoren, en werd zelfs sterk utigebreid: zo waren bijvoorbeeld
bouwwerken in het klassieke Athene nog bekostigd uit de staatskas. Ambtsvervulling en weldoen
gingen meer en meer door elkaar lopen. In de hellenistische tijd gaan magistraten steeds vaker
weldoen uit hoofde van hun functie, totdat dat vanzelfsprekend en op een gegeven moment zelfs
vereist is. Met hun vrijgevigheid kocht de elite sociale onrust af. Het roerige stadsproletariaat eiste
‘brood en spelen’. Daaronder viel ook allerlei religieus spektakel: grootschalige feesten en andere
collectieve manifestaties waren aan de orde van de dag.
De noodzakelijkheid van het weldoen impliceert overigens niet dat de elite met tegenzin handelde.
Het mes sneed aan twee kanten: zij oogsten roem – direct als individu, en indirect door de faam van
hun woonplaats – en zijn verstevigden bij voortduring van hun eigen machtspositie door andere aan
zich te binden.
,Ook kleinere steden werden op kosten van hun rijken voorzien van een agora met stoa’s en
prestigieuze openbare gebouwen, brede straten met arcaden, fraaie heiligdommen, een
waterleiding, badhuizen, en een muur met poorten en torens, de trots van elke stad. Veel van de
nieuwgestichte steden werden aangeleged volgens het hippodamisch systeem: het schaakbord
patroon. Hoofdstraten werden duidelijk onderscheiden van smallere zijstraten en de agora werd een
puur representatieve ruimte in het hart van de stad, zodat aparte handelsmarkten moesten worden
ingericht.
In aansluiting op tendensen uit de hellenistische periode wonnen in de keizertijd maatschappelijke
organisaties met een apolitiek karakter sterk aan gewicht. Het ging hier om verenigingen van meer
particuliere aard, die met verschillende doeleinden konden zijn opgericht. De algemene term ervoor
is collegia. Een collegium kon bestaan uit leden van eenzelfde beroepsgroep, of het kon zijn
opgericht om een speciale cultus te onderhouden of om voor de leden uit de gemeenschappelijke
kas een passende begrafenis te bekostigen. Maar behalve het officiële doel was gezelligheid
praktisch altijd ook een oogmerk; daartoe dienden de bijeenkomsten met gemeenschappelijke
maaltijden. De senaat kon collegia ook verbieden als hij meende dat deze de openbare orde dreigden
te verstoren.
Scholen waren privé-instellingen voor kinderen van ouders die zich de betaling van het vermoedelijk
bescheiden schoolgeld konden veroorloven. De ‘basisschool’ voor leerlingen van ongeveer zeven tot
twaalf werd niet zelden gedreven door een vrijgelatene. Lezen, schrijven en een klein beetje rekenen
waren de vakken die er werden onderwezen.
Meisjes en jongens van de hoogste elite kregen meestal thuis onderwijs van huisleraren (niet zelden
geleerde slaven). In de Romeinse maatschappij bestond het ‘voorgezet onderwijs’ in feite alleen uit
het onderricht van de grammaticus, in de Griekse steden leefden daarentegen de oude tradities van
onderwijs in muziek en in gymnastiek nog voort. Daar was ook vanouds een zekere
overheidsbemoeienis met het onderwijs regel. Zo waren de gumnasia niet alleen plaatsen voor
lichamelijke oefening maar ook voor literair onderwijs, terwijl daar of in het theater ook
rondreizende literaten of retoren (beroepsredenaars) tegen vorstelijke honoraria pronkeredevoering
afstaken voor het ontwikkelde en snobistische deel van de stadsbevolking.
‘Hoger onderwijs’ ten slotte bestond er in georganiseerde vorm nauwelijks. In het Latijnse deel van
het rijk bleef het beperkt tot enkele plaatsen, zoals Rome en provinciale centra als Carthago.
‘Wetenschappelijk onderricht’ speelde zich meestal af in kleine groepjes van studenten die in het
huis van de geleerde, of vaker nog dat van diens patroon en weldoener, samenkwamen.
Naarmate het keizerlijke bestuur meer taken op zich nam en naarmate een steeds groter deel van de
vrije bevolking van het Romeinse Rijk door verkrijging van het Romeinse burgerrecht onder hetzelfde
rechtssysteem kwam te vallen, werd de rol van keizerlijke beambten in de rechtspraak en de verder
ontwikkeling van het recht steeds belangrijker. Voor Romeinse burgers was er in de laatste eeuw van
de Republiek een systeem van juryrechtbanken ontstaan. Processen voor zulke juryrechtbanken
golden als een voor Romeinen ‘normale’ of ‘gewone’ procedure; alle andere procesvormen heetten
‘ongewoon’. Tot die laatste behoorde allereerst de rechtspraak die een Romeinse magistraat
krachtens zijn ambtsbevoegdheid uitoefende: ongehinderd door een jury en nauwelijks gebonden
aan bepaalde regels voor de procesgang kon hij hier met grote vrijheid van handelen optreden. De
‘ongewone’, maar tamelijk snelle en effectieve wijze van rechtspraak werd in het hele rijk
gebruikelijk. Voor Romeinse burgers in de provincie bleef het ten minste tot in de 2e eeuw nog wel
mogelijk om daartegen beroep aan te tekenen bij de keizer (later werden beroepszaken vooral
afgehandeld door de praefectus praetorio). Voor de meeste strafzaken gold de regel dat de
benadeelde zelf, of een andere burger, een aanklacht moest indienen en persoonlijk de rechter van
de juistheid moest overtuigen: dit was het accusatoire proces. In de keizertijd komt aan andere
procesvorm op: het inquisitoire proces waarbij de magistraat-rechter zelf iniatieven neemt en dus als
, rechter en als openbare aanklager tegelijk optreedt. Hierbij moest de aanklager zijn onschuld
bewijzen.
De keizertijd was de grote tijd van allerlei voor het publiek georganiseerde vertoningen, wedstrijden
en schouwspelen. Het vermaak nam vele vormen aan, waarvan de meeste in de keizertijd al een
lange voorgeschiedenis kenden. Traditioneel waren de sportwedstrijden – atletiek, boksen,
worstelen – van het Griekse type, waarvan de Olympische Spelen nog altijd de beroemdste waren.
Het wagenrennen was dikwijls een onderdeel van zulke wedstrijden, maar werd vaak ook als
zelfstandig spektakel georganiseerd.
Grotendeels nieuw in de keizertijd waren de stenen amfitheaters die in vele steden en stadjes
werden gebouwd. Ze dienden in hoofdzaak voor de gevechten met dieren en voor de
gladiatorenspelen. De gladiatorengevechten waren eveneens in de late Republiek opgekomen en
verbreidden zich in de keizertijd over het hele rijk. De vechters waren oorspronkelijk slaven,
krijgsgevangenen of veroordeelde misdadigers, maar in de keizertijd was het verboden slaven zonder
meer als gladiator te laten optreden en kozen steeds meer vrijwilligers dit gevaarlijke beroep.
Naast deze bloedige shows in de amfitheaters kende de keizertijd nog altijd toneel- en andere
voorstellingen in het theater. Maar het klassieke drama verloor snel aan populariteit en werd in de
loop van de keizertijd praktisch geheel verdrongen door mime-uitvoeringen waarin muziek en dans
een grote rol speelden.
Inhoudsopgave
De oudheid (Naerebout) ......................................................................................................................... 2
Maatschappij en individu: ................................................................................................................... 2
Mannen en vrouwen: .......................................................................................................................... 7
Religie, filosofie en wetenschap: ....................................................................................................... 11
PowerPoints: ......................................................................................................................................... 17
Tempels in de oudheid: ..................................................................................................................... 17
Klassieke verhalen ............................................................................................................................. 20
Theater in Griekse oudheid ............................................................................................................... 23
Rites de passage ................................................................................................................................ 26
Helleense cultuur .............................................................................................................................. 28
Griekse en Romeinse voorstellingen over de dood .......................................................................... 30
Keizerlijke propaganda ...................................................................................................................... 32
,De oudheid (Naerebout)
Maatschappij en individu:
Het maatschappelijk leven in Griekenland was hoofdzakelijk een aangelegenheid van de man:
feestmalen en literaire seances waren, een enkele uitzondering daargelaten, een mannenzaak, zoals
het hele leven van clubs en allerlei vormen van vermaak een mannenzaak was.
Tussen verschillende culturen bestaan op dit gebied duidelijke parallellen. Er is een duidelijk een
onderscheid te zien tussen hoogontwikkelde staten van Azië en Egypte en de culturen in Europa.
In de eerstgenoemde is de jacht praktisch een voorrecht van alleen de koningen en de aristocratie,
en zijn raids en plundertochten van particulieren eveneens aan banden gelegd.
In de Europese culturen daarentegen lijken, zeker in het ‘primitieve’ westen, al deze vormen van
vermaak open te staan voor alle vrije mannen van de gemeenschap, dus voor allen die wapens
dragen.
In Sparta wordt het maatschappelijk leven immers vrijwel geheel gedragen door de sussitia: de clubs
van de Gelijken, die samen eten en samen in het leger dienen. De sportbeoefening is hier duidelijk
een onderdeel van de gemeenschappelijke opvoeding van de jeugd en dus een
staatsaangelegenheid. Maar elders in Griekenland zijn in de Archaïsche Tijd sport en
gemeenschappelijke maaltijden allereerst het domein van de aristocratie.
De sportwedstrijden in het archaïsche Griekenland hadden altijd een sacraal of heilig karakter. In een
ander opzicht fungeerden wedstrijden bijna als vervanging voor reële gevechten: de overwinnaars
werden door hun vaderstad geëerd alsof zij een oorlog hadden gewonnen. Het is ook niet toevallig
dat de groei van een zeker gemeenschappelijk Grieks gevoel in de Archaïsche Tijd samenvalt met de
opkomst van spelen bij bepaalde heiligdommen, die voor deelnemers uit de hele Griekse wereld
openstonden.
Het gumnasion was een plaats van lichamelijke oefening. Hier konden burgers die daarvoor thuis
geen gelegenheid hadden, zich met sporten en vooral met training bezighouden. In zekere zin
betekende dit een vorm van democratisering van sport, want nu konden ook gewone, niet-
aristocratische, burgers zich in een door de staat onderhouden gebouw aan sportbeoefening wijden.
Het sumposion, letterlijk het ‘drinkgelag’, dat meestal na de maaltijd werd aangeheven en
opgeluisterd met liederen, gedichten of verhalen, raadsels of grappen, en seksueel aantrekkelijk
personeel van beiderlei kunne, nogal eens in dronkenschap en frivoliteit kon eindigen of in ruzies en
bloedige veten, maar dat tegelijk een voedingsbodem was voor heel nieuwe genres van de Griekse
literatuur.
In de 7e eeuw kwam uit Voor-Azië de mode om niet langer te zitten maar om aan te liggen op een
rustbed dat aan het hoofdeinde een stukje opliep, om zo steunend op een elleboog de spijzen en
dranken te nuttigen.
De Archaïsche Tijd was de tijd waarin het alfabet zich in de Griekse wereld verbreidde en waarin de
Griekse cultuur tot op zekere hoogte ‘geletterd’ werd. Maar het gebruik van het schrift was nog zeer
beperkt. Boeken waren dus altijd zeer kostbaar en soms werden ze aan tempels in bewaring gegeven
of op staatskosten aangeschaft om daar bewaard te worden.
De Spartaanse staatsopvoeding omvatte ook voor de jongste kinderen lezen, schrijven en
vermoedelijk rekenen op zeer elementair niveau: dans, zang en muziek waren belangrijker!
Rond elke inwoner van een Griekse polis kan men een aantal concentrische cirkels trekken: de
verbanden waarbinnen het leven van die persoon zich afspeelt. Van buiten naar binnen
onderscheiden we:
o De polis zelf
o De politiek-religieuze indeling van de burgerij
, o De familie
o De oikos, het huishouden
De politai waren, en voelden zich, een gemeenschap: dat is de essentie van de polis, het collectief
van de burgers is de polis. Groepsgevoel impliceert een zelfbeeld, een zelfbeeld impliceert een
vreemdenbeeld. Van de eigen identiteit wordt men zich bewust door de eigen groep te contrasteren
met ‘de anderen’. Ook onder dreiging van buitenaf, met name van de kant van Perzië, groeide de
panhelleense gedachte: een steeds sterkere afgrenzing van de Griekse identiteit tegenover de als
barbaars bestempelde niet-Griekse wereld.
Binnen het Atheense polis-bestel waren de burgers verdeeld over fratriai en fulai. De fratria had in
de klassieke periode taken in religieuze sfeer, maar vooral bepaalde de fratria wie voor burgerrecht
in aanmerking kwam: de eerder genoemde registratie van zonen van burgers vond plaats bij de
fratria.
In Sparta en in sommige andere Dorische poleis bestonden sussitia of andreia: letterlijk
‘eetgenootschappen’ en ‘mannenhuizen’. Dit is een organisatievorm van een primitief karakter,
vermoedelijk teruggaand op de mannenbond van Indo-Europese volken: een groep mannen die met
elkaar leven en tezamen ten strijde trekken.
Private genootschappen en verenigingen waren er meerdere, met name religieuze genootschappen,
die voor cultushandelingen samenkwamen. Naast strikt religieuze groeperingen vormde men
beroeps- en ‘gezelligheidsverenigingen’, hoewel ook daar het religieuze aspect vrijwel altijd een
grote rol speelde. De beroepsverenigingen hadden echter, naast de organisatie van rituelen, feesten
en het bieden van onderlinge steun wel degelijk economische doelstellingen, en vervulden een
zekere ‘gildenfunctie’.
In het leven van de Griekse burger stond de Oikos (huishouden) centraal. Concreet omvat een oikos
een bepaalde hoeveelheid grond met alle roerende en onroerende goederen en alle levende wezens
die daar thuishoren; dus niet alleen het hoofd van het huishouden, de kurios, met zijn vrouw en
kinderen, maar ook eventueel andere inwonende verwanten en personeel. Het zal duidelijk zijn dat
niet-burgers (metoiken) geen werkelijk volwaardige oikos konden vormen, want het bezit van een
stukje Attische bodem is daar een voorwaarde voor.
Een formele scholing omvatte drie hoofdgebieden:
o Literaire vorming
o Muzische vorming. Deze behelsde het leren bespelen van instrumenten.
o Fysieke vorming. Men beoefende sporten onder leiding van trainers in palaistrai, privé-
instellingen, en gumnasia, gebouwen opgericht door de polis.
Na de primaire scholing tussen het zevende en veertiende levensjaar konden de zonen van de rijken
deelnemen aan ‘voortgezet en hoger onderwijs’. In een later stadium ontstond in Athene ook een
soort ‘universiteiten’ waar het voorgezet onderwijs werd geconcentreerd: bijvoorbeeld de Akademia
geleid door Plato.
Het ging hierboven over jongens. Meisje leerde natuurlijk vele vaardigheden van hun moeder en van
eventueel vrouwelijk huispersoneel, en ook de waarden en normen van de gemeenschap, in de
eerste plaats wat daarin van een vrouw werd verwacht.
Socialisatie betekent initiatie in de normen en waarden van de gemeenschap. Het kernbegrip hier is
themis, ook gepersonifieerd als de godin Themis, ‘de orde van het universum en van het leven’, dus
ook het geheel van grenzen gesteld aan het menselijk gedrag. Themis is dus van zowel goddelijke als
menselijke origine en kwam tot uitdrukking in zowel ongeschreven als geschreven wetten. In de
Griekse wereld werd bij voortduring een debat gevoerd over goed en kwaad, vooral over de vraag of
er een absoluut goed en kwaad was, altijd en overal geldig (een kwestie van fusis: natuur, natuurlijke
realiteit), of dat de beoordeling van wat goed en kwaad is, kon verschillen van situatie tot situatie
(een kwestie van nomos: wet, gewoonte, conventie, norm, gebruik).
,Er is beweerd dat ‘hellenisme’ als bewuste spreiding van de Griekse cultuur dient te worden opgevat.
Het is echter de vraag of er wel sprake was van spreiding in een andere dan louter geografische zin.
Weliswaar werden er voor de afgedankte huurlingen van Alexander en diens opvolgers Griekse poleis
gesticht, maar die poleis vormden slechts kleine eilandjes van Griekse cultuur in een zeer grote zee
van inheemse culturen. De bewoners van deze eilandjes hadden in hun superioriteitsgevoel weinig
behoefte hun Griekse stadscultuur te delen met de omringende ‘barbaren’, en van de andere kant
stond de inheemse bevolking niet te dringen om de cultuur van de veroveraars te omarmen.
Waar twee verschillende culturen elkaar ontmoeten, op welke wijze dan ook, treden altijd
acculturatieprocessen op: alle veranderingen die door het contact in gang worden gezet. Deze
situatie waarin Grieks en niet-Grieks elkaar onvermijdelijk beïnvloeden, maar waarin bewuste
assimilatie grotendeels vermeden wordt, bestaat een grote uitzondering: Rome. Hoewel Griekse
invloeden in Rome, met name die op het vlak van de religie, dateerden van ver voor de Romeinse
veroveringen in het Griekse oosten, waren het die veroveringen die het acculturatieproces in een
stroomversnelling deden belanden. De Romeinen waren de militaire overwinnaars, maar moesten op
cultureel vlak in de Grieken hun meerdere erkennen.
In de hellenistische samenleving was de polis de vanzelfsprekende leefomgeving voor de Grieken
waar dan ook gevestigd, net als in de klassieke tijd. De poleis maakten nu echter deel uit van grote
monarchieën en werden vervolgens grotendeels opgenomen in een enkel rijk van ongekende
afmetingen. De politieke zelfstandigheid was in ieder geval de facto verloren gegaan.
De poleis richtten zich in de loop van de eeuwen na Alexander meer en meer naar binnen: de politiek
werd allengs zuiver lokale politiek. Hiermee gepaard ging nog een ander verlies: het
gemeenschapsgevoel, de koinonia. Wat waren dan alternatieven voor de koinonia? Om te beginnen
kenden de poleis een veelheid van clubs, verenigingen en ‘gilden’. Het gumnasion, in elke polis
aanwezig, was belangrijk als het centrum van Griekendom: een school voor ten minste de zonen,
soms ook de dochters van de elite, tevens fungerend als cultureel ‘gemeenschapscentrum’. Maar van
meer gewicht voor het creëren van een gemeenschapsleven waren de vele private genootschappen.
Veel van deze clubs, zowel genootschappen ter verering van een bepaalde godheid als niet-expliciet
religieuze verbanden, hadden sociale doelstellingen, zoals de onderlinge begrafenisverzekering.
Euergetein is Grieks voor ‘weldoen’, namelijk weldoen aan de gemeenschap door middel van
voedseluitdelingen, het bekostigen van festiviteiten, het verstrekken van leningen aan de stad, de
financiering van openbare gebouwen en infrastructurele werken, of het verrichten van allerlei
diensten, zoals een gezantschap, zonder daar betaling voor te vragen.
De mechanismen van het weldoen in de hellenistische polis zijn vergelijkbaar met wat eerder over de
Atheense weldoeners, de liturgiasten, gezegd is. Men toont zijn rijkdom aan mederijken en aan
medeburgers. Alleen krijgen we nu te maken met elites die in hun steden aan de touwtjes trekken,
zonder de controle van beneden af, en die veel welgestelder zijn dan de gemiddelde liturgiast in het
klassieke Athene. De polis profiteerde nog altijd van de giften, maar deze werden nu gunsten in
plaats van burgerplicht. De gulle gever handelde niet langer in dienst van de polis, maar vooral van
zichzelf en zijn familie.
Het liturgiestelsel bloeide als nooit tevoren, en werd zelfs sterk utigebreid: zo waren bijvoorbeeld
bouwwerken in het klassieke Athene nog bekostigd uit de staatskas. Ambtsvervulling en weldoen
gingen meer en meer door elkaar lopen. In de hellenistische tijd gaan magistraten steeds vaker
weldoen uit hoofde van hun functie, totdat dat vanzelfsprekend en op een gegeven moment zelfs
vereist is. Met hun vrijgevigheid kocht de elite sociale onrust af. Het roerige stadsproletariaat eiste
‘brood en spelen’. Daaronder viel ook allerlei religieus spektakel: grootschalige feesten en andere
collectieve manifestaties waren aan de orde van de dag.
De noodzakelijkheid van het weldoen impliceert overigens niet dat de elite met tegenzin handelde.
Het mes sneed aan twee kanten: zij oogsten roem – direct als individu, en indirect door de faam van
hun woonplaats – en zijn verstevigden bij voortduring van hun eigen machtspositie door andere aan
zich te binden.
,Ook kleinere steden werden op kosten van hun rijken voorzien van een agora met stoa’s en
prestigieuze openbare gebouwen, brede straten met arcaden, fraaie heiligdommen, een
waterleiding, badhuizen, en een muur met poorten en torens, de trots van elke stad. Veel van de
nieuwgestichte steden werden aangeleged volgens het hippodamisch systeem: het schaakbord
patroon. Hoofdstraten werden duidelijk onderscheiden van smallere zijstraten en de agora werd een
puur representatieve ruimte in het hart van de stad, zodat aparte handelsmarkten moesten worden
ingericht.
In aansluiting op tendensen uit de hellenistische periode wonnen in de keizertijd maatschappelijke
organisaties met een apolitiek karakter sterk aan gewicht. Het ging hier om verenigingen van meer
particuliere aard, die met verschillende doeleinden konden zijn opgericht. De algemene term ervoor
is collegia. Een collegium kon bestaan uit leden van eenzelfde beroepsgroep, of het kon zijn
opgericht om een speciale cultus te onderhouden of om voor de leden uit de gemeenschappelijke
kas een passende begrafenis te bekostigen. Maar behalve het officiële doel was gezelligheid
praktisch altijd ook een oogmerk; daartoe dienden de bijeenkomsten met gemeenschappelijke
maaltijden. De senaat kon collegia ook verbieden als hij meende dat deze de openbare orde dreigden
te verstoren.
Scholen waren privé-instellingen voor kinderen van ouders die zich de betaling van het vermoedelijk
bescheiden schoolgeld konden veroorloven. De ‘basisschool’ voor leerlingen van ongeveer zeven tot
twaalf werd niet zelden gedreven door een vrijgelatene. Lezen, schrijven en een klein beetje rekenen
waren de vakken die er werden onderwezen.
Meisjes en jongens van de hoogste elite kregen meestal thuis onderwijs van huisleraren (niet zelden
geleerde slaven). In de Romeinse maatschappij bestond het ‘voorgezet onderwijs’ in feite alleen uit
het onderricht van de grammaticus, in de Griekse steden leefden daarentegen de oude tradities van
onderwijs in muziek en in gymnastiek nog voort. Daar was ook vanouds een zekere
overheidsbemoeienis met het onderwijs regel. Zo waren de gumnasia niet alleen plaatsen voor
lichamelijke oefening maar ook voor literair onderwijs, terwijl daar of in het theater ook
rondreizende literaten of retoren (beroepsredenaars) tegen vorstelijke honoraria pronkeredevoering
afstaken voor het ontwikkelde en snobistische deel van de stadsbevolking.
‘Hoger onderwijs’ ten slotte bestond er in georganiseerde vorm nauwelijks. In het Latijnse deel van
het rijk bleef het beperkt tot enkele plaatsen, zoals Rome en provinciale centra als Carthago.
‘Wetenschappelijk onderricht’ speelde zich meestal af in kleine groepjes van studenten die in het
huis van de geleerde, of vaker nog dat van diens patroon en weldoener, samenkwamen.
Naarmate het keizerlijke bestuur meer taken op zich nam en naarmate een steeds groter deel van de
vrije bevolking van het Romeinse Rijk door verkrijging van het Romeinse burgerrecht onder hetzelfde
rechtssysteem kwam te vallen, werd de rol van keizerlijke beambten in de rechtspraak en de verder
ontwikkeling van het recht steeds belangrijker. Voor Romeinse burgers was er in de laatste eeuw van
de Republiek een systeem van juryrechtbanken ontstaan. Processen voor zulke juryrechtbanken
golden als een voor Romeinen ‘normale’ of ‘gewone’ procedure; alle andere procesvormen heetten
‘ongewoon’. Tot die laatste behoorde allereerst de rechtspraak die een Romeinse magistraat
krachtens zijn ambtsbevoegdheid uitoefende: ongehinderd door een jury en nauwelijks gebonden
aan bepaalde regels voor de procesgang kon hij hier met grote vrijheid van handelen optreden. De
‘ongewone’, maar tamelijk snelle en effectieve wijze van rechtspraak werd in het hele rijk
gebruikelijk. Voor Romeinse burgers in de provincie bleef het ten minste tot in de 2e eeuw nog wel
mogelijk om daartegen beroep aan te tekenen bij de keizer (later werden beroepszaken vooral
afgehandeld door de praefectus praetorio). Voor de meeste strafzaken gold de regel dat de
benadeelde zelf, of een andere burger, een aanklacht moest indienen en persoonlijk de rechter van
de juistheid moest overtuigen: dit was het accusatoire proces. In de keizertijd komt aan andere
procesvorm op: het inquisitoire proces waarbij de magistraat-rechter zelf iniatieven neemt en dus als
, rechter en als openbare aanklager tegelijk optreedt. Hierbij moest de aanklager zijn onschuld
bewijzen.
De keizertijd was de grote tijd van allerlei voor het publiek georganiseerde vertoningen, wedstrijden
en schouwspelen. Het vermaak nam vele vormen aan, waarvan de meeste in de keizertijd al een
lange voorgeschiedenis kenden. Traditioneel waren de sportwedstrijden – atletiek, boksen,
worstelen – van het Griekse type, waarvan de Olympische Spelen nog altijd de beroemdste waren.
Het wagenrennen was dikwijls een onderdeel van zulke wedstrijden, maar werd vaak ook als
zelfstandig spektakel georganiseerd.
Grotendeels nieuw in de keizertijd waren de stenen amfitheaters die in vele steden en stadjes
werden gebouwd. Ze dienden in hoofdzaak voor de gevechten met dieren en voor de
gladiatorenspelen. De gladiatorengevechten waren eveneens in de late Republiek opgekomen en
verbreidden zich in de keizertijd over het hele rijk. De vechters waren oorspronkelijk slaven,
krijgsgevangenen of veroordeelde misdadigers, maar in de keizertijd was het verboden slaven zonder
meer als gladiator te laten optreden en kozen steeds meer vrijwilligers dit gevaarlijke beroep.
Naast deze bloedige shows in de amfitheaters kende de keizertijd nog altijd toneel- en andere
voorstellingen in het theater. Maar het klassieke drama verloor snel aan populariteit en werd in de
loop van de keizertijd praktisch geheel verdrongen door mime-uitvoeringen waarin muziek en dans
een grote rol speelden.