a. Dishmann en Caloff stellen dat CI kan bijdragen aan de competitieve positie van een
onderneming. Dit is een kenmerkend voor de neo-functionalist discourse. Hier wordt namelijk
ook gesteld dat kennis een uiteindelijk doel heeft, bijvoorbeeld het optimaal alloceren van
resources en/of een verbeterde concurrentiepositie verkrijgen, met behulp van opgedane
kennis. Dit is exact hetzelfde als Dishmann and Caloff stellen: CI (kennis vanuit de
omgeving) kan helpen de competitieve positie te verbeteren.
Daarnaast ziet de neo-functionalist discourse kennis ook als een entiteit die onafhankelijk van
mens of cultuur als het ware kan worden waargenomen en verzameld. Het denken van
Dishmann en Callof sluit hierop aan, aangezien zij stellen dat er kennis in de omgeving is van
concurrentie, klanten, leveranciers, etc. die gewoon is waar te nemen, althans, er wordt niks in
het artikel besproken wat dat mogelijk kan verhinderen. Dus waarschijnlijk stellen Dishmann
en Callof: CI kennis is gewoon waar te nemen, los van mens, cultuur of artefact en te
begrijpen zonder kennis daarvan. Ook dit is een typische neo-functionalist opvatting.
Al met al, kan dus gesteld worden dat Dishmann en Callof waarschijnlijk aanhangers zijn van
de neo-functionalist discourse.
b. Het CI proces is in een vijftal stappen op te delen: planning en focus, collectie van data,
analyse van data en komen tot resultaten, communicatie, en als laatste besluitvorming. Het
delen van kennis is hierin het meest van belang in de communicatiefase. In de fase moeten de
resultaten, dus eigenlijk de kennis die is verzameld met behulp van het CI proces, worden
gedeeld, ook wel gecommuniceerd, met de rest van de organisatie.
Dus, aangezien in de communicatie fase de kennis die is gewonnen in het gehele CI proces, in
de organisatie moet worden gedeeld, speelt kennisdeling (knowledge sharing) hier dus een
belangrijke rol in. Degene die namelijk die resultaten van het proces heeft, moet verstand
hebben van processen met betrekking tot kennisdeling, wil deze persoon deze resultaten met
de rest van de organisatie kunnen delen en iedereen op de hoogte stellen welke kennis met het
CI proces is verzameld.
c. Voor het ontwikkelen haar cradle-to-cradle strategie zijn voor Desso een aantal
kennisdomeinen van belang. Dit zijn als het ware overkoepelende termen waar kennis van aan
elkaar gerelateerde onderwerpen onder kan scharen.
Het eerste kennisdomein dat hierbij van belang is, is het kennisdomein duurzaamheid.
Uiteindelijk wil Desso met haar cradle-to-cradle strategie meer duurzamer worden dan
, concurrenten, om een dergelijke strategie uit te kunnen voeren, is kennis over duurzaamheid
essentieel.
Naast cradle-to-cradle wordt ook aangegeven dat Desso wil focussen op innovatie (paragraaf
focusing on innovation). Dit gaat bijvoorbeeld over het aanpassen/verbeteren van producten
en deze ‘herdesignen’. Dit maakt duidelijk dat een tweede kennisdomein innovatie betreft.
In dezelfde paragraaf (focusing on innovation) wordt, na het opmaken van de inventaris met
betrekking tot duurzaamheid en innovatie, ook duidelijk dat Desso problemen heeft met
communicatie. Dit betreft zowel interne communicatie als communicatie naar de
buitenwereld. Voor het implementeren van cradle-to-cradle is dit niet van heel groot belang,
maar voor het vernieuwen van een strategie in zijn algemeen, is adequate communicatie,
zowel intern als extern, essentieel voor het slagen van een dergelijk project.
Een derde kennisdomein dat voor Desso essentieel is, is dus het kennisdomein communicatie.
Ten vierde, is voor het ontwikkelen van een organisatie die compleet cradle-to-cradle is of wil
worden, ook essentieel om haar technologie hierop aan te passen. Met andere woorden, Desso
moet haar techniek (machines, productiesystemen, productieprocessen, etc.) vervangen of
aanpassen, wil de organisatie en haar producten aan het cradle-to-cradle certificaat voldoen.
Om dit goed uit te kunnen voeren en te begrijpen is dus ook kennis in het domein van
technologie/ milieuvriendelijke technologie van groot belang.
Verder wordt in de casus aangegeven dat Desso zowel de medewerkers, het bestuur als andere
stake – en shareholders moet overtuigen van het feit dat cradle-to-cradle de juiste richting is
om te bewandelen. Al deze mensen, medewerkers, bestuursleden, leveranciers, etc. moeten
allemaal overtuigd worden van cradle-to-cradle en moeten dan, zoals de leveranciers, hun
processen aanpassen. Het is dus duidelijk dat een ander belangrijk kennisdomein stakeholders
betreft. Worden deze namelijk niet overtuigd, dan gaat het hele cradle-to-cradle gebeuren niet
door.
Vervolgens, een kennisdomein dat niet van heel groot belang is, maar niet compleet irrelevant.
Dit is het kennisdomein met betrekking tot grondstoffen/chemicaliën die vereist zijn voor de
productie van tapijten.
In de casus wordt expliciet genoemd dat bepaalde grondstoffen en chemicaliën die voorheen
werden gebruikt, niet milieuvriendelijk zijn en dus vervangen moeten worden, wil aan het
cradle-to-cradle certificaat worden voldaan. Maar om deze stoffen te vervangen, is wel kennis
nodig om een geschikt en ongeveer gelijk substituut te vinden dat min of meer gelijk is aan de
oude stof, die niet milieuvriendelijk was. Om dit te kunnen doen, en dus het cradle-to-cradle
certificaat te mogen ontvangen, is kennis vereis met betrekking tot dit kennisdomein.
onderneming. Dit is een kenmerkend voor de neo-functionalist discourse. Hier wordt namelijk
ook gesteld dat kennis een uiteindelijk doel heeft, bijvoorbeeld het optimaal alloceren van
resources en/of een verbeterde concurrentiepositie verkrijgen, met behulp van opgedane
kennis. Dit is exact hetzelfde als Dishmann and Caloff stellen: CI (kennis vanuit de
omgeving) kan helpen de competitieve positie te verbeteren.
Daarnaast ziet de neo-functionalist discourse kennis ook als een entiteit die onafhankelijk van
mens of cultuur als het ware kan worden waargenomen en verzameld. Het denken van
Dishmann en Callof sluit hierop aan, aangezien zij stellen dat er kennis in de omgeving is van
concurrentie, klanten, leveranciers, etc. die gewoon is waar te nemen, althans, er wordt niks in
het artikel besproken wat dat mogelijk kan verhinderen. Dus waarschijnlijk stellen Dishmann
en Callof: CI kennis is gewoon waar te nemen, los van mens, cultuur of artefact en te
begrijpen zonder kennis daarvan. Ook dit is een typische neo-functionalist opvatting.
Al met al, kan dus gesteld worden dat Dishmann en Callof waarschijnlijk aanhangers zijn van
de neo-functionalist discourse.
b. Het CI proces is in een vijftal stappen op te delen: planning en focus, collectie van data,
analyse van data en komen tot resultaten, communicatie, en als laatste besluitvorming. Het
delen van kennis is hierin het meest van belang in de communicatiefase. In de fase moeten de
resultaten, dus eigenlijk de kennis die is verzameld met behulp van het CI proces, worden
gedeeld, ook wel gecommuniceerd, met de rest van de organisatie.
Dus, aangezien in de communicatie fase de kennis die is gewonnen in het gehele CI proces, in
de organisatie moet worden gedeeld, speelt kennisdeling (knowledge sharing) hier dus een
belangrijke rol in. Degene die namelijk die resultaten van het proces heeft, moet verstand
hebben van processen met betrekking tot kennisdeling, wil deze persoon deze resultaten met
de rest van de organisatie kunnen delen en iedereen op de hoogte stellen welke kennis met het
CI proces is verzameld.
c. Voor het ontwikkelen haar cradle-to-cradle strategie zijn voor Desso een aantal
kennisdomeinen van belang. Dit zijn als het ware overkoepelende termen waar kennis van aan
elkaar gerelateerde onderwerpen onder kan scharen.
Het eerste kennisdomein dat hierbij van belang is, is het kennisdomein duurzaamheid.
Uiteindelijk wil Desso met haar cradle-to-cradle strategie meer duurzamer worden dan
, concurrenten, om een dergelijke strategie uit te kunnen voeren, is kennis over duurzaamheid
essentieel.
Naast cradle-to-cradle wordt ook aangegeven dat Desso wil focussen op innovatie (paragraaf
focusing on innovation). Dit gaat bijvoorbeeld over het aanpassen/verbeteren van producten
en deze ‘herdesignen’. Dit maakt duidelijk dat een tweede kennisdomein innovatie betreft.
In dezelfde paragraaf (focusing on innovation) wordt, na het opmaken van de inventaris met
betrekking tot duurzaamheid en innovatie, ook duidelijk dat Desso problemen heeft met
communicatie. Dit betreft zowel interne communicatie als communicatie naar de
buitenwereld. Voor het implementeren van cradle-to-cradle is dit niet van heel groot belang,
maar voor het vernieuwen van een strategie in zijn algemeen, is adequate communicatie,
zowel intern als extern, essentieel voor het slagen van een dergelijk project.
Een derde kennisdomein dat voor Desso essentieel is, is dus het kennisdomein communicatie.
Ten vierde, is voor het ontwikkelen van een organisatie die compleet cradle-to-cradle is of wil
worden, ook essentieel om haar technologie hierop aan te passen. Met andere woorden, Desso
moet haar techniek (machines, productiesystemen, productieprocessen, etc.) vervangen of
aanpassen, wil de organisatie en haar producten aan het cradle-to-cradle certificaat voldoen.
Om dit goed uit te kunnen voeren en te begrijpen is dus ook kennis in het domein van
technologie/ milieuvriendelijke technologie van groot belang.
Verder wordt in de casus aangegeven dat Desso zowel de medewerkers, het bestuur als andere
stake – en shareholders moet overtuigen van het feit dat cradle-to-cradle de juiste richting is
om te bewandelen. Al deze mensen, medewerkers, bestuursleden, leveranciers, etc. moeten
allemaal overtuigd worden van cradle-to-cradle en moeten dan, zoals de leveranciers, hun
processen aanpassen. Het is dus duidelijk dat een ander belangrijk kennisdomein stakeholders
betreft. Worden deze namelijk niet overtuigd, dan gaat het hele cradle-to-cradle gebeuren niet
door.
Vervolgens, een kennisdomein dat niet van heel groot belang is, maar niet compleet irrelevant.
Dit is het kennisdomein met betrekking tot grondstoffen/chemicaliën die vereist zijn voor de
productie van tapijten.
In de casus wordt expliciet genoemd dat bepaalde grondstoffen en chemicaliën die voorheen
werden gebruikt, niet milieuvriendelijk zijn en dus vervangen moeten worden, wil aan het
cradle-to-cradle certificaat worden voldaan. Maar om deze stoffen te vervangen, is wel kennis
nodig om een geschikt en ongeveer gelijk substituut te vinden dat min of meer gelijk is aan de
oude stof, die niet milieuvriendelijk was. Om dit te kunnen doen, en dus het cradle-to-cradle
certificaat te mogen ontvangen, is kennis vereis met betrekking tot dit kennisdomein.