23.10.2015 Les 4 Socialezekerheidsrecht Prof. dr. F. Louckx
Socialezekerheidsrecht
Hoofdstuk 8: Pensioenverzekeringen
Historische ontwikkeling
Pensioenen vinden hun oorsprong in een initiatief dat is gekomen van publieke overheden naar
hun specifieke categorieën van ambtenaren: Rijksambtenaren. Zij werken in het belang van de
staat, maar de wedde die ze kregen in verhouding met hun verantwoordelijkheden was bescheiden
en het idee ontstond dat de staat ervoor moet zorgen dat de personen nog een degelijke
levensstandaard hebben na gestopt te zijn met werken. De Staat bekostigt deze pensioenen
rechtstreeks uit de begroting.
Deze pensioenregeling vormt het model voor andere categorieën van statutair overheidspersoneel.
Eerst volgen de ambtenaren van de lokale besturen (1933) en later de beambten en organismen
van openbaar nut (1958)
De overige categorieën van de beroepsbevolking krijgen met mondjesmaat een regeling inzake de
pensioenverzekering. Zeevarenden en mijnwerkers kregen een wettelijke regeling omtrent
pensioen.
De overige werknemers konden terugvallen op een vrijwillige pensioensverzekering, mits betaling
van bijdragen. Het probleem was dat er niet veel mensen deze verzekering aangingen. De
levensverwachting van de mensen lag te laag om te denken dat ze nog op nuttige manier gebruik
zouden kunnen maken van hun pensioen.
In 1924 -1925 wordt er een wettelijke regeling uitgewerkt van verplichte pensioenverzekering voor
arbeiders en bedienden. In 1967 worden deze regelingen verenigt tot één pensioenregeling in de
Pensioenwet. In 1996 wordt deze wetgeving aangepast omwille van de modernisering van het
stelsel.
Pas vanaf 1956 komt er een verplichte regeling voor pensioenverzekering van zelfstandigen. Dit
werd vastgelegd in de Pensioenwet Zelfstandigen in 1967. Ook hier krijgen we de budgettaire
implicaties van het Verdrag van Maastricht.
Regelgeving
- Vastbenoemde ambtenaren en hun gelijkgestelden:
• Basiswet: Wet 21 juli 1844 (Afprinten !!)
• op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
• Overkoepelende wetten: Wet van 1965 (Coördinatie van mechanisme voor ambtenaren die
van de ene overheidsdienst naar de andere gaat) en van 1968 (ambtenaren die werknemers
worden of beiden zijn)
- Werknemers in de publieke sector
• Basiswetgeving: KB nr. 50 van 24 oktober 1967 (Pensioenwet Werknemers)
• Uitvoeringsbesluit basiswet
• Wet Modernisering Werknemerspensioenen
- Zelfstandigen en hun helpers
• Basiswetgeving: KB nr. 72 van 10 november 1967 (Pensioenwet Zelfstandigen
Administratieve en financiële organisatie
Pensioenverzekeringen ambtenaren
Ambtenaren moeten hun pensioen in principe verplicht aanvragen, ongeacht men aan de
voorwaarden voldoet. Deze aanvraag wordt gericht tot de Pensioendienst voor de Overheidssector
of rechtstreeks via de twerkstellende overheid. De Pensioendienst beslist zelf of men in
aanmerking komt en welk pensioen men krijgt.
- Uitbetaling door PDOS
• Rijksambtenaren, politie, statutair personeel van de Post en Belgacom, ambtenaren
Gemeenschappen, gewesten, onderwijzend personeel, bedienaars van erkende erediensten
• Middelen uitgetrokken op de federale begroting
Socialezekerheidsrecht
Hoofdstuk 8: Pensioenverzekeringen
Historische ontwikkeling
Pensioenen vinden hun oorsprong in een initiatief dat is gekomen van publieke overheden naar
hun specifieke categorieën van ambtenaren: Rijksambtenaren. Zij werken in het belang van de
staat, maar de wedde die ze kregen in verhouding met hun verantwoordelijkheden was bescheiden
en het idee ontstond dat de staat ervoor moet zorgen dat de personen nog een degelijke
levensstandaard hebben na gestopt te zijn met werken. De Staat bekostigt deze pensioenen
rechtstreeks uit de begroting.
Deze pensioenregeling vormt het model voor andere categorieën van statutair overheidspersoneel.
Eerst volgen de ambtenaren van de lokale besturen (1933) en later de beambten en organismen
van openbaar nut (1958)
De overige categorieën van de beroepsbevolking krijgen met mondjesmaat een regeling inzake de
pensioenverzekering. Zeevarenden en mijnwerkers kregen een wettelijke regeling omtrent
pensioen.
De overige werknemers konden terugvallen op een vrijwillige pensioensverzekering, mits betaling
van bijdragen. Het probleem was dat er niet veel mensen deze verzekering aangingen. De
levensverwachting van de mensen lag te laag om te denken dat ze nog op nuttige manier gebruik
zouden kunnen maken van hun pensioen.
In 1924 -1925 wordt er een wettelijke regeling uitgewerkt van verplichte pensioenverzekering voor
arbeiders en bedienden. In 1967 worden deze regelingen verenigt tot één pensioenregeling in de
Pensioenwet. In 1996 wordt deze wetgeving aangepast omwille van de modernisering van het
stelsel.
Pas vanaf 1956 komt er een verplichte regeling voor pensioenverzekering van zelfstandigen. Dit
werd vastgelegd in de Pensioenwet Zelfstandigen in 1967. Ook hier krijgen we de budgettaire
implicaties van het Verdrag van Maastricht.
Regelgeving
- Vastbenoemde ambtenaren en hun gelijkgestelden:
• Basiswet: Wet 21 juli 1844 (Afprinten !!)
• op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
• Overkoepelende wetten: Wet van 1965 (Coördinatie van mechanisme voor ambtenaren die
van de ene overheidsdienst naar de andere gaat) en van 1968 (ambtenaren die werknemers
worden of beiden zijn)
- Werknemers in de publieke sector
• Basiswetgeving: KB nr. 50 van 24 oktober 1967 (Pensioenwet Werknemers)
• Uitvoeringsbesluit basiswet
• Wet Modernisering Werknemerspensioenen
- Zelfstandigen en hun helpers
• Basiswetgeving: KB nr. 72 van 10 november 1967 (Pensioenwet Zelfstandigen
Administratieve en financiële organisatie
Pensioenverzekeringen ambtenaren
Ambtenaren moeten hun pensioen in principe verplicht aanvragen, ongeacht men aan de
voorwaarden voldoet. Deze aanvraag wordt gericht tot de Pensioendienst voor de Overheidssector
of rechtstreeks via de twerkstellende overheid. De Pensioendienst beslist zelf of men in
aanmerking komt en welk pensioen men krijgt.
- Uitbetaling door PDOS
• Rijksambtenaren, politie, statutair personeel van de Post en Belgacom, ambtenaren
Gemeenschappen, gewesten, onderwijzend personeel, bedienaars van erkende erediensten
• Middelen uitgetrokken op de federale begroting