ARRESTEN IPR 2015-2016
Jurgens/Van Heesch
Een rechtshandeling is formeels (qua vorm) geldig als deze kwalificeert aan de vormvoorschriften van de lex
causae (recht dat de overeenkomst inhoudelijke beheerst), dan wel aan de vormvoorschriften van de lex loci actus
(recht land waar schenking/ovk wordt verricht)
HR Triumph Europe
Haagse Rechtsvorderingsverdrag: exequatur van buitenlandse proceskostenveroordelingen; expeditie van ten
uitvoer te leggen vonnis; overgangsrecht; openbare orde; vertaling; proceskosten; art. 6:123 BW; proceskosten
exequaturprocedure.
In art. 19 lid 2 onder 1 Verdrag ligt besloten dat degene die een exequatur verzoekt een expeditie dient over te
leggen van de uitspraak waarop een exequatur wordt gevraagd. Bij gebreke van regels van overgangsrecht moet
worden aangenomen dat art. 18 en 19 Verdrag toepassing kunnen vinden op alle proceskostenveroordelingen
uitgesproken nà de dag waarop het Verdrag voor de betrokken verdragsstaten in werking is getreden. Hoewel het
Verdrag daarin zelf niet voorziet, kan in een verdragsstaat geen exequatur worden verleend indien de
veroordelingen zouden blijken te zijn totstandgekomen met evidente veronachtzaming van rechtsbeginselen die in
die verdragsstaat als fundamenteel worden beschouwd. Exequatur op proceskostenveroordeling slechts mogelijk
voor veroordelingen uitgesproken tegen de eiser of de tussenkomende partij. Aan vertaling te stellen eisen. Kosten
van het geding in de zin van art. 19 lid 1 Verdrag. Begrip ‘kosteloos’ in art. 18 lid 1 Verdrag.
HR Bredius
Collectie Brediusmuseum Den Haag. Verzoek o.g.v. Museumwet tot wijziging aan legaat verbonden last.
Internationaal privaatrecht: toepasselijkheid deze wet op buitenlands legaat.
Dat op de nalatenschap van de erflater in beginsel het erfrecht van Monaco van toepassing is, verhindert niet op
het onderwerpelijke legaat deMuseumwet van toepassing te oordelen. Bij het mogelijk maken van een wijziging
van het beding in het legaat is het Nederlands openbaar belang onmiddellijk en nauw betrokken. HR willigt het
verzoek tot wijziging van de last in.
HvJ Ingmar
Richtlijn 86/653 EEG. Agentuurovereenkomst tussen agent die zijn werkzaamheden in een lidstaat verricht en in
derde land gevestigde principaal. Rechtskeuze.
De artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 van de Raad van 18 december 1976 inzake de coördinatie van de
wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, die de handelsagent bepaalde rechten verlenen
na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, moeten worden toegepast wanneer de handelsagent zijn
activiteiten in een lidstaat verricht, terwijl de principaal in een derde land is gevestigd en de overeenkomst volgens
een daarin opgenomen clausule door het recht van dat land wordt beheerst.
HvJ Garcia Avello
Niet beschikbaar; zie hc
Het Hof had zich beziggehouden met de betekenis van de fundamentele vrijheden en het algemene verbod van
discriminatie in gevallen van dubbele nationaliteit
HR Art. 40 Statuut
Arubaanse zaak. Verzoek ex art. 1:26 BWA betreffende in Nederland opgemaakte huwelijksakte m.b.t. personen
van hetzelfde geslacht; strekking art. 1:26 BWA. Interregionaal privaatrecht; art. 40 Statuut; strekking.
Art. 40 van het Statuut voor het Koninkrijk geeft een voor alle delen van het Koninkrijk geldende regel van
interregionaal privaatrecht t.a.v. onder meer de vraag of en, zo ja, in hoeverre rechtskracht toekomt aan een binnen
het Koninkrijk opgemaakte authentieke akte. Het artikel brengt naar zijn strekking mee dat de rechtskracht van
authentieke akten die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn verleden, in alle delen van het Koninkrijk
gelijk is. Dit geldt niet alleen t.a.v. de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging en de bewijskracht, maar ook t.a.v. de
vatbaarheid voor inschrijving of vermelding van dergelijke akten en van de daarin neergelegde constateringen en
rechtsfeiten in de openbare registers, behoudens uitzonderingen bij de wet. Een dergelijke uitzondering bevat art.
1:26 BWA niet. Dit betekent dat de rechter dient uit te gaan van de rechtskracht van de akte zonder dat daarbij
plaats is voor voorafgaande erkenning en zich dient te onthouden van de aan een erkenning voorafgaande, in het
internationaal privaatrecht gebruikelijke toetsing, zoals een conflictenrechtelijke toets en toetsing aan de openbare
orde. Hieraan kan niet afdoen dat het huwelijk tussen personen van gelijk geslacht in de cultuur van Aruba en van
de landen in de regio als strijdig met de goede zeden wordt verworpen.
Aan toewijzing van het verzoek tot de in art. 1:26 BWA bedoelde verklaring voor recht staat niet in de weg dat in
het onderhavige geval de Nederlandse huwelijksakte van verweersters, bij gebreke van een daartoe strekkende
regeling in het BWA, niet kan worden ingeschreven in de Arubaanse register van huwelijken, aangezien, zoals uit
de bepaling van art. 1:26 BWA zelf blijkt, die opneming geen noodzakelijke voorwaarde is voor de rechtskracht van
de verklaring voor recht.
Jurgens/Van Heesch
Een rechtshandeling is formeels (qua vorm) geldig als deze kwalificeert aan de vormvoorschriften van de lex
causae (recht dat de overeenkomst inhoudelijke beheerst), dan wel aan de vormvoorschriften van de lex loci actus
(recht land waar schenking/ovk wordt verricht)
HR Triumph Europe
Haagse Rechtsvorderingsverdrag: exequatur van buitenlandse proceskostenveroordelingen; expeditie van ten
uitvoer te leggen vonnis; overgangsrecht; openbare orde; vertaling; proceskosten; art. 6:123 BW; proceskosten
exequaturprocedure.
In art. 19 lid 2 onder 1 Verdrag ligt besloten dat degene die een exequatur verzoekt een expeditie dient over te
leggen van de uitspraak waarop een exequatur wordt gevraagd. Bij gebreke van regels van overgangsrecht moet
worden aangenomen dat art. 18 en 19 Verdrag toepassing kunnen vinden op alle proceskostenveroordelingen
uitgesproken nà de dag waarop het Verdrag voor de betrokken verdragsstaten in werking is getreden. Hoewel het
Verdrag daarin zelf niet voorziet, kan in een verdragsstaat geen exequatur worden verleend indien de
veroordelingen zouden blijken te zijn totstandgekomen met evidente veronachtzaming van rechtsbeginselen die in
die verdragsstaat als fundamenteel worden beschouwd. Exequatur op proceskostenveroordeling slechts mogelijk
voor veroordelingen uitgesproken tegen de eiser of de tussenkomende partij. Aan vertaling te stellen eisen. Kosten
van het geding in de zin van art. 19 lid 1 Verdrag. Begrip ‘kosteloos’ in art. 18 lid 1 Verdrag.
HR Bredius
Collectie Brediusmuseum Den Haag. Verzoek o.g.v. Museumwet tot wijziging aan legaat verbonden last.
Internationaal privaatrecht: toepasselijkheid deze wet op buitenlands legaat.
Dat op de nalatenschap van de erflater in beginsel het erfrecht van Monaco van toepassing is, verhindert niet op
het onderwerpelijke legaat deMuseumwet van toepassing te oordelen. Bij het mogelijk maken van een wijziging
van het beding in het legaat is het Nederlands openbaar belang onmiddellijk en nauw betrokken. HR willigt het
verzoek tot wijziging van de last in.
HvJ Ingmar
Richtlijn 86/653 EEG. Agentuurovereenkomst tussen agent die zijn werkzaamheden in een lidstaat verricht en in
derde land gevestigde principaal. Rechtskeuze.
De artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 van de Raad van 18 december 1976 inzake de coördinatie van de
wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, die de handelsagent bepaalde rechten verlenen
na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, moeten worden toegepast wanneer de handelsagent zijn
activiteiten in een lidstaat verricht, terwijl de principaal in een derde land is gevestigd en de overeenkomst volgens
een daarin opgenomen clausule door het recht van dat land wordt beheerst.
HvJ Garcia Avello
Niet beschikbaar; zie hc
Het Hof had zich beziggehouden met de betekenis van de fundamentele vrijheden en het algemene verbod van
discriminatie in gevallen van dubbele nationaliteit
HR Art. 40 Statuut
Arubaanse zaak. Verzoek ex art. 1:26 BWA betreffende in Nederland opgemaakte huwelijksakte m.b.t. personen
van hetzelfde geslacht; strekking art. 1:26 BWA. Interregionaal privaatrecht; art. 40 Statuut; strekking.
Art. 40 van het Statuut voor het Koninkrijk geeft een voor alle delen van het Koninkrijk geldende regel van
interregionaal privaatrecht t.a.v. onder meer de vraag of en, zo ja, in hoeverre rechtskracht toekomt aan een binnen
het Koninkrijk opgemaakte authentieke akte. Het artikel brengt naar zijn strekking mee dat de rechtskracht van
authentieke akten die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn verleden, in alle delen van het Koninkrijk
gelijk is. Dit geldt niet alleen t.a.v. de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging en de bewijskracht, maar ook t.a.v. de
vatbaarheid voor inschrijving of vermelding van dergelijke akten en van de daarin neergelegde constateringen en
rechtsfeiten in de openbare registers, behoudens uitzonderingen bij de wet. Een dergelijke uitzondering bevat art.
1:26 BWA niet. Dit betekent dat de rechter dient uit te gaan van de rechtskracht van de akte zonder dat daarbij
plaats is voor voorafgaande erkenning en zich dient te onthouden van de aan een erkenning voorafgaande, in het
internationaal privaatrecht gebruikelijke toetsing, zoals een conflictenrechtelijke toets en toetsing aan de openbare
orde. Hieraan kan niet afdoen dat het huwelijk tussen personen van gelijk geslacht in de cultuur van Aruba en van
de landen in de regio als strijdig met de goede zeden wordt verworpen.
Aan toewijzing van het verzoek tot de in art. 1:26 BWA bedoelde verklaring voor recht staat niet in de weg dat in
het onderhavige geval de Nederlandse huwelijksakte van verweersters, bij gebreke van een daartoe strekkende
regeling in het BWA, niet kan worden ingeschreven in de Arubaanse register van huwelijken, aangezien, zoals uit
de bepaling van art. 1:26 BWA zelf blijkt, die opneming geen noodzakelijke voorwaarde is voor de rechtskracht van
de verklaring voor recht.