Deel 1: Hoe werken kinder- en jeugdboeken?
Hoofdstuk 1: Functies van kinder- en jeugdboeken
1.1 De ontspannende functie
Behoefte om zich te ontspannen. Belangrijkste leesmotivatie bij kinderen en jongeren. Humor in
boeken door personages/situaties of speelse taal, maar ook eigen spanningen en agressie ontladen.
Soms ook spanning oproepen in ontspannende boeken door confronteren met onbeantwoorde
vragen.
1.2 De creatieve functie
Behoefte zich dingen te kunnen verbeelden en te fantaseren. Lezer ertoe aanzetten creatief met de
wereld en de taal om te gaan. Persoonlijke voorstelling maken van personages en gebeurtenissen.
Fantasieverhalen: originaliteit, verassende en onverwachte.
1.3 De emotieve functie
Boeken kunnen gevoelens aanspreken en oproepen; vreugde, verdriet, woede of angst. Behoefte aan
emotionele welbevinden. Spreken van identificatie als lezer de rol van een personage overneemt.
Vermogen mee te leven met anderen.
1.4 De informatieve functie
Behoefte aan kennis, aan de nieuwsgierigheid van jonge lezers. Wijzer maken en bijdragen aan hun
ontwikkeling. Leren over de wereld om hen heen, maar ook over zichzelf. Peuterboekjes, fictie, taal.
1.5 De zingevende functie
Behoefte aan zingeving en moreel houvast. Personages bouwen hun leven zinvol uit. Vragen
oproepen, stof tot discussie bieden en doen nadenken over wat echt belangrijk is in het leven.
Normen en waarden.
1.6 De esthetische functie
Behoefte aan schoonheid, aan het genieten van het mooie op zichzelf. Aandacht op de woorden of
de illustraties zelf. Geen woord te veel of te weinig en elk woord staat op de juiste plaats.
Hoofdstuk 2: Van volwassen auteur tot jonge lezer
Opgroeien met boeken
Babyfase (0-1 jaar)
Knisper en kraakboekjes. Harde kaft. Voelelementen. Onderwerpen: in bad en naar bed gaan,
aankleden, eten, speelgoed en dieren. Helpen bij habituatieproces.
Hoofdstuk 1: Functies van kinder- en jeugdboeken
1.1 De ontspannende functie
Behoefte om zich te ontspannen. Belangrijkste leesmotivatie bij kinderen en jongeren. Humor in
boeken door personages/situaties of speelse taal, maar ook eigen spanningen en agressie ontladen.
Soms ook spanning oproepen in ontspannende boeken door confronteren met onbeantwoorde
vragen.
1.2 De creatieve functie
Behoefte zich dingen te kunnen verbeelden en te fantaseren. Lezer ertoe aanzetten creatief met de
wereld en de taal om te gaan. Persoonlijke voorstelling maken van personages en gebeurtenissen.
Fantasieverhalen: originaliteit, verassende en onverwachte.
1.3 De emotieve functie
Boeken kunnen gevoelens aanspreken en oproepen; vreugde, verdriet, woede of angst. Behoefte aan
emotionele welbevinden. Spreken van identificatie als lezer de rol van een personage overneemt.
Vermogen mee te leven met anderen.
1.4 De informatieve functie
Behoefte aan kennis, aan de nieuwsgierigheid van jonge lezers. Wijzer maken en bijdragen aan hun
ontwikkeling. Leren over de wereld om hen heen, maar ook over zichzelf. Peuterboekjes, fictie, taal.
1.5 De zingevende functie
Behoefte aan zingeving en moreel houvast. Personages bouwen hun leven zinvol uit. Vragen
oproepen, stof tot discussie bieden en doen nadenken over wat echt belangrijk is in het leven.
Normen en waarden.
1.6 De esthetische functie
Behoefte aan schoonheid, aan het genieten van het mooie op zichzelf. Aandacht op de woorden of
de illustraties zelf. Geen woord te veel of te weinig en elk woord staat op de juiste plaats.
Hoofdstuk 2: Van volwassen auteur tot jonge lezer
Opgroeien met boeken
Babyfase (0-1 jaar)
Knisper en kraakboekjes. Harde kaft. Voelelementen. Onderwerpen: in bad en naar bed gaan,
aankleden, eten, speelgoed en dieren. Helpen bij habituatieproces.