BOK: leren en ontwikkelen samenvatting
Week 1: Visie op ontwikkeling en perspectieven
De student kan de aard van de veranderingen tijdens de ontwikkeling
onderscheiden en kan deze herkennen in een korte casus.
Onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen is te verdelen in vier centrale thema’s:
Fysieke ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van
het lichaam, zoals hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen en de behoefte aan
eten, drinken en slaap.
Cognitieve ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele
vermogens, zoals denken, leren, geheugen en probleemoplossing.
Sociaal-emotionele ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op sociale
relaties, interacties met anderen en op het omgaan met emoties.
Persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter) eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
De student kan de verschillende perspectieven op ontwikkeling
onderscheiden.
,De student kent het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner en kan dit
herkennen in een korte casus.
Bio-ecologisch model: model dat uitgaat van vijf omgevingsniveaus die elk
organisme gelijktijdig kan beïnvloeden.
Psycholoog Urie Bronfenbrenner was de grondlegger van het bio-ecologisch model.
De student begrijpt wat de relatieve invloed van nature en nurture op de
ontwikkeling is.
Nature: nadruk op het ontdekken van erfelijke eigenschappen en vermogens.
Bepaalt welke mogelijkheden je hebt en tot wie je zou ontwikkelen.
Nurture: nadruk op invloed van de omgeving op iemands ontwikkeling. Je
omgevingsfactoren bepalen welk DNA je activeert en ontwikkelt.
, Week 2: Leren en het geheugen
De student weet wat de drie functies van het geheugen zijn en kan deze
herkennen in een korte casus.
Coderen: de eerste elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met het
omzetten van informatie in een vorm die het beste in het geheugensysteem past.
Opslaan: de tweede elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met
langdurig bewaren van gecodeerd materiaal.
Terughalen: de derde elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met
het lokaliseren en weer in het bewustzijn terugbrengen van informatie uit het
geheugen.
De student heeft kennis van de drie stadia van geheugen en de kenmerken van
de verschillende stadia (functie, wijze van codering, opslagcapaciteit, de duur,
structuur en biologische basis).
Week 1: Visie op ontwikkeling en perspectieven
De student kan de aard van de veranderingen tijdens de ontwikkeling
onderscheiden en kan deze herkennen in een korte casus.
Onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen is te verdelen in vier centrale thema’s:
Fysieke ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van
het lichaam, zoals hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen en de behoefte aan
eten, drinken en slaap.
Cognitieve ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele
vermogens, zoals denken, leren, geheugen en probleemoplossing.
Sociaal-emotionele ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op sociale
relaties, interacties met anderen en op het omgaan met emoties.
Persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter) eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
De student kan de verschillende perspectieven op ontwikkeling
onderscheiden.
,De student kent het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner en kan dit
herkennen in een korte casus.
Bio-ecologisch model: model dat uitgaat van vijf omgevingsniveaus die elk
organisme gelijktijdig kan beïnvloeden.
Psycholoog Urie Bronfenbrenner was de grondlegger van het bio-ecologisch model.
De student begrijpt wat de relatieve invloed van nature en nurture op de
ontwikkeling is.
Nature: nadruk op het ontdekken van erfelijke eigenschappen en vermogens.
Bepaalt welke mogelijkheden je hebt en tot wie je zou ontwikkelen.
Nurture: nadruk op invloed van de omgeving op iemands ontwikkeling. Je
omgevingsfactoren bepalen welk DNA je activeert en ontwikkelt.
, Week 2: Leren en het geheugen
De student weet wat de drie functies van het geheugen zijn en kan deze
herkennen in een korte casus.
Coderen: de eerste elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met het
omzetten van informatie in een vorm die het beste in het geheugensysteem past.
Opslaan: de tweede elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met
langdurig bewaren van gecodeerd materiaal.
Terughalen: de derde elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met
het lokaliseren en weer in het bewustzijn terugbrengen van informatie uit het
geheugen.
De student heeft kennis van de drie stadia van geheugen en de kenmerken van
de verschillende stadia (functie, wijze van codering, opslagcapaciteit, de duur,
structuur en biologische basis).