Inhoud
Probleem 1 (H1)............................................................................................................................ 3
1. Wat is het verschil tussen een overtreding en een misdrijf? .................................................. 3
2. Zijn deze casussen strafbaar? Zo ja, waarom en waar geregeld?.......................................... 3
3. Wat is het onderscheid tussen commuun (normaal) en bijzonder strafrecht? ............. 4
4. Pas leerdoelen 1 t/m 3 toe op de casussen. .................................................................................... 4
Probleem 2 (H7, H8) .................................................................................................................... 5
1. Wat zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit binnen het strafrecht?
.................................................................................................................................................................................... 5
2. Wanneer mag de politie die toepassen? ........................................................................................... 7
3. Wanneer mag de politie observeren? (Terrorisme en georganiseerd verband). ......... 7
Probleem 3 (H7, H8) .................................................................................................................. 11
1. Wat is inverzekeringstelling en wat zijn de voorwaarden daarvoor? ............................. 11
2. Wat is voorarrest en de voorwaarden daarvoor? ..................................................................... 11
3. Wat is voorlopige hechtenis en de voorwaarden daarvoor? ............................................... 11
4. Wie mag hierover beslissingen nemen?......................................................................................... 13
Probleem 4 (H3, H10)................................................................................................................ 14
1. Wat zijn de fasen in het strafproces?............................................................................................... 14
2. Welke mogelijkheden heeft het OM bij afdoening van vervolging.................................... 14
3. Kunnen de nabestaanden tegen deze beslissing van het OM in gaan?............................ 15
Probleem 5 (H17, H18) ............................................................................................................. 16
1. Wat zijn strafuitslutingsgronden? (Vereisten. Wanneer toepassen) ............................... 16
2. Op welke manier kan de strafbaarheid worden uitgebreid? ............................................... 18
Probleem 6 (H2, H11)................................................................................................................ 21
1. Hoe verloopt een onderzoek ter terechtzitting? ........................................................................ 21
2. Wat is de rol van de partijen?.............................................................................................................. 23
3. Wat is een de auditu verklaring? ....................................................................................................... 26
Probleem 7 (H12) ....................................................................................................................... 27
1. Hoe verloopt de beraadslaging na afloop van het onderzoek ter terechtzitting?...... 27
2. Welke beslissingen kan de rechter nemen? ................................................................................. 32
Probleem 8 (H12) ....................................................................................................................... 33
1. Wat is het verschil tussen maatregel en straf? ........................................................................... 33
2. Welke combinaties zijn mogelijk?..................................................................................................... 33
3. Welke sancties zijn er? ........................................................................................................................... 33
1
,4. Hoe werkt de strafmaat bij meerdere delicten?......................................................................... 36
5. Hoe bepaalt de rechter wat de (maximale) straf is? ................................................................ 36
2
,Probleem 1 (H1)
1. Wat is het verschil tussen een overtreding en een misdrijf?
Het Nederlandse strafrecht kent een tweedeling in strafbare feiten, namelijk misdrijven
en overtredingen. Een strafbaar feit is altijd een misdrijf of overtreding. Het criterium
daarvoor is de indeling door wetaanduiding. Een strafbaar feit is een misdrijf of
overtreding omdat de wet dat zegt.
In Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht staan de misdrijven en in Boek 3 staan de
overtredingen. De plaats van de wet is dus belangrijk.
Lagere wetgevers hebben niet de bevoegdheid om de door hun gecreëerde strafbare
feiten tot misdrijven te maken. Misdrijven worden door de formele wetgever gecreëerd.
Dit heeft te maken met de status van de wetgever en met het bereik van de regelgeving
van de beide soorten wetgevers. Doordat het aanwijzen van misdrijven aan de formele
wetgever is voorbehouden, wordt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid
bevorderd.
De kwalificatie als misdrijf of overtreding laat ook zien wat de zwaarte van een delict is.
Misdrijven zijn dan zwaardere delicten en overtredingen lichtere. Het onderscheid in
zwaarte tussen misdrijven en overtredingen komt ook tot uitdrukking in de strafsoort
en het maximum van de straf. De gevangenisstraf komt bijvoorbeeld alleen voor bij
misdrijven. Boetes komen bij beide soorten delicten voor, maar voor misdrijven geldt er
een hogere maximumboete.
2. Zijn deze casussen strafbaar? Zo ja, waarom en waar geregeld?
Hongerige man betrapt op diefstal krentenbol
Diefstal is vastgelegd in art. 310 WvSr. Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Dit staat in Boek 2 van het WvSr, dus is het een misdrijf. Het hoort bij normaal strafrecht,
omdat dit misdrijf in het WvSr staat. Er is sprake van diefstal, want de man pakt een
krentenbol zonder ervoor te betalen. Die krentenbol is van een ander en de man
probeert het wederechtelijk toe te eigenen.
Tenenlikker actief in Rotterdam
Dit is strafbaar, omdat de man de vrouw ongewenst aanraakt. Art. 246 WvSr bepaalt dat
dit feitelijke aanranding van de eerbaarheid is. Dit staat in Boek 2 van het WvSr, dus is
het een misdrijf. Het hoort bij normaal strafrecht, omdat dit misdrijf in het WvRs staat.
Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt,
als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Politie zoekt getuigen mishandeling kippen
Er is sprake van brandstichting, dat staat in art. 157 WvSr. Dit staat in Boek 2, dus het is
een misdrijf. Het is ook een vorm van normaal strafrecht.
Vrouw ontdekt bigamie op Facebook
In art. 237 lid 2 WvSr staat dat hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat bestraft
wordt. Het staat in Boek 2 van WvSr, dus het is een misdrijf. De man gaat opzettelijk een
dubbel huwelijk aan, want hij is met twee vrouwen tegelijk getrouwd.
3
,Als de tweede vrouw van het eerste huwelijk afwist, is ze ook strafbaar, want in lid 2 van
art. 237 WvSr staat dat het ook strafbaar is. Dat is ook een misdrijf. Beide is een vorm
van normaal strafrecht.
Wiet voor eigen gebruik
Wiet staat op de lijst met softdrugs. Art. 3 Opiumwet verbiedt het bezit van softdrugs
onder sub c. Art. 11 lid 2 bepaalt dat daar een strafrechtelijke sanctie op staat. Art. 13 lid
2 Opiumwet bepaalt dat dit een misdrijf is. Echter bepaalt Art. 11 lid 6 dat het bezit van
een hoeveelheid wiet tot 30 gram niet strafbaar is. Er is hier dus geen sprake van een
strafbaar feit, het ging om een hoeveelheid van 3,4 gram. Ook staat er niks over een
leeftijd, dus mag je als je 14 jaar bent een hoeveelheid wiet in bezit hebben tot 30 gram.
Het hoort bij bijzonder strafrecht, omdat dit misdrijf niet in de WvSr of WvSv staat.
Afspraakje bij de fietsbrug
Art. 245 WvSr bepaalt, dat in dit geval buitenechtelijke ontucht strafbaar is, omdat de
kinderen ouder zijn dan 12 maar jonger dan 16. Ze zijn niet getrouwd, dus er is sprake
van buitenechtelijk Ze zijn daarom strafbaar. Het is een misdrijf en hoort bij normaal
strafrecht.
Spijbelen om te shoppen
In art. 26 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 staat dat jongeren die de leerplichtwet niet
nakomen, en dus spijbelen, gestraft worden. Er wordt verwezen naar art. 77h WvSr,
waaruit blijkt spijbelen een overtreding is. Er is sprake van bijzonder strafrecht, omdat
deze overtreding in een wet buiten de WvSr om staat.
3. Wat is het onderscheid tussen commuun (normaal) en bijzonder strafrecht?
Het commuun strafrecht is vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht voor wat materieel
strafrecht betreft en in het Wetboek van Strafvordering voor wat het strafprocesrecht
betreft. Dit is dan het gewone strafrecht.
Er is ook een bijzonder strafrecht. Dat is vastgelegd in andere wetten dan het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering.
Anders gezegd: de regels van het commune strafrecht zijn dan van toepassing, tenzij
voor bepaalde delicten in bepaalde wetten daarvan wordt afgeweken. In zoverre gelden
dan die afwijkende regels. Dat is dan het bijzondere strafrecht.
4. Pas leerdoelen 1 t/m 3 toe op de casussen.
Zie leerdoel 2.
4
, Probleem 2 (H7, H8)
1. Wat zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit binnen het
strafrecht?
De wet geeft alleen aan waaraan moet worden voldaan om een bepaalde bevoegdheid
ter opsporing te gebruiken. Binnen die grenzen zijn er twee ongeschreven
rechtsbeginselen: beginsel van proportionaliteit en het beginsel van de subsidiariteit.
Het beginsel van proportionaliteit houdt in dat de beslissing tot toepassing van een
bepaald dwangmiddel het daardoor getroffen belang in redelijke verhouding moet staan
tot het belang dat met de toepassing wordt gediend. Je ziet dit beginsel vaker terug in de
gevallen waarin volgens de wet een bepaald ingrijpend dwangmiddel niet mag worden
toegepast bij een gering strafbaar feit.
Bijvoorbeeld in geval van ontdekking op heterdaad kan een verdachte nog worden
aangehouden, ook al betreft het strafbare feit slechts een overtreding. Maar zo’n verdachte
kan niet in verzekering worden gesteld. Het belang van de strafrechtelijke
rechtshandhaving weegt in zo’n geval van overtreding niet op tegen de inbreuk op de
persoonlijke vrijheid van de verdachte.
Het beginsel van de subsidiariteit dwingt er toe om als een belang mag worden
opgeofferd ten behoeve van de opsporing, bij de uitvoering van het betreffende
dwangmiddel niet meer geweld en machtsvertoon aan te wenden dan strikt
noodzakelijk is.
Bijvoorbeeld als de verdachte al in zijn woning moet worden aangehouden, dan moet er
niet met meer mensen naar binnen worden getreden dan strikt noodzakelijk is.
Samengevat houdt beide beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit de eis in dat
de toepassing van dwangmiddelen en opsporingsmethoden in het concrete geval steeds
een redelijk middel tot een redelijk doel moet zijn.
2. Welke dwangmiddelen heeft de politie in de eerste fase?
Dwangmiddelen: Bevoegdheden ter opsporing die feitelijk tegen de wil van de
betrokken burger kunnen worden ingezet.
Opsporingsmethode: Bevoegdheden ter opsporing waarbij geen sprake is van dwang.
Er zijn drie groepen van dwangmiddelen:
Dwangmiddelen tot inbeslagneming van voorwerpen.
Dwangmiddelen tot het vorderen van gegevens.
De vrijheidsbenemende dwangmiddelen die tegen de verdachte kunnen worden
toegepast.
Inbeslagneming
Bij inbeslagneming (art. 134 Sv) gaat het om voorwerpen. Daaronder valt alle zaken en
alle vermogensrechten (art. 94a lid 5 Sv). De staat neemt het voorwerp onder zich en
brengt het onder de hoede van de staat op zolang dat voor de strafvordering nodig is.
De grond waarop dit dwangmiddel kan worden toegepast is de strafvordering. Het kan
het bewaren van het recht tot verhaal van een mogelijk op te leggen geldboete inhouden.
De autoriteiten die bevoegd zijn tot inbeslagneming zijn de opsporingsambtenaar (art.
96 Sv) en de rechter-commissaris (art. 103 Sv).
Op grond van art. 96 Sv is de opsporingsambtenaar bevoegd tot inbeslagneming, als het
gaat om een strafbaar feit dat op heterdaad ontdekt is, of als er sprake is van
‘verdenking van een misdrijf’ als bedoeld in art. 67, eerste lid, Sv. Ook de voorwerpen die
5
Probleem 1 (H1)............................................................................................................................ 3
1. Wat is het verschil tussen een overtreding en een misdrijf? .................................................. 3
2. Zijn deze casussen strafbaar? Zo ja, waarom en waar geregeld?.......................................... 3
3. Wat is het onderscheid tussen commuun (normaal) en bijzonder strafrecht? ............. 4
4. Pas leerdoelen 1 t/m 3 toe op de casussen. .................................................................................... 4
Probleem 2 (H7, H8) .................................................................................................................... 5
1. Wat zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit binnen het strafrecht?
.................................................................................................................................................................................... 5
2. Wanneer mag de politie die toepassen? ........................................................................................... 7
3. Wanneer mag de politie observeren? (Terrorisme en georganiseerd verband). ......... 7
Probleem 3 (H7, H8) .................................................................................................................. 11
1. Wat is inverzekeringstelling en wat zijn de voorwaarden daarvoor? ............................. 11
2. Wat is voorarrest en de voorwaarden daarvoor? ..................................................................... 11
3. Wat is voorlopige hechtenis en de voorwaarden daarvoor? ............................................... 11
4. Wie mag hierover beslissingen nemen?......................................................................................... 13
Probleem 4 (H3, H10)................................................................................................................ 14
1. Wat zijn de fasen in het strafproces?............................................................................................... 14
2. Welke mogelijkheden heeft het OM bij afdoening van vervolging.................................... 14
3. Kunnen de nabestaanden tegen deze beslissing van het OM in gaan?............................ 15
Probleem 5 (H17, H18) ............................................................................................................. 16
1. Wat zijn strafuitslutingsgronden? (Vereisten. Wanneer toepassen) ............................... 16
2. Op welke manier kan de strafbaarheid worden uitgebreid? ............................................... 18
Probleem 6 (H2, H11)................................................................................................................ 21
1. Hoe verloopt een onderzoek ter terechtzitting? ........................................................................ 21
2. Wat is de rol van de partijen?.............................................................................................................. 23
3. Wat is een de auditu verklaring? ....................................................................................................... 26
Probleem 7 (H12) ....................................................................................................................... 27
1. Hoe verloopt de beraadslaging na afloop van het onderzoek ter terechtzitting?...... 27
2. Welke beslissingen kan de rechter nemen? ................................................................................. 32
Probleem 8 (H12) ....................................................................................................................... 33
1. Wat is het verschil tussen maatregel en straf? ........................................................................... 33
2. Welke combinaties zijn mogelijk?..................................................................................................... 33
3. Welke sancties zijn er? ........................................................................................................................... 33
1
,4. Hoe werkt de strafmaat bij meerdere delicten?......................................................................... 36
5. Hoe bepaalt de rechter wat de (maximale) straf is? ................................................................ 36
2
,Probleem 1 (H1)
1. Wat is het verschil tussen een overtreding en een misdrijf?
Het Nederlandse strafrecht kent een tweedeling in strafbare feiten, namelijk misdrijven
en overtredingen. Een strafbaar feit is altijd een misdrijf of overtreding. Het criterium
daarvoor is de indeling door wetaanduiding. Een strafbaar feit is een misdrijf of
overtreding omdat de wet dat zegt.
In Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht staan de misdrijven en in Boek 3 staan de
overtredingen. De plaats van de wet is dus belangrijk.
Lagere wetgevers hebben niet de bevoegdheid om de door hun gecreëerde strafbare
feiten tot misdrijven te maken. Misdrijven worden door de formele wetgever gecreëerd.
Dit heeft te maken met de status van de wetgever en met het bereik van de regelgeving
van de beide soorten wetgevers. Doordat het aanwijzen van misdrijven aan de formele
wetgever is voorbehouden, wordt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid
bevorderd.
De kwalificatie als misdrijf of overtreding laat ook zien wat de zwaarte van een delict is.
Misdrijven zijn dan zwaardere delicten en overtredingen lichtere. Het onderscheid in
zwaarte tussen misdrijven en overtredingen komt ook tot uitdrukking in de strafsoort
en het maximum van de straf. De gevangenisstraf komt bijvoorbeeld alleen voor bij
misdrijven. Boetes komen bij beide soorten delicten voor, maar voor misdrijven geldt er
een hogere maximumboete.
2. Zijn deze casussen strafbaar? Zo ja, waarom en waar geregeld?
Hongerige man betrapt op diefstal krentenbol
Diefstal is vastgelegd in art. 310 WvSr. Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Dit staat in Boek 2 van het WvSr, dus is het een misdrijf. Het hoort bij normaal strafrecht,
omdat dit misdrijf in het WvSr staat. Er is sprake van diefstal, want de man pakt een
krentenbol zonder ervoor te betalen. Die krentenbol is van een ander en de man
probeert het wederechtelijk toe te eigenen.
Tenenlikker actief in Rotterdam
Dit is strafbaar, omdat de man de vrouw ongewenst aanraakt. Art. 246 WvSr bepaalt dat
dit feitelijke aanranding van de eerbaarheid is. Dit staat in Boek 2 van het WvSr, dus is
het een misdrijf. Het hoort bij normaal strafrecht, omdat dit misdrijf in het WvRs staat.
Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt,
als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Politie zoekt getuigen mishandeling kippen
Er is sprake van brandstichting, dat staat in art. 157 WvSr. Dit staat in Boek 2, dus het is
een misdrijf. Het is ook een vorm van normaal strafrecht.
Vrouw ontdekt bigamie op Facebook
In art. 237 lid 2 WvSr staat dat hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat bestraft
wordt. Het staat in Boek 2 van WvSr, dus het is een misdrijf. De man gaat opzettelijk een
dubbel huwelijk aan, want hij is met twee vrouwen tegelijk getrouwd.
3
,Als de tweede vrouw van het eerste huwelijk afwist, is ze ook strafbaar, want in lid 2 van
art. 237 WvSr staat dat het ook strafbaar is. Dat is ook een misdrijf. Beide is een vorm
van normaal strafrecht.
Wiet voor eigen gebruik
Wiet staat op de lijst met softdrugs. Art. 3 Opiumwet verbiedt het bezit van softdrugs
onder sub c. Art. 11 lid 2 bepaalt dat daar een strafrechtelijke sanctie op staat. Art. 13 lid
2 Opiumwet bepaalt dat dit een misdrijf is. Echter bepaalt Art. 11 lid 6 dat het bezit van
een hoeveelheid wiet tot 30 gram niet strafbaar is. Er is hier dus geen sprake van een
strafbaar feit, het ging om een hoeveelheid van 3,4 gram. Ook staat er niks over een
leeftijd, dus mag je als je 14 jaar bent een hoeveelheid wiet in bezit hebben tot 30 gram.
Het hoort bij bijzonder strafrecht, omdat dit misdrijf niet in de WvSr of WvSv staat.
Afspraakje bij de fietsbrug
Art. 245 WvSr bepaalt, dat in dit geval buitenechtelijke ontucht strafbaar is, omdat de
kinderen ouder zijn dan 12 maar jonger dan 16. Ze zijn niet getrouwd, dus er is sprake
van buitenechtelijk Ze zijn daarom strafbaar. Het is een misdrijf en hoort bij normaal
strafrecht.
Spijbelen om te shoppen
In art. 26 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 staat dat jongeren die de leerplichtwet niet
nakomen, en dus spijbelen, gestraft worden. Er wordt verwezen naar art. 77h WvSr,
waaruit blijkt spijbelen een overtreding is. Er is sprake van bijzonder strafrecht, omdat
deze overtreding in een wet buiten de WvSr om staat.
3. Wat is het onderscheid tussen commuun (normaal) en bijzonder strafrecht?
Het commuun strafrecht is vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht voor wat materieel
strafrecht betreft en in het Wetboek van Strafvordering voor wat het strafprocesrecht
betreft. Dit is dan het gewone strafrecht.
Er is ook een bijzonder strafrecht. Dat is vastgelegd in andere wetten dan het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering.
Anders gezegd: de regels van het commune strafrecht zijn dan van toepassing, tenzij
voor bepaalde delicten in bepaalde wetten daarvan wordt afgeweken. In zoverre gelden
dan die afwijkende regels. Dat is dan het bijzondere strafrecht.
4. Pas leerdoelen 1 t/m 3 toe op de casussen.
Zie leerdoel 2.
4
, Probleem 2 (H7, H8)
1. Wat zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit binnen het
strafrecht?
De wet geeft alleen aan waaraan moet worden voldaan om een bepaalde bevoegdheid
ter opsporing te gebruiken. Binnen die grenzen zijn er twee ongeschreven
rechtsbeginselen: beginsel van proportionaliteit en het beginsel van de subsidiariteit.
Het beginsel van proportionaliteit houdt in dat de beslissing tot toepassing van een
bepaald dwangmiddel het daardoor getroffen belang in redelijke verhouding moet staan
tot het belang dat met de toepassing wordt gediend. Je ziet dit beginsel vaker terug in de
gevallen waarin volgens de wet een bepaald ingrijpend dwangmiddel niet mag worden
toegepast bij een gering strafbaar feit.
Bijvoorbeeld in geval van ontdekking op heterdaad kan een verdachte nog worden
aangehouden, ook al betreft het strafbare feit slechts een overtreding. Maar zo’n verdachte
kan niet in verzekering worden gesteld. Het belang van de strafrechtelijke
rechtshandhaving weegt in zo’n geval van overtreding niet op tegen de inbreuk op de
persoonlijke vrijheid van de verdachte.
Het beginsel van de subsidiariteit dwingt er toe om als een belang mag worden
opgeofferd ten behoeve van de opsporing, bij de uitvoering van het betreffende
dwangmiddel niet meer geweld en machtsvertoon aan te wenden dan strikt
noodzakelijk is.
Bijvoorbeeld als de verdachte al in zijn woning moet worden aangehouden, dan moet er
niet met meer mensen naar binnen worden getreden dan strikt noodzakelijk is.
Samengevat houdt beide beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit de eis in dat
de toepassing van dwangmiddelen en opsporingsmethoden in het concrete geval steeds
een redelijk middel tot een redelijk doel moet zijn.
2. Welke dwangmiddelen heeft de politie in de eerste fase?
Dwangmiddelen: Bevoegdheden ter opsporing die feitelijk tegen de wil van de
betrokken burger kunnen worden ingezet.
Opsporingsmethode: Bevoegdheden ter opsporing waarbij geen sprake is van dwang.
Er zijn drie groepen van dwangmiddelen:
Dwangmiddelen tot inbeslagneming van voorwerpen.
Dwangmiddelen tot het vorderen van gegevens.
De vrijheidsbenemende dwangmiddelen die tegen de verdachte kunnen worden
toegepast.
Inbeslagneming
Bij inbeslagneming (art. 134 Sv) gaat het om voorwerpen. Daaronder valt alle zaken en
alle vermogensrechten (art. 94a lid 5 Sv). De staat neemt het voorwerp onder zich en
brengt het onder de hoede van de staat op zolang dat voor de strafvordering nodig is.
De grond waarop dit dwangmiddel kan worden toegepast is de strafvordering. Het kan
het bewaren van het recht tot verhaal van een mogelijk op te leggen geldboete inhouden.
De autoriteiten die bevoegd zijn tot inbeslagneming zijn de opsporingsambtenaar (art.
96 Sv) en de rechter-commissaris (art. 103 Sv).
Op grond van art. 96 Sv is de opsporingsambtenaar bevoegd tot inbeslagneming, als het
gaat om een strafbaar feit dat op heterdaad ontdekt is, of als er sprake is van
‘verdenking van een misdrijf’ als bedoeld in art. 67, eerste lid, Sv. Ook de voorwerpen die
5