Woordenlijst Levenslooppsychologie
Woord Uitleg
babytijd 0 tot 12 maanden na de geboorte
peutertijd 1,5-4 jaar
Dreumes in de periode tussen 1 en 2 jaar wordt een
kind vaak zo genoemd
kleutertijd 4-6 jaar
Kwantitatief Alles in cijfers kunnen uitdrukken
Kwalitatief De manier van: denken/handelen/voelen
Continuïteit Mens verandert voortdurend
Discontinuïteit Geen voortdurende ontwikkeling
Stabiele periode gevolgd door crisis
periode gevolgd door een stabiele
periode
Nature Aangeboren/genetisch, endogeen
(binnenuit gestuurd), rijping, naturisten.
Alles zit al klaar, moet gewoon nog komen.
Omgeving maakt antwoord mogelijk maar
stuurt niet.
nurture Exogeen (vanbuiten af), omgeving,
opvoeding, leerervaringen, empiristen
(kennis komt vooral voorkomt vanuit
ervaring)
Neonatus 1e week na geboorte (pasgeboren)
Assimilatie Nieuwe stukken buitenwereld (nieuwe info)
(SS: Same Schema: van bestaande schema’s opnemen in bestaande schema’s of
uit) structuren.
Als nieuw bestandje bijvoegen Je moet er geen nieuw schema voor
ontwikkelen.
Voorbeelden staan in de PP
Accommodatie Het schema of de structuur wordt
(CC: Change/Create) aangepast aan de nieuwe situatie.
Hier moet er wel een nieuw schema
gecreëerd worden of aangepast worden.
Telkens opnieuw afstemmen noemt Piaget:
Equilibratieproces (pg58)
Beginnende objectpermanentie Weten dat objecten permanent aanwezig
6-12 maanden zijn ook al zijn ze verstopt. Worden hier nog
snel afgeleid
Gevestigde objectpermanentie Hier gaan kinderen hardnekkig gaan zoeken
18-24 maanden en ook al vinden ze het niet ze zullen blijven
2 jaar verder zoeken
OHC Oog-hand coördinatie
Relatief equilibrium (rond 1,5 jaar) Relatief evenwicht
Desequilibrium onevenwicht
Adualisme Ik en de wereld zijn 1, ik maak nog geen
, onderscheid
= geen IK bewustzijn
Objectpermanentie Ook al verdwijnt een object uit het beeld,
6-12 maanden weten dat het object er nog steeds is
(impact op het zoekgedrag)
Generaliseren Op zoek gaan naar gelijkenissen (dieren)
discrimineren De verschillen gaan zoeken/bekijken
Abstraheren Los zien van de context
Over discrimineren Wordt te strikt gebruikt, poes alleen gezegd
tegen eigen kat en geen andere
Over generaliseren Wordt te ruim gebruikt, alles word gezien
als kat
Preconcepten/globs Experimenteren met categorieën ze
gebruiken de woorden al maar niet voor de
categorie zelf
Symbiotische relatie Versmelting van twee individuen (kenmerkt
de babytijd en is goed voor deze fase)
Separatie/individuatiefase scheiding, we moeten loskomen uit die
symbiotische relatie, niet gezond in
peutertijd, moeten ontdekken dat we een
eigen individu zijn.
Verlatingsangst Vanaf 6 maanden kan je baby eerste teken
van verlatingsangst en eenkennigheid laten
zien. Sommige laten dit al wat eerder zien.
De meeste kinderen hebben er last van
tussen de 8 en 18 maanden. Meestal zijn de
ergste klachten verdwenen als je kind 3 jaar
is.
Orthoscopisch waarnemen De mogelijkheid om alles gewoon rechtop
1-3 jaar te zien, ongeacht te positie van waaruit je
de dingen bekijkt.
Grootte- en vormconstantie Objecten gaan groter lijken als ze dichterbij
1-5 jaar zijn
Causaliteit Een gebeurtenis is het directe gevolg van
Einde 3de levensjaar een andere gebeurtenis (oorzaak-gevolg)
Causale samenhang
Kinderen kunnen zeer boeiend geraken
door de werking van allerhande knopjes,
hendeltjes en schakelaars.
Copernicaanse revolutie
Tussen eerste en tweede levensjaar
Subject-objectsplitsing Objecten in de buitenwereld op zichzelf
staande dingen zijn die totaal los staan van
de eigen subjectieve waarneming
Object/subject differentiatie Als baby denken dat de wereld om jou
Woord Uitleg
babytijd 0 tot 12 maanden na de geboorte
peutertijd 1,5-4 jaar
Dreumes in de periode tussen 1 en 2 jaar wordt een
kind vaak zo genoemd
kleutertijd 4-6 jaar
Kwantitatief Alles in cijfers kunnen uitdrukken
Kwalitatief De manier van: denken/handelen/voelen
Continuïteit Mens verandert voortdurend
Discontinuïteit Geen voortdurende ontwikkeling
Stabiele periode gevolgd door crisis
periode gevolgd door een stabiele
periode
Nature Aangeboren/genetisch, endogeen
(binnenuit gestuurd), rijping, naturisten.
Alles zit al klaar, moet gewoon nog komen.
Omgeving maakt antwoord mogelijk maar
stuurt niet.
nurture Exogeen (vanbuiten af), omgeving,
opvoeding, leerervaringen, empiristen
(kennis komt vooral voorkomt vanuit
ervaring)
Neonatus 1e week na geboorte (pasgeboren)
Assimilatie Nieuwe stukken buitenwereld (nieuwe info)
(SS: Same Schema: van bestaande schema’s opnemen in bestaande schema’s of
uit) structuren.
Als nieuw bestandje bijvoegen Je moet er geen nieuw schema voor
ontwikkelen.
Voorbeelden staan in de PP
Accommodatie Het schema of de structuur wordt
(CC: Change/Create) aangepast aan de nieuwe situatie.
Hier moet er wel een nieuw schema
gecreëerd worden of aangepast worden.
Telkens opnieuw afstemmen noemt Piaget:
Equilibratieproces (pg58)
Beginnende objectpermanentie Weten dat objecten permanent aanwezig
6-12 maanden zijn ook al zijn ze verstopt. Worden hier nog
snel afgeleid
Gevestigde objectpermanentie Hier gaan kinderen hardnekkig gaan zoeken
18-24 maanden en ook al vinden ze het niet ze zullen blijven
2 jaar verder zoeken
OHC Oog-hand coördinatie
Relatief equilibrium (rond 1,5 jaar) Relatief evenwicht
Desequilibrium onevenwicht
Adualisme Ik en de wereld zijn 1, ik maak nog geen
, onderscheid
= geen IK bewustzijn
Objectpermanentie Ook al verdwijnt een object uit het beeld,
6-12 maanden weten dat het object er nog steeds is
(impact op het zoekgedrag)
Generaliseren Op zoek gaan naar gelijkenissen (dieren)
discrimineren De verschillen gaan zoeken/bekijken
Abstraheren Los zien van de context
Over discrimineren Wordt te strikt gebruikt, poes alleen gezegd
tegen eigen kat en geen andere
Over generaliseren Wordt te ruim gebruikt, alles word gezien
als kat
Preconcepten/globs Experimenteren met categorieën ze
gebruiken de woorden al maar niet voor de
categorie zelf
Symbiotische relatie Versmelting van twee individuen (kenmerkt
de babytijd en is goed voor deze fase)
Separatie/individuatiefase scheiding, we moeten loskomen uit die
symbiotische relatie, niet gezond in
peutertijd, moeten ontdekken dat we een
eigen individu zijn.
Verlatingsangst Vanaf 6 maanden kan je baby eerste teken
van verlatingsangst en eenkennigheid laten
zien. Sommige laten dit al wat eerder zien.
De meeste kinderen hebben er last van
tussen de 8 en 18 maanden. Meestal zijn de
ergste klachten verdwenen als je kind 3 jaar
is.
Orthoscopisch waarnemen De mogelijkheid om alles gewoon rechtop
1-3 jaar te zien, ongeacht te positie van waaruit je
de dingen bekijkt.
Grootte- en vormconstantie Objecten gaan groter lijken als ze dichterbij
1-5 jaar zijn
Causaliteit Een gebeurtenis is het directe gevolg van
Einde 3de levensjaar een andere gebeurtenis (oorzaak-gevolg)
Causale samenhang
Kinderen kunnen zeer boeiend geraken
door de werking van allerhande knopjes,
hendeltjes en schakelaars.
Copernicaanse revolutie
Tussen eerste en tweede levensjaar
Subject-objectsplitsing Objecten in de buitenwereld op zichzelf
staande dingen zijn die totaal los staan van
de eigen subjectieve waarneming
Object/subject differentiatie Als baby denken dat de wereld om jou