Adolescentiepsychologie is een voorwaarde voor een
professionele begeleiding van leerlingen Secundair Onderwijs.
De adolescentiepsychologie is een onderdeel van de
ontwikkelingspsychologie en beschrijft en verklaart het gedrag van
adolescenten. Als je als leraar secundair onderwijs niet de veranderingen
kent die gepaard gaan met de adolescentie, is het moeilijk om hen
professioneel te kunnen begeleiden. De focus ligt in de lerarenopleiding dus
op de adolescentiepsychologie.
Voorbeeld: Een jongen smijt een boek naar het bord waar de leraar les geeft.
Indien je als leraar je enkel blindstaart op het smijten van het boek, kan je de
jongen op geen enkele goede manier begeleiden.
De verschillende ontwikkelingsdomeinen
• Identiteitsontwikkeling Wie ben ik?
• Sociale ontwikkeling Vrienden, Facebook
• Cognitieve ontwikkeling zich in de plaats stellen van anderen,
eigenwijs, onzeker
• Morele ontwikkeling Goed - Fout
• Seksuele en lichamelijke ontwikkeling Lichamelijke veranderingen
Verbanden tussen de verschillende ontwikkelingsdomeinen met
focus op de identiteitsontwikkeling
• Identiteit – Cognitief
Indien je niet weet over jezelf wie je echt bent, zul je je onzeker voelen.
• Identiteit – Moreel
Als je met jezelf in de knoop ligt, zul je je rapper laten leiden door
anderen. Zij zullen voor jou bepalen wat goed of fout is en dat kan
verkeerd aflopen.
• Identiteit – Seksueel/Lichamelijk
Bij lichamelijke veranderingen tijdens de adolescentie, zal je jezelf
moeten accepteren hoe je bent.
• Identiteit – Sociaal
Je kan niet verwachten van je vrienden dat ze weten wie je echt bent
als je zelf niet weet wie je werkelijk bent.
•
,Ontwikkelingspsychologie als tak binnen de psychologie
De psychologie wil het menselijk gedrag beschrijven en verklaren.
Ontwikkelingspsychologie blikt terug op het ontwikkelingsproces van een
mens, de aaneenschakeling van veranderingen, het doorlopen van een reeks
toestanden. Verandering en vooruitgang zijn twee essentiële kenmerken van
ontwikkeling. Ontwikkeling laat zich als een getrapt proces beschrijven waarin
elke volgende trede op een ‘hoger’ niveau staat en meer op het eindresultaat
lijkt dan de trede die eraan voorafging.
definitie uit het boek: Ontwikkeling wordt opgevat als een reeks progressieve
veranderingen die tot hogere niveaus van differentiatie en fuctioneren leiden.
Rijping en leren als twee voorwaarden om tot ontwikkeling te
komen.
Proces:
* Rijping:
verandering en vooruitgang op twee niveaus:
van klein naar groot (groei) en van eenvoudig
naar complex (differentiatie)
vb. Eerste woordjes
* Leren:
Verwerven van kennis en vaardigheden op basis
van ervaring. Die ervaring doen we op door actief
in contact te treden met de omgeving.
Beide processen zijn nodig om resultaat
te krijgen. Iemand kan rijp zijn maar er geen
stimulans voor hebben gekregen, dan gebeurt
niets.
Steeds hoger niveau van functioneren Volwassenheid
Begrippen
• Levensloop
De levensloop van mensen bestaat uit een aantal fasen, die een vaste
volgorde hebben en een bepaalde onderlinge samenhang vertonen.
• Fase
Een fase is een tijd waarin mensen voorspelbare overeenkomsten in
lichamelijke en geestelijke ontwikkeling vertonen. In iedere fase heeft
het menselijke functioneren een eigen kwaliteit. Vb. een baby brengt
de grootste deel van zijn tijd slapend door en is afhankelijk van zijn
omgeving.
• Periode
Een periode is een deel van een fase.
• Adolescentie
Het begrip adolescentie heeft in de loop van tijd veel verschillende
betekenissen gehad. Het is de fase tussen de kindertijd en de
volwassenheid in de levensloop van de mens.
, • Pubertijd
Pubertijd is de beginperiode van de adolescentiefase.
De verschillende ontwikkelingsfases in chronologische volgorde
• De baby: 0 – 1 jaar
* baby/zuigeling zolang het kind nog niet loopt.
* eerste levensjaar: groei- en ontwikkelingstempo heel hoog.
* motorisch gebied vorderingen spectaculair.
* Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in het eerste levensjaar is
het ontstaan van de eerste gehechtheidsrelatie.
• De peuter: 1 – 4 jaar
* Ondernemend en zelfbewust.
* Toename van verkenningsmogelijkheden en leerervaringen.
* Spraakontwikkeling basis snel toenemende sociale en
communicatieve vaardigheden.
* denken en handelen vanuit eigen belevingswereld. (vb. pijn)
• De kleuter: 3 – 6 jaar
* Op andere kinderen gericht/ buitenspelen aantrekkelijker
* rijke fantasie
* uitbreiding omgeving (school)
• Het lagere schoolkind: 6 – 12 jaar
* Onderwijs = belangrijke plaats
* Naast school ook contact via sport- en hobbyactiviteiten.
• De adolescent: 12 – 18 jaar
* lichamelijke veranderingen door puberteit
* Begin seksuele belangstelling
* identiteitsontwikkeling
• De jongvolwassene: 18 – 22 jaar (late adolescentie)
* Aangaan van verplichtingen
* Maatschappelijke positie
* Persoonlijke relaties.
• Volwassene: >22 jaar
* groeiende zelfstandigheid
Kenmerken ontwikkelingsfase: - geen strikte leeftijdsgrenzen
- elk kind maakt een unieke ontwikkeling door
- verschillende fasen volgen elkaar op
, Twee deelperiodes met hun kenmerken in de adolescentiefase
1. Vroege adolescentie (puberteit) 12j – 15j
* Lichamelijke/seksuele ontwikkeling = puberteit
* losmakingproces tussen adolescent en ouders
* Belang vrienden
2. Midden adolescentie 15j – 18j
* experimenteren
* Belang vrienden
3. Late adolescentie 18j – 22j
* Persoonlijke relaties
* maatschappelijke positie
* Aangaan van verplichtingen
De puberteitsperiode binnen de ruime adolescentiefase
Het begin van de adolescentie wordt ingeluid door de puberteit, waarmee de
periode van geslachtsrijping bedoeld wordt. Puberteit slaat eigenlijk enkel op
lichamelijke veranderingen, adolescentie slaat op leeftijdsgroep puberteit valt
binnen de vroege adolescentie 12-15 jaar
Het verband tussen leeftijd en gedrag
Wat mensen denken, doen en voelen is niet toevallig maar komt onder
andere voort uit behoeften. Daarbij ligt de relatie met leeftijd voor de hand.
Een baby heeft andere behoeften dan een volwassene. Uiteraard hebben ze
ook overeenkomstige behoeften, bijvoorbeeld de behoefte aan eten en
drinken.
Ook in de manier waarop ze die behoefte bevredigen zitten overeenkomsten
en verschillen. De relatie tussen leeftijd en gedrag blijkt dus uit twee zaken:
ze behelst zowel de onderwerpen waar mensen zich mee bezighouden als de
manier waarop ze daarmee bezig zijn.
De relatie tussen leeftijd en gedrag blijkt dus uit 2 zaken: ze behelst zowel de
onderwerpen waar mensen zich mee bezighouden als de manier waarop ze
daarmee bezig zijn. Voorbeelden: taal verschilt tussen jongeren en ouderen,
onderwerpen verschillen zeker en vast. Bij jongeren meestal over iets heel
indrukwekkends, over wat er op tv te zien is, bij ouderen over de
maatschappij, wat er gebeurt met de wereld.
De leeftijdskenmerken die voor ‘het gemiddelde’ niet opgaan,
gaan niet op voor iedereen.
Dertienjarige staan aan het begin van een leeftijdsfase waarin opvallende
veranderingen plaatsvinden. Iedere persoon veranderd tijdens die fase in
allerlei opzichten. Lichamelijk, sociaal en emotioneel. Niet alle veranderingen