Scheikunde samenvatting - H8
Indicatoren = stof waarmee je kunt bepalen of oplossing zuur of basisch is.
• Lakmoes: geeft aan of oplossing zuur of basisch is;
• Universeel indicatorpapier: stelt pH-waarde vast;
• Oplossingen; met omslagtraject kan je pH-waarde vaststellen.
Zuur: pH < 7
Basisch: pH > 7
Neutraal: pH = 7
Als een zuur oplost in water worden H⁺-ionen afgegeven aan watermoleculen.
→ Gevormde ion, H₃O⁺ = oxoniumion
Sterk zuur = zuur dat in water volledig splitst in ionen (aflopende reactie).
• Oplossing van sterk zuur HZ noteren als ionen in de oplossing: H₃O⁺(aq) + Z⁻(aq).
Voorbeeld: HNO₃(l) + H₂O(l) ⟶ H₃O⁺(aq) + NO₃⁻(aq)
Zwak zuur = zuur dat in water gedeeltelijk splitst in ionen (evenwichtsreactie).
• Oplossing van zwak zuur HZ noteren als zuur zelf: HZ(aq).
Voorbeeld: HCN(aq) + H₂O(l) ⇄ H₃O⁺(aq) + CN⁻(aq)
Organisch zuur = stof met koolstofskelet een een -COOH-groep
→ Alleen het H-atoom dat in deze zuurgroep zit kan worden afgestaan als H⁺-ion.
Anorganische zuren = zuren zonder koolstofskelet
• Koolzuur en zwaveligzuur zijn instabiele zuren
Een meerwaardig sterk zuur kan meerdere H⁺-ionen afstaan.
Een meerwaardig zwak zuur verliest in water maar één H⁺-ion.
• Sommige ionen kunnen als zuur reageren
Rekenen aan zure oplossingen:
• pH = -log[H₃O⁺]
• [H₃O⁺] = 10⁻ᴾᴴ
Aantal significante cijfers van [H₃O⁺] is gelijk aan aantal decimalen van pH.
Sterk zuur: pH kun je rechtsreeks berekenen uit molariteit van de oplossing;
Zwak zuur: HZ(aq) + H₂O(l) ⇄ H₃O⁺(aq) + Z⁻(aq).
↓
Evenwichtsvoorwaarde:
Rekenen aan zwakke zuren:
• Bereken pH als molariteit van het zuur en Kz gegeven zijn;
Indicatoren = stof waarmee je kunt bepalen of oplossing zuur of basisch is.
• Lakmoes: geeft aan of oplossing zuur of basisch is;
• Universeel indicatorpapier: stelt pH-waarde vast;
• Oplossingen; met omslagtraject kan je pH-waarde vaststellen.
Zuur: pH < 7
Basisch: pH > 7
Neutraal: pH = 7
Als een zuur oplost in water worden H⁺-ionen afgegeven aan watermoleculen.
→ Gevormde ion, H₃O⁺ = oxoniumion
Sterk zuur = zuur dat in water volledig splitst in ionen (aflopende reactie).
• Oplossing van sterk zuur HZ noteren als ionen in de oplossing: H₃O⁺(aq) + Z⁻(aq).
Voorbeeld: HNO₃(l) + H₂O(l) ⟶ H₃O⁺(aq) + NO₃⁻(aq)
Zwak zuur = zuur dat in water gedeeltelijk splitst in ionen (evenwichtsreactie).
• Oplossing van zwak zuur HZ noteren als zuur zelf: HZ(aq).
Voorbeeld: HCN(aq) + H₂O(l) ⇄ H₃O⁺(aq) + CN⁻(aq)
Organisch zuur = stof met koolstofskelet een een -COOH-groep
→ Alleen het H-atoom dat in deze zuurgroep zit kan worden afgestaan als H⁺-ion.
Anorganische zuren = zuren zonder koolstofskelet
• Koolzuur en zwaveligzuur zijn instabiele zuren
Een meerwaardig sterk zuur kan meerdere H⁺-ionen afstaan.
Een meerwaardig zwak zuur verliest in water maar één H⁺-ion.
• Sommige ionen kunnen als zuur reageren
Rekenen aan zure oplossingen:
• pH = -log[H₃O⁺]
• [H₃O⁺] = 10⁻ᴾᴴ
Aantal significante cijfers van [H₃O⁺] is gelijk aan aantal decimalen van pH.
Sterk zuur: pH kun je rechtsreeks berekenen uit molariteit van de oplossing;
Zwak zuur: HZ(aq) + H₂O(l) ⇄ H₃O⁺(aq) + Z⁻(aq).
↓
Evenwichtsvoorwaarde:
Rekenen aan zwakke zuren:
• Bereken pH als molariteit van het zuur en Kz gegeven zijn;