Onderzoek & Diagnostiek, T2
ONDERZOEK & DIAGNOSTIEK 6: TOP EN TOES 14 NOV 2017
Spel in relatie tot ICF:
Spel & occupation:
Occupational performance: Betekenisvolle doelgerichte handelingen gerelateerd aan persoonlijke leven &
context gebonden.
1. Occupation spelen met vriendinnen in de zandbak in de pauze op school
2. Activiteit zandtaartjes bakken
3. Taak zand in de emmer scheppen
4. Actie palmairgreep tijdens vasthouden schep
5. Functie kracht, ROM MCP’s, sensibiliteit
Occupation:
Families: belangrijk om dingen amen te doen routines & rituelen. Nachtkus, uit school, verjaardag, ontbijt,
voorlezen, etc.
Geven de mogelijkheid tot ontwikkeling van:
- Structuur en stabiliteit
- Ontwikkelen van identiteit (individu of systeem (gezin/werk))
- Bevorderen van welbevinden en geven van betekenis aan het leven
Definitie spel:
Definitie van spel:
Interactie tussen het kind en omgeving, intrinsieke motivatie, zelfcontrole, niet gebonden aan realiteit (imitatie en
fantasie is belangrijk, oefenen met rollen e.d.), “flow”, subjectieve beleving van het kind (Bundy, 1987).
Occupation based ET:
Wat wil, kan en moet het kind doen. Relatie tussen beleving van het kind en de omgeving waarin het spellen
plaatsvindt. Spel als doel en niet als middel.
Basiskenmerken spel:
- Intrinsieke motivatie kind, kind bepaalt
- Kind bepaalt wat als spel wordt ervaren, unieke beleving
- Meestal speelgoed en andere voorwerpen
- In beleving komen, fantasie
- Spel: stijl of houding waarin situaties flexibel worden benaderd
1
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Vormen van spel:
- Spelend manipuleren en combineren
- Functioneel spel je doet waar het materiaal voor gemaakt is
- Symbolisch spel banaan als telefoon (3/4 jaar)
- Constructiespel en fantasiespel alles wat betreft bouw + gescript spel (vader/moedertje) (3-6 jaar)
- Spel met regels 6/7 jaar
- Sociaal spel gedurende de hele ontwikkeling
Spelontwikkeling:
- 0-2 jaar sensomotorisch spel
- 2-4 jaar fijn motorisch en imitatiespel/fantasie
- 4-6 jaar knutselen, complex fantasiespel, beginnend spel met regels
- 7-12 jaar spel met regels en sport
Huidige perspectieven op spel:
1. Spel vanuit een ontwikkelingsperspectief
middel om andere functies te trainen (mot, cogn, com.)
2. Spel als type activiteiten
categorieën/types bv. imitatie-, constructie-, exploratief
3. Spel in termen van karakteristieken
eigenschappen waarin spel verschilt van andere gedragingen; intrinsieke motivatie, plezier, alles
omvattend en als doel op zich.
4. Spel als attitude of stijl
“Playfulness”, houding of stijl, intern karakter beïnvloedt hoe kind tegen activiteiten aan kijkt
PEO-model:
P: person (persoon/kind)
Uniek persoon participerend in de maatschappij door de jaren heen, verschillende rollen vervullend.
E: environment (omgeving)
Omgeving bestaande uit culturele, sociale, fysieke en organisatorische aspecten die van invloed zijn op ervaringen
van het kind.
O: occupation (handelen)
Geheel van zelfgestuurde taken en activiteiten waarmee een persoon zich bezighoudt gedurende zijn leven.
Dingen die je je kunt afvragen:
Spelen met kinderen met een beperking:
- Maar wat nou als een kind wel wil spelen maar niet kan zitten
- Of zijn handen niet goed kan gebruiken
- Of niet kan zien
2
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Spel; ontdekken en plezier:
- Kijken, voelen, proeven en ruiken
- Sensomotorische, cognitieve, sociaal-emotionele ervaringen
- Plezier met hele familie
- Integratie in dagelijkse routine
- Toename van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid
- Belangrijk voor de ontwikkeling van, gezondheid en welbevinden
Geschikte materialen:
- Kies hanteerbare voorwerpen
- Zachte blokken
- Pittenzakjes
- Biedt de mogelijkheid om te exploreren
- Materialen aan een baby-gym
- Simpele huishoudelijke materialen, meedoen in huishoudelijke taken
- Klittenband
- Anti-slip
- Tafel met hogere zij-rand
- Speeltjes op zuignappen
Aangepast spelmateriaal:
Aanpassingen gericht op het vergemakkelijken of verdikken van greep
Therapeut:
- Stimuleren van samenspel met leeftijdsgenoten
- Betrekken van familieleden in spel
- Keuze voor materiaal en omgeving
- Aanpassen van spelmateriaal
- Inschatting niveau en spelkwaliteiten van een kind
- Creëren van “flow” – juiste verhouding tussen uitdaging in spel en de vaardigeden van het kind
Spel assessments:
TOP & TOES (observatie participatie)
Test of Playfulness en Test Of Environmental Supportiveness
(Bundy, 2006)
Observatiemethode d.m.v. video van het kind, binnen en buiten bekende omgeving.
PVQ (observatie, motivatie)
Pediatric Volitional Questionnaire
(R. Geist & G. Kielhofner, 2002)
Met de MOHO gericht op het wil-systeem van het kind. Waar zit de interne motivatie van het kind?
Assessment of ludic behaviours (observatie activiteiten)
Ferland (1997
Observeren spelactiviteiten.
PPS (observatie activiteiten)
Preschool Play Scale
(N. Bledsoe & J Sheperd, 1982)
Play history (interview participatie)
(N. Takata, 1974)
Interview met ouders over wat voorn spelactiviteiten worden ondernomen.
3
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Assessment en analyse:
Participatie
- Probleemervaring middels COPM
- Observatie spel in de spelomgevingen van SAM (voorschool, thuis, speeltuin) middels ToP en TOES
Activiteiten
- Beoordeling van functie van de assisterende hand tijdens spelactiviteiten middels AHA
- Evaluatie zelfzorg middels PEDI en gestandaardiseerde observatie
- Observatie en actviteitenanalyse
Functie
- ROM, kracht en sensibiliteit middels E-Link (handgrepen meten), EMG
ToP – Test of Playfulness:
De ToP legt de spelkarakteristieken vast van een kind, spelend in zijn eigen omgeving, karakteristieken
vanuit 4 domeinen:
- Interne controle
- Intrinsieke motivatie
- Mogelijkheid om realiteit los te laten/ in beleving te komen
- “Framing”
- ToP heeft een ordinale schaal
- Scoring: duur, intensiteit en vaardigheid
- Het instrument heeft een acceptabele betrouwbaarheid en validiteit
Voorbeelden:
- Is the child actively engaged?
- Does the child demonstrate obvious exuberance, manifest joy?
- Is the child able to give readily understandable cues?
- Does the child respond to other’s cues?
TOES – Test Of Environmental Support:
Inventarisatie van de invloed van de omgeving op de “speelse karakter” van het kind.
- Verzorgers/speelmaatjes
- Materialen en objecten / speelomgeving
- Sensorische omgeving
ToP en TOES:
Intrinsic motivation: persist, process, affect
Internal control: decides, safety, modifies, interacts with objects, transitions
Observationeel instrument waarmee je spelkarakteristieken vastlegt in twee natuurlijke speelomgevingen v/h
kind.
Vastleggen van invloed van de omgeving op de spelparticipatie.
Voor kinderen van 1/2-18 jaar, met verschillende diagnosen
Framing: gives understandable cues, responds to others’ cues, ability to stay engaged in single of
multiple playtheme
Rol als (ergo)therapeut:
- Community based
- Family centered
- Spel niet alleen als middel om iets anders te bereiken maar als doel op zich om het zelfvertrouwen te
vergroten
4
ONDERZOEK & DIAGNOSTIEK 6: TOP EN TOES 14 NOV 2017
Spel in relatie tot ICF:
Spel & occupation:
Occupational performance: Betekenisvolle doelgerichte handelingen gerelateerd aan persoonlijke leven &
context gebonden.
1. Occupation spelen met vriendinnen in de zandbak in de pauze op school
2. Activiteit zandtaartjes bakken
3. Taak zand in de emmer scheppen
4. Actie palmairgreep tijdens vasthouden schep
5. Functie kracht, ROM MCP’s, sensibiliteit
Occupation:
Families: belangrijk om dingen amen te doen routines & rituelen. Nachtkus, uit school, verjaardag, ontbijt,
voorlezen, etc.
Geven de mogelijkheid tot ontwikkeling van:
- Structuur en stabiliteit
- Ontwikkelen van identiteit (individu of systeem (gezin/werk))
- Bevorderen van welbevinden en geven van betekenis aan het leven
Definitie spel:
Definitie van spel:
Interactie tussen het kind en omgeving, intrinsieke motivatie, zelfcontrole, niet gebonden aan realiteit (imitatie en
fantasie is belangrijk, oefenen met rollen e.d.), “flow”, subjectieve beleving van het kind (Bundy, 1987).
Occupation based ET:
Wat wil, kan en moet het kind doen. Relatie tussen beleving van het kind en de omgeving waarin het spellen
plaatsvindt. Spel als doel en niet als middel.
Basiskenmerken spel:
- Intrinsieke motivatie kind, kind bepaalt
- Kind bepaalt wat als spel wordt ervaren, unieke beleving
- Meestal speelgoed en andere voorwerpen
- In beleving komen, fantasie
- Spel: stijl of houding waarin situaties flexibel worden benaderd
1
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Vormen van spel:
- Spelend manipuleren en combineren
- Functioneel spel je doet waar het materiaal voor gemaakt is
- Symbolisch spel banaan als telefoon (3/4 jaar)
- Constructiespel en fantasiespel alles wat betreft bouw + gescript spel (vader/moedertje) (3-6 jaar)
- Spel met regels 6/7 jaar
- Sociaal spel gedurende de hele ontwikkeling
Spelontwikkeling:
- 0-2 jaar sensomotorisch spel
- 2-4 jaar fijn motorisch en imitatiespel/fantasie
- 4-6 jaar knutselen, complex fantasiespel, beginnend spel met regels
- 7-12 jaar spel met regels en sport
Huidige perspectieven op spel:
1. Spel vanuit een ontwikkelingsperspectief
middel om andere functies te trainen (mot, cogn, com.)
2. Spel als type activiteiten
categorieën/types bv. imitatie-, constructie-, exploratief
3. Spel in termen van karakteristieken
eigenschappen waarin spel verschilt van andere gedragingen; intrinsieke motivatie, plezier, alles
omvattend en als doel op zich.
4. Spel als attitude of stijl
“Playfulness”, houding of stijl, intern karakter beïnvloedt hoe kind tegen activiteiten aan kijkt
PEO-model:
P: person (persoon/kind)
Uniek persoon participerend in de maatschappij door de jaren heen, verschillende rollen vervullend.
E: environment (omgeving)
Omgeving bestaande uit culturele, sociale, fysieke en organisatorische aspecten die van invloed zijn op ervaringen
van het kind.
O: occupation (handelen)
Geheel van zelfgestuurde taken en activiteiten waarmee een persoon zich bezighoudt gedurende zijn leven.
Dingen die je je kunt afvragen:
Spelen met kinderen met een beperking:
- Maar wat nou als een kind wel wil spelen maar niet kan zitten
- Of zijn handen niet goed kan gebruiken
- Of niet kan zien
2
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Spel; ontdekken en plezier:
- Kijken, voelen, proeven en ruiken
- Sensomotorische, cognitieve, sociaal-emotionele ervaringen
- Plezier met hele familie
- Integratie in dagelijkse routine
- Toename van zelfvertrouwen en onafhankelijkheid
- Belangrijk voor de ontwikkeling van, gezondheid en welbevinden
Geschikte materialen:
- Kies hanteerbare voorwerpen
- Zachte blokken
- Pittenzakjes
- Biedt de mogelijkheid om te exploreren
- Materialen aan een baby-gym
- Simpele huishoudelijke materialen, meedoen in huishoudelijke taken
- Klittenband
- Anti-slip
- Tafel met hogere zij-rand
- Speeltjes op zuignappen
Aangepast spelmateriaal:
Aanpassingen gericht op het vergemakkelijken of verdikken van greep
Therapeut:
- Stimuleren van samenspel met leeftijdsgenoten
- Betrekken van familieleden in spel
- Keuze voor materiaal en omgeving
- Aanpassen van spelmateriaal
- Inschatting niveau en spelkwaliteiten van een kind
- Creëren van “flow” – juiste verhouding tussen uitdaging in spel en de vaardigeden van het kind
Spel assessments:
TOP & TOES (observatie participatie)
Test of Playfulness en Test Of Environmental Supportiveness
(Bundy, 2006)
Observatiemethode d.m.v. video van het kind, binnen en buiten bekende omgeving.
PVQ (observatie, motivatie)
Pediatric Volitional Questionnaire
(R. Geist & G. Kielhofner, 2002)
Met de MOHO gericht op het wil-systeem van het kind. Waar zit de interne motivatie van het kind?
Assessment of ludic behaviours (observatie activiteiten)
Ferland (1997
Observeren spelactiviteiten.
PPS (observatie activiteiten)
Preschool Play Scale
(N. Bledsoe & J Sheperd, 1982)
Play history (interview participatie)
(N. Takata, 1974)
Interview met ouders over wat voorn spelactiviteiten worden ondernomen.
3
, Onderzoek & Diagnostiek, T2
Assessment en analyse:
Participatie
- Probleemervaring middels COPM
- Observatie spel in de spelomgevingen van SAM (voorschool, thuis, speeltuin) middels ToP en TOES
Activiteiten
- Beoordeling van functie van de assisterende hand tijdens spelactiviteiten middels AHA
- Evaluatie zelfzorg middels PEDI en gestandaardiseerde observatie
- Observatie en actviteitenanalyse
Functie
- ROM, kracht en sensibiliteit middels E-Link (handgrepen meten), EMG
ToP – Test of Playfulness:
De ToP legt de spelkarakteristieken vast van een kind, spelend in zijn eigen omgeving, karakteristieken
vanuit 4 domeinen:
- Interne controle
- Intrinsieke motivatie
- Mogelijkheid om realiteit los te laten/ in beleving te komen
- “Framing”
- ToP heeft een ordinale schaal
- Scoring: duur, intensiteit en vaardigheid
- Het instrument heeft een acceptabele betrouwbaarheid en validiteit
Voorbeelden:
- Is the child actively engaged?
- Does the child demonstrate obvious exuberance, manifest joy?
- Is the child able to give readily understandable cues?
- Does the child respond to other’s cues?
TOES – Test Of Environmental Support:
Inventarisatie van de invloed van de omgeving op de “speelse karakter” van het kind.
- Verzorgers/speelmaatjes
- Materialen en objecten / speelomgeving
- Sensorische omgeving
ToP en TOES:
Intrinsic motivation: persist, process, affect
Internal control: decides, safety, modifies, interacts with objects, transitions
Observationeel instrument waarmee je spelkarakteristieken vastlegt in twee natuurlijke speelomgevingen v/h
kind.
Vastleggen van invloed van de omgeving op de spelparticipatie.
Voor kinderen van 1/2-18 jaar, met verschillende diagnosen
Framing: gives understandable cues, responds to others’ cues, ability to stay engaged in single of
multiple playtheme
Rol als (ergo)therapeut:
- Community based
- Family centered
- Spel niet alleen als middel om iets anders te bereiken maar als doel op zich om het zelfvertrouwen te
vergroten
4