recursie: een zin steeds langer maken door telkens hetzelfde type zinsdeel te herhalen
in plaats van een woordgroep kunnen we ook een hele (bij)zin nemen
8.2 De functie van bijzinnen
bijzin / ingebedde zin: zin in een zin
hoofdzin: zin die niet ingebed is
typen bijzinnen:
1. complementszin: heeft de functie van een argument
2. adverbiale zin: heeft de functie van een adjunct
3. predikaatszin: heeft de functie van een predikaat ( naamwoordelijk deel van het
gezegde)
4. relatieve zin: modificeerder van een nominaal hoofd
8.3 De vorm van bijzinnen
finiet: het ww is vervoegd
niet-finiet: het ww is niet vervoegd
1. infinitiefconstructies: niet-finiete bijzinnen met een ww die niet vervoegd zijn.
2. nominalisatie: lijkt op infinitiefconstructie maar het ww gedraagt zich als een nomen
3. participiumconstructies: hebben een attributieve rol en vallen uieen in adjectievische
en adverbiale constructies
8.4 Interactie tussen hoofd-en bijzin
voor beknopte zinnen
equi-delitie: een onderwerp wordt weggelaten maar is terug te vinden in de hoofdzin
De docent vertelt zijn studenten [dat hij slecht geslapen heeft]
raising: het onderwerp van de bijzin wordt het onderwerp van de hoofdzin
Het bleek [dat de man ziek was]
Consecutio temporum: de tijd van de hoofdzin en bijzin overeenstemmen
Hij vertelde [dat zij wegging]
gecoördineerde zinnen: als er sprake is van 2 zinnen maar geen van de zinnen vormt een
zinsdeel in het andere
coördinatie: de verbinding zelf
coördinator: voegwoorden die verbinden
8.4 De vorm van gecoördineerde zinnen
samentrekking: het weglaten van overeenkomende zinsdelen in gecoördineerde constructies
Fatima kocht een fiets en karel een auto
in plaats van een woordgroep kunnen we ook een hele (bij)zin nemen
8.2 De functie van bijzinnen
bijzin / ingebedde zin: zin in een zin
hoofdzin: zin die niet ingebed is
typen bijzinnen:
1. complementszin: heeft de functie van een argument
2. adverbiale zin: heeft de functie van een adjunct
3. predikaatszin: heeft de functie van een predikaat ( naamwoordelijk deel van het
gezegde)
4. relatieve zin: modificeerder van een nominaal hoofd
8.3 De vorm van bijzinnen
finiet: het ww is vervoegd
niet-finiet: het ww is niet vervoegd
1. infinitiefconstructies: niet-finiete bijzinnen met een ww die niet vervoegd zijn.
2. nominalisatie: lijkt op infinitiefconstructie maar het ww gedraagt zich als een nomen
3. participiumconstructies: hebben een attributieve rol en vallen uieen in adjectievische
en adverbiale constructies
8.4 Interactie tussen hoofd-en bijzin
voor beknopte zinnen
equi-delitie: een onderwerp wordt weggelaten maar is terug te vinden in de hoofdzin
De docent vertelt zijn studenten [dat hij slecht geslapen heeft]
raising: het onderwerp van de bijzin wordt het onderwerp van de hoofdzin
Het bleek [dat de man ziek was]
Consecutio temporum: de tijd van de hoofdzin en bijzin overeenstemmen
Hij vertelde [dat zij wegging]
gecoördineerde zinnen: als er sprake is van 2 zinnen maar geen van de zinnen vormt een
zinsdeel in het andere
coördinatie: de verbinding zelf
coördinator: voegwoorden die verbinden
8.4 De vorm van gecoördineerde zinnen
samentrekking: het weglaten van overeenkomende zinsdelen in gecoördineerde constructies
Fatima kocht een fiets en karel een auto