, Biologie paragraaf 2:
- Het klimaat is een combinatie van abiotische factoren zoals; licht wind en water.
Macroklimaat: grote gebieden op aarde waarbinnen (vrijwel) hetzelfde klimaat
heerst.
- In een gebied met hetzelfde macroklimaat kunnen de abiotische factoren op verschillende
plaatsen wel verschillen. Elk plekje van een ecosysteem heeft daardoor zijn eigen
microklimaat.
Bodemgesteldheid
- Zand heeft grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water en kan water niet goed
vasthouden.
- Klei heeft kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water en kan water goed
vasthouden. (Geschikte bodem voor planten, houd water en zouten vast.)
- Humus verbetert de structuur van de bodem en gaat uitspoeling van mineralen naar
diepere bodemlagen tegen.
- Andere factoren die de bodemgesteldheid bepalen: o.a. de PH, grondwaterstand, gehalte
aan mineralen.
Licht
- Zonplanten groeien het best bij een hoge lichtintensiteit (bijv. in het open veld),
-Schaduwplanten groeien het best bij een lage lichtintensiteit (bijv. op de bodem van een
loofbos)
-De daglengte heeft bij veel organismen invloed op het tijdstip van voortplanting (bijv. de
bloemvorming bij planten en de paring en eileg bij dieren.)
- In zeeën en oceanen dringt alleen licht door in de bovenste lagen.
Water
- Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met
een dunne cuticula en veel huidmondjes.
-Landplanten in een droog milieu hebben goed ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met een
dikke cuticula en weinig huidmondjes (speciaal aan de onderkant van de bladeren.
Temperatuur
- De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur
- Bij een te lage temperatuur kunnen poikilotherme (wisselende lichaamstemperatuur)
dieren niet actief zijn.
- homoioherme dieren (constante lichaamstemperatuur) kunnen temperaturen onder 0
verdragen.
Tolerantie= het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische
factor te verdragen.
Verspreidingsgebied (areaal)= het gebied op aarde waar organismen van een
bepaalde soort voorkomen.
-soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied.
Een optimum kromme voor een abiotische factor geeft weer;
-de tolerantiegrenzen (het minimum en het maximum);
- het tolerantiegebied (het traject tussen minimum en maximum);
- het optimum (de gunstige waarde)
- Het klimaat is een combinatie van abiotische factoren zoals; licht wind en water.
Macroklimaat: grote gebieden op aarde waarbinnen (vrijwel) hetzelfde klimaat
heerst.
- In een gebied met hetzelfde macroklimaat kunnen de abiotische factoren op verschillende
plaatsen wel verschillen. Elk plekje van een ecosysteem heeft daardoor zijn eigen
microklimaat.
Bodemgesteldheid
- Zand heeft grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water en kan water niet goed
vasthouden.
- Klei heeft kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water en kan water goed
vasthouden. (Geschikte bodem voor planten, houd water en zouten vast.)
- Humus verbetert de structuur van de bodem en gaat uitspoeling van mineralen naar
diepere bodemlagen tegen.
- Andere factoren die de bodemgesteldheid bepalen: o.a. de PH, grondwaterstand, gehalte
aan mineralen.
Licht
- Zonplanten groeien het best bij een hoge lichtintensiteit (bijv. in het open veld),
-Schaduwplanten groeien het best bij een lage lichtintensiteit (bijv. op de bodem van een
loofbos)
-De daglengte heeft bij veel organismen invloed op het tijdstip van voortplanting (bijv. de
bloemvorming bij planten en de paring en eileg bij dieren.)
- In zeeën en oceanen dringt alleen licht door in de bovenste lagen.
Water
- Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met
een dunne cuticula en veel huidmondjes.
-Landplanten in een droog milieu hebben goed ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met een
dikke cuticula en weinig huidmondjes (speciaal aan de onderkant van de bladeren.
Temperatuur
- De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur
- Bij een te lage temperatuur kunnen poikilotherme (wisselende lichaamstemperatuur)
dieren niet actief zijn.
- homoioherme dieren (constante lichaamstemperatuur) kunnen temperaturen onder 0
verdragen.
Tolerantie= het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische
factor te verdragen.
Verspreidingsgebied (areaal)= het gebied op aarde waar organismen van een
bepaalde soort voorkomen.
-soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied.
Een optimum kromme voor een abiotische factor geeft weer;
-de tolerantiegrenzen (het minimum en het maximum);
- het tolerantiegebied (het traject tussen minimum en maximum);
- het optimum (de gunstige waarde)