Geschiedenis samenvatting hoofdstuk 3: de Franse Revolutie.
Paragraaf 1: oriëntati e.
Revolutie: opstand/protest, vaak gewelddadig, met grote en snelle veranderingen als gevolg.
Culturele verandering: kunst, taal, architectuur, feesten.
Economische verandering: hoe we geld verdienen en de welvaart krijgen.
Politieke verandering: bestuur, regels, wetten, wie heeft de macht?
Sociale verandering: hoe gaan mensen met elkaar om? Verschillen tussen bevolkingsgroepen.
Religieuze verandering: godsdienst.
Geestelijken
Standen----------
Edelen/adel
Paragraaf 2: het ancien régime .
Rijke burgers
Ancien régime: de manier van besturen.
Ambachtslieden en winkeliers
Waarom was de burgerij boos?
Arme loonarbeiders en boeren
Mensen uit de 3e stand konden geen machtige positie in het bestuur of leger
krijgen.
Privileges: voorrechten, extra recht/voordeel wat andere niet hebben.
Welke voorrechten hebben de 1e en 2e stand?
-ze hoefden geen belasting te betalen.
-ze hadden een eigen rechtbank.
-de boeren moesten gratis voor hun werken (soort slaven).
Waarom zijn de burgers nog meer boos?
-zij moesten wel belasting betalen.
-bij een misdaad kregen ze strengere straffen.
-de voedselbelasting werd hoger, dus de voedselprijzen werden ook hoger.
-boeren kwamen in de problemen want er was een mislukte oogst en ze moest toch belasting
betalen.
-rijke burgers wilden meepraten in het bestuur.
De koning (Lodewijk XVI) in die tijd was een absolute vorst, hij had alle macht.
Frankrijk dreigde failliet te gaan omdat de koning veel schulden had omdat zijn voorgangers veel geld
hadden uitgegeven aan oorlog voeren.
De koning riep de statengeneraal op om de belasting te veranderen. Toen ze bij elkaar kwamen
spraken ze nog niet eens over de belastingen of ze kregen al ruzie.
Paragraaf 1: oriëntati e.
Revolutie: opstand/protest, vaak gewelddadig, met grote en snelle veranderingen als gevolg.
Culturele verandering: kunst, taal, architectuur, feesten.
Economische verandering: hoe we geld verdienen en de welvaart krijgen.
Politieke verandering: bestuur, regels, wetten, wie heeft de macht?
Sociale verandering: hoe gaan mensen met elkaar om? Verschillen tussen bevolkingsgroepen.
Religieuze verandering: godsdienst.
Geestelijken
Standen----------
Edelen/adel
Paragraaf 2: het ancien régime .
Rijke burgers
Ancien régime: de manier van besturen.
Ambachtslieden en winkeliers
Waarom was de burgerij boos?
Arme loonarbeiders en boeren
Mensen uit de 3e stand konden geen machtige positie in het bestuur of leger
krijgen.
Privileges: voorrechten, extra recht/voordeel wat andere niet hebben.
Welke voorrechten hebben de 1e en 2e stand?
-ze hoefden geen belasting te betalen.
-ze hadden een eigen rechtbank.
-de boeren moesten gratis voor hun werken (soort slaven).
Waarom zijn de burgers nog meer boos?
-zij moesten wel belasting betalen.
-bij een misdaad kregen ze strengere straffen.
-de voedselbelasting werd hoger, dus de voedselprijzen werden ook hoger.
-boeren kwamen in de problemen want er was een mislukte oogst en ze moest toch belasting
betalen.
-rijke burgers wilden meepraten in het bestuur.
De koning (Lodewijk XVI) in die tijd was een absolute vorst, hij had alle macht.
Frankrijk dreigde failliet te gaan omdat de koning veel schulden had omdat zijn voorgangers veel geld
hadden uitgegeven aan oorlog voeren.
De koning riep de statengeneraal op om de belasting te veranderen. Toen ze bij elkaar kwamen
spraken ze nog niet eens over de belastingen of ze kregen al ruzie.