LESSEN EMMANUEL JACOBS
HEUP
→ voldoende mobiliteit en stabiliteit nodig
art. coxae
- kogelgewricht
- transversaal: flexie en extensie
- sagittale ad: abductie en adductie
- verticale as: exorotatie en endorotatie
MCPP = maximale extensie en endorotatie
→ ligamenten zijn maximaal aangespannen en resulteert in veel gewrichtscontact
→ been naar voor brengen en met andere been de stabiliteit blijven behouden
- flexie: ligamenten ontspannen (instabiel)
- flexie en abductie: contactoppervlak acetabulum-femur verkleind (nog instabieler)
- vb: dashboard trauma
- door druk op knie door dashboard, wordt de druk doorgegeven aan de heup,
waardoor er een subluxatie kan optreden (want ligamenten zijn ontspannen)
- mensen met heupprothese krijgen verbod op verschillende bewegingen, want door
instabiele situatie kan de prothese nog luxeren: terugkerende heupluxaties
LPP = ruststand = 30° flexie, 30° abductie en beetje exorotatie
→ ligamenten zijn ontspannen
- pijn aan heup? lichte heupflexie houden (functie van standbeen kan niet volbracht worden)
- wanneer aanhouden? capsulitis, bursitis, rheumatoide arthritis
- waarom antalgische houding heup = lichte heupflexie?
- normaal intra-articulaire druk < atmosferische druk
- inflammatie → vochttoename → toename in intra-articulaire druk → meer spanning
op kapsel en ligamenten
- antalgische houding = streven naar LPP
hellingshoek collum femoris
- acetabulum
- gericht naar lateraal, caudaal, ventraal
- vb: tractie = altijd volgens richting van concaviteit
- collum femoris
- gericht naar mediaal, craniaal, ventraal
- inclinatiehoek = gemiddeld 125°
- = frontaal vlak tussen femur en collum femoris
- anteversiehoek = 10°-15° (vrouwen) en 8-10° (mannen)
- = transversaal vlak tussen horizontale en as collum femoris
- hoe groter deze hoek → hoe groter endo mobiliteit → hoe groter anterieure
luxatie neiging
- in-toeing overmatig anteversie collum → streven naar maximale congruentie
in gewricht
, - hoek van Wiberg = ongeveer 30°
- = hoeveel overlap er is boven de femur tussen de femurkop en acetabulum
- kans op craniaalwaartse luxatie is groter indien de hoek kleiner wordt dan 30°
belasting ter hoogte van de heup
- belastingprikkel!
- onderbelasting vs overbelasting
- vb: preventie van osteoporose (optimaal: evenveel botaanmaak en -afbraak)
- botafbraak > botaanmaak → osteoporose door onevenwicht
→ korte termijn: vervorming enkel zichtbaar met elektronenmicroscoop
→ lange termijn: macroscopisch zichtbaar
spanningslijnen:
- vb: verticale doorsnede van opgedroogd bot (in vitro)
- zichtbaar hoe het bot zich heeft moeten aanpassen
- spanningslijnen → richting van belasting
- concentratie → grootte van belasting
links: normaal ⇔ rechts: afwijkend → kleinere inclinatiehoek (coxa vara), mediaal veel dikkere
structuren (meer weerstand bieden tegen buigspanning (meer belasting, compressie), femurkop heeft
spanningslijnen in verschillende richtingen (luchtiger)
,anisotroop materiaal = aantal materiaaleigenschappen door aantal belastingsrichtingen
- matrix vh. beenweefsel
- collageenvezels → weerstand tegen rekspanning
- calciumhyroxyapatitekristallen → weerstand tegen compressiekrachten (compressie
opvangen in het bot en niet doorgeven via gekoppelde segmenten)
- vb: osteoporose: minder structuren zichtbaar, meer holtes
- holle structuur (beenmergholte) → weerstand tegen buigspanning
belasten? toename in concentratie aan krachten (meer weerstand geven)
calciumgave via urine
- fysiologisch: 180 mg/dag
- na 4 weken immobilisatie (340 mg/dag)
- osteoporose start snel op! → 3-4% verlies van bot per jaar
femur heer speciale structuur om fracturen te voorkomen:
- spanningslijnen gaan elkaar kruisen (grotere dichtheid)
- Ward’s triangle: plaats waar spanningslijnen niet voorkomen → geen weerstand bieden →
kleine botdensiteit (aan binnenkant en buitenlijnen wordt meeste weerstand geboden)
- varieert van grotte door pathologie
- vb: vergroot bij coxa vara
- normaal: dikke streep loopt door tot femurkop
- coxa valga: trochanter kan iets minder weerstand geven → mediaal stopt dikke streep snel
- coxa vara: trochanter kan veel minder weerstand geven → mediaal loopt dikke streep verder
gewrichtskraakbeen
- hyalien kraakbeen
- 90% collageenvezels
- chondrocyten (kraakbeencellen)
- matrix (grote moleculeketens) → aanmaak van voedingsstoffen
- kan tussen 65-75% water opnemen → moet vocht kunnen aantrekken, waardoor het
gezond blijft (frictie tussen gewrichtspartners)
- fibreus kraakbeen
- vb: labrum acetabulare (ring zorgt voor betere congruentie)
- kan veel minder water opnemen
- kraakbeen is dikste thv. Wiberg
- zowel op acetabulum als op caput femoris
- rechtstreeks gevolg van zeer grote druk tussen caput en acetabulum
creep mode = maat voor stijfheid van kraakbeen
- het grootst op de grote contactplaatsen
, - eigenschappen van kraakbeen afhankelijk van lokalisatie
- kraakbeen kan bij constante belasting vervormen
- !! in heup: geen rechtstreeks contact tussen gewrichts partners
- contactoppervlak caput - acetabulum: beperkt in rechtopstaande positie
- ventro-craniaal deel van caput is niet bedekt door acetabulum
- wel goed bedekt bij 90° flexie, kleine abductie en kleine exorotatie
- (grootste contactoppervlak)
- = komt overeen als wij handen-knieën stand aannemen
belastingsmodel van Pauwels
- normaal = pilaar wordt gelijk belast (A)
- D = drukspanning → gewicht opschuiven naar rechts (B)
- Z = rekspanning → gewicht opschuiven naar rechts (B)
- gewicht verder opschuiven: pilaar zal breken (C)
- te grote druk over een te grote plaats: aan binnenkant (homo)
- te grote rek over een te grote plaats: aan buitenkant (hetero)
- verschil tussen druk en rek wordt te groot → breuklijn (druk op kleine plaatsen) →
pilaar zal breken
- aan beide kanten dezelfde druk plaatsen (D), geen rekspanninig!
- spanning zal verdubbelen
- vb: bipodale stand
vb: unipodale stand (vb: C) → heel lichaamsgewicht wordt verschoven naar een been
- toenemende druk- en rekspanning
fysiologische piekbelasting op caput femoris → tijdens unipodale fase
R of resultante kracht
- = belasting in heup (K + M) loodrecht op contactoppervlak
- = vormt een hoek met as collum femoris (schuifspanning: met druk- en rekspanning)
- comp1 = rekspanning (S)
- comp2 = drukspanning (C): belasting kraakbeen
- !! er bestaat drukspanning en rekspanning en dit komt door schuifspanning
R1 of reactiekracht
- = weerstand bieden tegen R
HEUP
→ voldoende mobiliteit en stabiliteit nodig
art. coxae
- kogelgewricht
- transversaal: flexie en extensie
- sagittale ad: abductie en adductie
- verticale as: exorotatie en endorotatie
MCPP = maximale extensie en endorotatie
→ ligamenten zijn maximaal aangespannen en resulteert in veel gewrichtscontact
→ been naar voor brengen en met andere been de stabiliteit blijven behouden
- flexie: ligamenten ontspannen (instabiel)
- flexie en abductie: contactoppervlak acetabulum-femur verkleind (nog instabieler)
- vb: dashboard trauma
- door druk op knie door dashboard, wordt de druk doorgegeven aan de heup,
waardoor er een subluxatie kan optreden (want ligamenten zijn ontspannen)
- mensen met heupprothese krijgen verbod op verschillende bewegingen, want door
instabiele situatie kan de prothese nog luxeren: terugkerende heupluxaties
LPP = ruststand = 30° flexie, 30° abductie en beetje exorotatie
→ ligamenten zijn ontspannen
- pijn aan heup? lichte heupflexie houden (functie van standbeen kan niet volbracht worden)
- wanneer aanhouden? capsulitis, bursitis, rheumatoide arthritis
- waarom antalgische houding heup = lichte heupflexie?
- normaal intra-articulaire druk < atmosferische druk
- inflammatie → vochttoename → toename in intra-articulaire druk → meer spanning
op kapsel en ligamenten
- antalgische houding = streven naar LPP
hellingshoek collum femoris
- acetabulum
- gericht naar lateraal, caudaal, ventraal
- vb: tractie = altijd volgens richting van concaviteit
- collum femoris
- gericht naar mediaal, craniaal, ventraal
- inclinatiehoek = gemiddeld 125°
- = frontaal vlak tussen femur en collum femoris
- anteversiehoek = 10°-15° (vrouwen) en 8-10° (mannen)
- = transversaal vlak tussen horizontale en as collum femoris
- hoe groter deze hoek → hoe groter endo mobiliteit → hoe groter anterieure
luxatie neiging
- in-toeing overmatig anteversie collum → streven naar maximale congruentie
in gewricht
, - hoek van Wiberg = ongeveer 30°
- = hoeveel overlap er is boven de femur tussen de femurkop en acetabulum
- kans op craniaalwaartse luxatie is groter indien de hoek kleiner wordt dan 30°
belasting ter hoogte van de heup
- belastingprikkel!
- onderbelasting vs overbelasting
- vb: preventie van osteoporose (optimaal: evenveel botaanmaak en -afbraak)
- botafbraak > botaanmaak → osteoporose door onevenwicht
→ korte termijn: vervorming enkel zichtbaar met elektronenmicroscoop
→ lange termijn: macroscopisch zichtbaar
spanningslijnen:
- vb: verticale doorsnede van opgedroogd bot (in vitro)
- zichtbaar hoe het bot zich heeft moeten aanpassen
- spanningslijnen → richting van belasting
- concentratie → grootte van belasting
links: normaal ⇔ rechts: afwijkend → kleinere inclinatiehoek (coxa vara), mediaal veel dikkere
structuren (meer weerstand bieden tegen buigspanning (meer belasting, compressie), femurkop heeft
spanningslijnen in verschillende richtingen (luchtiger)
,anisotroop materiaal = aantal materiaaleigenschappen door aantal belastingsrichtingen
- matrix vh. beenweefsel
- collageenvezels → weerstand tegen rekspanning
- calciumhyroxyapatitekristallen → weerstand tegen compressiekrachten (compressie
opvangen in het bot en niet doorgeven via gekoppelde segmenten)
- vb: osteoporose: minder structuren zichtbaar, meer holtes
- holle structuur (beenmergholte) → weerstand tegen buigspanning
belasten? toename in concentratie aan krachten (meer weerstand geven)
calciumgave via urine
- fysiologisch: 180 mg/dag
- na 4 weken immobilisatie (340 mg/dag)
- osteoporose start snel op! → 3-4% verlies van bot per jaar
femur heer speciale structuur om fracturen te voorkomen:
- spanningslijnen gaan elkaar kruisen (grotere dichtheid)
- Ward’s triangle: plaats waar spanningslijnen niet voorkomen → geen weerstand bieden →
kleine botdensiteit (aan binnenkant en buitenlijnen wordt meeste weerstand geboden)
- varieert van grotte door pathologie
- vb: vergroot bij coxa vara
- normaal: dikke streep loopt door tot femurkop
- coxa valga: trochanter kan iets minder weerstand geven → mediaal stopt dikke streep snel
- coxa vara: trochanter kan veel minder weerstand geven → mediaal loopt dikke streep verder
gewrichtskraakbeen
- hyalien kraakbeen
- 90% collageenvezels
- chondrocyten (kraakbeencellen)
- matrix (grote moleculeketens) → aanmaak van voedingsstoffen
- kan tussen 65-75% water opnemen → moet vocht kunnen aantrekken, waardoor het
gezond blijft (frictie tussen gewrichtspartners)
- fibreus kraakbeen
- vb: labrum acetabulare (ring zorgt voor betere congruentie)
- kan veel minder water opnemen
- kraakbeen is dikste thv. Wiberg
- zowel op acetabulum als op caput femoris
- rechtstreeks gevolg van zeer grote druk tussen caput en acetabulum
creep mode = maat voor stijfheid van kraakbeen
- het grootst op de grote contactplaatsen
, - eigenschappen van kraakbeen afhankelijk van lokalisatie
- kraakbeen kan bij constante belasting vervormen
- !! in heup: geen rechtstreeks contact tussen gewrichts partners
- contactoppervlak caput - acetabulum: beperkt in rechtopstaande positie
- ventro-craniaal deel van caput is niet bedekt door acetabulum
- wel goed bedekt bij 90° flexie, kleine abductie en kleine exorotatie
- (grootste contactoppervlak)
- = komt overeen als wij handen-knieën stand aannemen
belastingsmodel van Pauwels
- normaal = pilaar wordt gelijk belast (A)
- D = drukspanning → gewicht opschuiven naar rechts (B)
- Z = rekspanning → gewicht opschuiven naar rechts (B)
- gewicht verder opschuiven: pilaar zal breken (C)
- te grote druk over een te grote plaats: aan binnenkant (homo)
- te grote rek over een te grote plaats: aan buitenkant (hetero)
- verschil tussen druk en rek wordt te groot → breuklijn (druk op kleine plaatsen) →
pilaar zal breken
- aan beide kanten dezelfde druk plaatsen (D), geen rekspanninig!
- spanning zal verdubbelen
- vb: bipodale stand
vb: unipodale stand (vb: C) → heel lichaamsgewicht wordt verschoven naar een been
- toenemende druk- en rekspanning
fysiologische piekbelasting op caput femoris → tijdens unipodale fase
R of resultante kracht
- = belasting in heup (K + M) loodrecht op contactoppervlak
- = vormt een hoek met as collum femoris (schuifspanning: met druk- en rekspanning)
- comp1 = rekspanning (S)
- comp2 = drukspanning (C): belasting kraakbeen
- !! er bestaat drukspanning en rekspanning en dit komt door schuifspanning
R1 of reactiekracht
- = weerstand bieden tegen R