Biologie hoofdstuk 2: voorplanting.
Amnion: binnenste vruchtvlies om vruchtwater en embryo.
Amnionholte: een van de tweede holten in het embryoblast.
Anafase: vierde fase van de mitose, waarbij de chromatiden elk naar een
kant van de cel worden getrokken.
Apoptose: geprogrammeerde celdood.
Binnenste vruchtvlies: amnion, binnenste vruchtvlies om vruchtwater en
embryo.
Buitenste vruchtvlies: chorion, buitenste vlies om vruchtwater en embryo,
gevormd uit het trofoblast.
Blastula: stadium na morula, klompje cellen met een met vocht gevulde
holte.
Celcyclus: opeenvolgende fasen die een delende cel doorloopt.
Celdeling: reproductie proces waarbij uit een cel twee nieuwe cellen
worden gevormd
Celdifferentiatie: proces waarbij cellen specialiseren en gaan verschillen in
vorm en functie.
Centriolen: celstructuren in het centrosoom die een rol spelen bij de kern-
en celdeling.
Centromeer: plaats op het chromosoom waaraan het gekopieerde DNA
vastzit.
Centrosoom: spoellichaampje dat bij kerndeling de kernspoel vormt.
Chorion: buitenste vruchtvlies om vruchtwater en embryo, gevormd uit
het trofoblast.
Chorionholte: holte die door de chorion wordt omsloten.
Chromatiden: de twee identieke delen van een chromosoom na DNA-
replicatie.
Diploïde cellen: cellen met twee volledige sets chromosomen (2n).
DNA-replicatie (DNA-synthese): van een DNA-molecuul wordt een kopie
gemaakt.
Dochtercellen: twee identieke cellen die worden gevormd uit een cel bij
celdeling.
Embryoblast: embryonaalknop, begin van het embryo.
Embryonaalknop: embryoblast, begin van het embryo.
Follikel: blaasje om de eicel in het ovarium.
Follikelstimulerend hormoon (FSH): hypofysehormoon, regelt onder
andere de productie van geslachtshormonen.
G0-fase: rustfase waarin geen celdelingen plaatsvinden.
G1-fase: fase van de celcyclus tussen de M-fase en de S-fase.
G2-fase: fase van de celcyclus tussen de S-fase en de M-fase.
Gele lichaam: corpus luteum, deel dat achterblijft na de eisprong.
Geslachtscel: gameet, cel met chromosomen in enkelvoud.
Geslachtshormonen: signaalstoffen die verschillende aspecten van de
voorplanting regelen.
Haploïde cellen: cellen met een volledige set chromosomen (n).
Hormonale regulatie: beïnvloeden van lichaamsprocessen door toediening
van hormonen.
Amnion: binnenste vruchtvlies om vruchtwater en embryo.
Amnionholte: een van de tweede holten in het embryoblast.
Anafase: vierde fase van de mitose, waarbij de chromatiden elk naar een
kant van de cel worden getrokken.
Apoptose: geprogrammeerde celdood.
Binnenste vruchtvlies: amnion, binnenste vruchtvlies om vruchtwater en
embryo.
Buitenste vruchtvlies: chorion, buitenste vlies om vruchtwater en embryo,
gevormd uit het trofoblast.
Blastula: stadium na morula, klompje cellen met een met vocht gevulde
holte.
Celcyclus: opeenvolgende fasen die een delende cel doorloopt.
Celdeling: reproductie proces waarbij uit een cel twee nieuwe cellen
worden gevormd
Celdifferentiatie: proces waarbij cellen specialiseren en gaan verschillen in
vorm en functie.
Centriolen: celstructuren in het centrosoom die een rol spelen bij de kern-
en celdeling.
Centromeer: plaats op het chromosoom waaraan het gekopieerde DNA
vastzit.
Centrosoom: spoellichaampje dat bij kerndeling de kernspoel vormt.
Chorion: buitenste vruchtvlies om vruchtwater en embryo, gevormd uit
het trofoblast.
Chorionholte: holte die door de chorion wordt omsloten.
Chromatiden: de twee identieke delen van een chromosoom na DNA-
replicatie.
Diploïde cellen: cellen met twee volledige sets chromosomen (2n).
DNA-replicatie (DNA-synthese): van een DNA-molecuul wordt een kopie
gemaakt.
Dochtercellen: twee identieke cellen die worden gevormd uit een cel bij
celdeling.
Embryoblast: embryonaalknop, begin van het embryo.
Embryonaalknop: embryoblast, begin van het embryo.
Follikel: blaasje om de eicel in het ovarium.
Follikelstimulerend hormoon (FSH): hypofysehormoon, regelt onder
andere de productie van geslachtshormonen.
G0-fase: rustfase waarin geen celdelingen plaatsvinden.
G1-fase: fase van de celcyclus tussen de M-fase en de S-fase.
G2-fase: fase van de celcyclus tussen de S-fase en de M-fase.
Gele lichaam: corpus luteum, deel dat achterblijft na de eisprong.
Geslachtscel: gameet, cel met chromosomen in enkelvoud.
Geslachtshormonen: signaalstoffen die verschillende aspecten van de
voorplanting regelen.
Haploïde cellen: cellen met een volledige set chromosomen (n).
Hormonale regulatie: beïnvloeden van lichaamsprocessen door toediening
van hormonen.