Thema 2: Leerdoel 3
Leerdoel 3: De student kan de epidemiologie, etiologie, pathogenese, diagnostiek,
behandeling en prognose beschrijven van de chronische ziekten: astma en COPD,
hypertensie, hartfalen, diabetes type 1 en 2 en RA.
Astma en COPD = chronische luchtwegaandoeningen
Astma trekt het gladde spierweefsel samen in de kleinere luchtwegen, waardoor het
nauwer wordt. Ontstekingsreacties en productie van slijm spelen ook een rol.
Bij COPD is de luchtwegobstructie altijd aanwezig
Luchtwegen verdeel in bovenste en onderste luchtwegen:
Bovenste luchtwegen
o Neus en mondholte
o Keelholte (pharynx)
o Strottenhoofd (larynx)
Onderste luchtwegen
o Luchtpijp (trachea) en zijn vertakkingen
Astma en COPD hebben betrekking op de onderste luchtwegen
Onderste luchtwegen hebben kraakbeen in hun wand. Binnenkant bestaat uit
trilhaarepitheel met slijm producerende cellen. Er bevindt zich ook glad spierweefsel
De bronchi vertakken zich naar de bronchioli. Deze bevatten geen kraakbeen, alleen glad
spierweefsel.
Bij inademing (inspiratie) ontspant het spierweefsel en bij uitademing (expiratie)
trekken de spieren samen
Bronchioli mondt uit in longtrechtertjes en die hebben weer longblaasjes (alveoli)
De wand van de alveoli is dun en is omringt met capillairen
Door diffusie kan de lucht van alveoli naar capillairen
De longen zijn door middel van longvliezen vastgeplakt aan de thorax (borstkas)
Vergroting van thoraxholte is mogelijk door:
Aanspannen buitenste tussenribspieren waardoor ribben omhoog gaan =
borstademhaling
Aanspannen van middenrif (diafragma) waardoor buikwand naar voren komt
(buikademhaling)
Vergroting van thoraxholte veroorzaakt onderdruk (vacuüm) zodat de lucht naar binnen
stroomt
Glad spierweefsel staat onder invloed van autonome zenuwstelsel
Zenuwstelsel maakt gebruik van de neurotransmitters adrenaline en acetylcholine
Receptoren voor adrenaline β-adrenerge receptoren
Receptoren voor acetylcholine cholinerge receptoren
De sympathicus maakt bij activiteit gebruik van adrenaline om de luchtwegen te
verwijden
De parasympathicus maakt gebruik van acetylcholine voor vernauwing van luchtwegen
Bij de toename van CO2 wordt er meer H+ gevormd zodat de ademhaling zal toenemen
Een constante pH van het bloed is belangrijk, omdat chemische reacties in het lichaam
hiervan afhankelijk zijn.
Leerdoel 3: De student kan de epidemiologie, etiologie, pathogenese, diagnostiek,
behandeling en prognose beschrijven van de chronische ziekten: astma en COPD,
hypertensie, hartfalen, diabetes type 1 en 2 en RA.
Astma en COPD = chronische luchtwegaandoeningen
Astma trekt het gladde spierweefsel samen in de kleinere luchtwegen, waardoor het
nauwer wordt. Ontstekingsreacties en productie van slijm spelen ook een rol.
Bij COPD is de luchtwegobstructie altijd aanwezig
Luchtwegen verdeel in bovenste en onderste luchtwegen:
Bovenste luchtwegen
o Neus en mondholte
o Keelholte (pharynx)
o Strottenhoofd (larynx)
Onderste luchtwegen
o Luchtpijp (trachea) en zijn vertakkingen
Astma en COPD hebben betrekking op de onderste luchtwegen
Onderste luchtwegen hebben kraakbeen in hun wand. Binnenkant bestaat uit
trilhaarepitheel met slijm producerende cellen. Er bevindt zich ook glad spierweefsel
De bronchi vertakken zich naar de bronchioli. Deze bevatten geen kraakbeen, alleen glad
spierweefsel.
Bij inademing (inspiratie) ontspant het spierweefsel en bij uitademing (expiratie)
trekken de spieren samen
Bronchioli mondt uit in longtrechtertjes en die hebben weer longblaasjes (alveoli)
De wand van de alveoli is dun en is omringt met capillairen
Door diffusie kan de lucht van alveoli naar capillairen
De longen zijn door middel van longvliezen vastgeplakt aan de thorax (borstkas)
Vergroting van thoraxholte is mogelijk door:
Aanspannen buitenste tussenribspieren waardoor ribben omhoog gaan =
borstademhaling
Aanspannen van middenrif (diafragma) waardoor buikwand naar voren komt
(buikademhaling)
Vergroting van thoraxholte veroorzaakt onderdruk (vacuüm) zodat de lucht naar binnen
stroomt
Glad spierweefsel staat onder invloed van autonome zenuwstelsel
Zenuwstelsel maakt gebruik van de neurotransmitters adrenaline en acetylcholine
Receptoren voor adrenaline β-adrenerge receptoren
Receptoren voor acetylcholine cholinerge receptoren
De sympathicus maakt bij activiteit gebruik van adrenaline om de luchtwegen te
verwijden
De parasympathicus maakt gebruik van acetylcholine voor vernauwing van luchtwegen
Bij de toename van CO2 wordt er meer H+ gevormd zodat de ademhaling zal toenemen
Een constante pH van het bloed is belangrijk, omdat chemische reacties in het lichaam
hiervan afhankelijk zijn.